Sporen van een lichaam

Sporen van een lichaam

 

Peter Verhelst suggereerde gisteren tijdens een voorstelling van Apéro Poëzie ongewild en ongeweten een antwoord op een vraag die Saskia me een dag eerder stelde over een zin in mijn laatste boek, een zin die zich niet wou aandienen als hapklaar. Een apéro philosophie met niet eetgrage brokjes.

Aan de hand van wat Peter Verhelst vertelde over een gedicht dat hij tijdens een slapeloze nacht in één teug schreef over het beeld van het in Bodrun aangespoelde driejarige Syrische jongetje Aylan denk ik iets te kunnen zeggen over die zin in mijn boek:

 

Een reflexief dualistisch denken zal nooit het lichaam kunnen verstaan als een spoor van onze existentie. Ons lichaam is de wijze waarop wij de wereld binnentreden en op hetzelfde moment is het de wijze waarop het een verschijnen is van de wereld zelf.

(De zinnen van het leven, p. 79)

 

Reeds halverwege de negentiger jaren van vorige eeuw begon ik naar filosofische alternatieven te zoeken voor het naar mijn aanvoelen te stevig vastgeroeste beeld dat onze westerse filosofische traditie al eeuwenlang overheerste. Die befaamde slagzin van René Descartes, Ik denk dus ik ben, mag dan in een zeventiende-eeuwse context opzienbarend zijn geweest en zelfs als bevrijdend zijn gezien in die tijd, intussen zouden we echter moeten beseffen dat die zin en het verhaal waarin die zin een eminente rol speelt achterhaald is, misschien zelfs gevaarlijk is, maar vooral: totaal geen recht doet aan de complexiteit van het menselijke zijn.

In De zinnen van het leven, en in eerder werk, tracht ik te tonen dat wij niet in eerste instantie tot zin- en betekenisgeving van ons leven en onze wereld komen vanuit onze door sommigen als zuiver omschreven rationele vermogens. Mensenlevens zouden vanuit die rationele bovenkamer van ons bestuurd en gestuurd worden. Ik beweer natuurlijk niet dat dit totaal niet zo is, maar het lijkt me zeker niet wat we in eerste instantie doen en wat we exclusief doen.

Hoe we zin en betekenis geven aan de dingen rondom ons en aan onze plek daarin, begint bij wat onmiddellijk gegeven is: een lichaam dat zich in een bepaalde situatie bevindt. Daar gaat een stemming mee gepaard: we worden gestemd door een omgeving. Er horen daar emoties bij en gevoelens. Van die emoties zijn we ons niet noodzakelijk bewust. Gans dat scenario laat zich vatten in een tijdsspanne die alleen maar als onmiddellijk en direct kan omschreven worden. Een stemming pakt je. Rationele vermogens hinken daar enkele fracties achteraan.

 

Een reflexief dualistisch denken is een denken waarbij dat denkende ik zich als subject los meent te kunnen zien van de te overdenken objecten buiten zichzelf, op afstand, daarbuiten. Lichaam en emoties beroeren en affecteren dat denkende ik dan zogezegd niet. Hoe ik denk en wat ik denk zou dan volledig abstract kunnen worden beschouwd, dat wil zeggen: alsof mijn denken niet gestemd, niet gekleurd zou worden door waar ik mij bevind, hoe ik mij daar bevind, met wie ik daar ben en vanuit welk eerder verhaal ik daar ben terechtgekomen. Denk aan recente pogingen om zowat al onze gemoedstoestanden te verklaren vanuit enkel maar onze breinactiviteit. Uiteraard hebben breinwetenschappers een belangrijk punt te maken, maar dat brein van ons zit in een lichaam, mijn lichaam, dat lichaam figureert in een levensverhaal, mijn levensverhaal, dat levensverhaal kent het decor van een natuurlijke en culturele omgeving die op hun beurt weer dat lichaam en dat brein van mij gaan kleuren. Vanuit dat complexe samenspel ontstaat de manier waarop wij betekenis geven aan de wereld. Vandaar het tweede deel van mijn aperitiefzinnetje: het lichaam kunnen verstaan als een spoor van onze existentie. En dat ons lichaam de wijze is waarop wij de wereld binnentreden en tegelijkertijd een manier van verschijnen van de wereld zelf. Met mijn lijf zit ik altijd verwikkeld in het geheel van wereldlijke dingen. Die stemmen mij. Die kleuren de wijze waarop ik zin en betekenis geef aan dat eindige bestaan van mij op deze eindige aardkluit. Ik kan mij niet buiten de wereld begeven om er de zin en de betekenis van te ontdekken. Ik doe dat hier, op deze plek, in dit hier en nu en vanuit mijn verleden, maar nog niet voltooid verhaal. Wat ik doe met mijn lijf laat sporen na in de wereld waarvan het zelf de sporen draagt. De natuur denkt zichzelf in ons, schrijft de Franse fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty ergens. Alles wat ik hier schrijf is overigens door zijn denken geïnspireerd.

 

Tijdens die Apéro Poëzie van gisteren zat ik dus te tobben over hoe ik die vraag van Saskia over dat zinnetje zou kunnen beantwoorden. Al enkele dagen had ik poëzie van Peter Verhelst zitten lezen. Ik begon te vermoeden dat zijn poëzie heel vaak ook over dat zinnetje gaat, dat zijn poëzie dat pre-reflectieve moment van de lichamelijkheid tracht te vatten. Verhelst wil woorden geven aan wat zelf geen woorden heeft of waarvoor woorden noodzakelijk tekortschieten. De kracht van Verhelst poëzie ligt ook net daarin voor mij: zijn woorden komen ongemeen dicht bij dat wat niet zegbaar is. Toen Verhelst tijdens zijn optreden daar in Oostende verwees naar zijn – voor hem nog niet helemaal afgewerkt -gedicht over Aylan, besefte ik dat daar – zeker daar – dat samenspel van lichaam en wereld, de sporen die daarin ontstaan, op een onverdraaglijk pijnlijke, maar misschien net daarom zo duidelijke manier naar voren komen.

 

(…)

Hoe het daar lag

Hoe het voorover lag, zo, met de handen naast het hoofd

Hoe we het wegnamen en het voorover bleef liggen

Zelfs toen we het wegnamen, bleef het, terwijl we het wegnamen, voorover op het

zand liggen

Zelfs toen we niet meer keken

(…)

 

Al googlend trof ik een beeld aan dat een cartoonist had gemaakt: Aylan, in identiek dezelfde houding, maar dan gelegen op een knusrode sofa. De cartoonist veranderde fictief Aylans wereld van verzopen hel in salonwarme hemel. Dat lijfje wordt daar het spoor van een andere existentie. Het treedt onze wereld anders binnen. De wereld verschijnt er anders. Dat lichaam valt niet van z’n wereld te scheiden. Er is daar geen afstand. Leg het in die salonwarme sofa en we voelen de warmte, de knusheid, de tederheid die ons onmiddellijk overvalt, ‘stemt’. Zie het dan opnieuw op het Turkse strand. Koudheid beneden alle normen. Afschuw, woede, machteloosheid. Gestemd worden we. Onmiddellijk. Misschien blijvend. Hopelijk blijvend.

 

(…)

Vooral waar we niet meer keken bleef het op het zand liggen, voorover

Dat het op een dag wel uit zichzelf zou vertrekken, dachten we soms,

Maar dat het van ons werd toen we het wegnamen

Wisten we

Er was eens, probeerden we nog te denken, maar

Zo luid we konden, probeerden we er was eens, er was eens te blijven denken

(…)

 

Er was eens een spoor van een existentie. Dat spoor maakt voortaan altijd deel uit van onze wereld. Het lijkje van Aylan vertelt het verhaal van zijn hele existentie. Het toont ons een wereld waarvan we dachten dat het de onze niet was. Maar die wereld is nu niet meer ‘buiten’ ons. Zelfs al proberen we dat ‘buiten’ buiten te laten. Een reflexief/rationeel dualistisch/afstandelijk denken kan pogen dat ongewenste spoor weg te vegen. ‘We kunnen ze toch niet allemaal binnenlaten?’. Die retoriek – vaak gedragen door een berekende koudheid beneden alle normen – doet het goed wellicht. Maar dan nog blijven die sporen van een existentie. Ze hebben zich ingegraven in onze wereld.

Gelukkig zijn er de poëzie en de kunst om ons daaraan te herinneren. En de filosofie die zo vaak botst op de grenzen van het zegbare.

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *