Verbeelding aan de macht

Ik lees dat we de summer of love van 1967 herdenken. Was het toen dat ook de verbeelding machtsaanspraken meende te mogen maken? Indien wel, valt daar nu alvast bitter weinig van te merken in actuele debatten van uiteenlopende aard. Groot Gelijk tegen Groot Gelijk. Debatten waar niemand kan winnen, al lijkt dat toch de inzet te zijn. Uiteraard is het goed om voor een overtuiging op te komen. Maar mijn favoriete filosofische lijfspreuk, gelezen bij Hans-Georg Gadamer, blijft de overtuiging (ja, dat is er ook één) ‘dat de ander misschien gelijk heeft’. Dat bedenk ik nu bij het zien van mijn vrouw die het boek Mazzel tov van Margot Vanderstraeten zit te lezen. Over een manier van leven die ons zo vreemd is.

 

Waarom uitgaan van dat idee dat de ander misschien gelijk heeft? Wel, we zijn mensen. Mensen zijn prutsers. Ze prutsen met wat hen gegeven is. En wat hen gegeven is hangt af van tijd, ruimte, traditie, cultuur en eigen ervaringen. We zijn gebonden aan ons lichaam, we kennen emoties die soms gewenst, maar even vaak ongewenst zijn. We beschikken over rationele vermogens die bijwijlen tekortschieten, maar die we even vaak overschatten. Een menselijk vermogen dat naar mijn aanvoelen te weinig aan bod komt in het denken over la condition humaine is nu net dat van de verbeelding. Verbeelding is het vermogen om wat er is te zien in het licht van wat mogelijk is: wat is kan ook anders zijn, werkelijkheid draagt altijd andere mogelijkheden in zich. Het is goed dat we de werkelijkheid en het heden zien in termen van mogelijkheden. Daaraan voeden we ons immers bij de vraag naar een betekenisvol leven. Mogelijkheden laten toe wat er nu is te herinterpreteren en te reconstrueren. Anders verstaan kan leiden tot een andere praktijk. Dat samenspel van verstaan en praktijk heeft te maken met wat in de filosofie ontologie heet. Een duur woord, ik weet het.

Ontologie is ‘de leer van het zijn’. Dat klinkt niet meteen alsof het om ons in onze dagelijkse praktijk gaat. Tenzij we ontologie zouden omschrijven als het proberen verstaan van manieren van zijn. Wat zijn we? Hoe zijn we? Kunnen we anders zijn? Ontologie begint bij een attitude van echte zorg om de wereld. Ik ben bezorgd om waar en hoe ik leef. Ik draag zorg voor waar en hoe ik leef. Mijn zorg is dat dit leven betekenisvol kan heten voor mezelf en voor anderen. Ontologie – dat dure woord dus – kan ook tot een therapeutische reflex leiden: hoe komt het dat wij in onze typisch westerse manier van denken zo lang hebben nagelaten te denken in termen van interactieve relaties? Dat we dat ego zo centraal stelden (stellen), bijvoorbeeld in debatten allerhande. Dat we ons los van de natuur dachten. En dat anderen die vragen heel anders kunnen beantwoorden.

Laten we de dure term nog wat moeilijker maken en het hebben over een eco-ontologie (met dank aan de Amerikaanse pragmatist Tom Alexander). We stellen dan de vraag naar onze oikos, naar hoe we van de wereld onze woonst maken. Tegelijkertijd kijken we naar hoe anderen dat doen. De vraag naar levenswijsheid heeft die eco-ontologie nodig. We peilen er naar de verhalen waarmee we op een verbeeldende manier onze thuis in de wereld bouwen. Waarom zijn er verschillende culturen? Als we aannemen dat elke cultuur, elke vorm van civilisatie, telkens andere expressies zijn van een creatieve adaptatie aan uiteenlopende (natuur)omstandigheden, dan verstaan we waarom pluraliteit en diversiteit onontkoombaar deel uitmaken van de condition humaine. Culturen die minder individualistisch zijn ingesteld, werden daartoe misschien genoopt door een onvriendelijker leefmilieu. Om maar één voorbeeld te noemen.

Religies, politieke systemen en culturele tradities zijn manieren om onze levens in te richten in dialoog met een specifieke omgeving. Ze zijn even noodzakelijk om te kunnen leven als zuurstof, voedsel en water. Cultuur maakt zo deel uit van onze natuur. Hoe we de twee samenbrengen is een act van creativiteit en verbeelding, gestuwd door de vraag naar zin en betekenis in ons leven. Pluraliteit en diversiteit hangen hier onlosmakelijk mee samen.

Filosofie zou voor mij quasi synoniem mogen zijn met eco-ontologie. Als ik de vraag stel naar de zin van ons zijn, dan stel ik die vraag als een persoon met een brein dat in een lichaam zit dat zelf weer in een bepaalde natuurlijke omgeving is verwikkeld die op zijn beurt onmiddellijk een culturele invulling krijgt. En al die elementen werken op elkaar in op onderling wederzijdse wijze. Vanuit die interacties, die in grote mate ook onbewust verlopen – als adaptatie – bouwen wij aan ons verhaal van zin en betekenis. En komen we terug bij het belang van de verbeelding.

 

Hebben we het over zin en betekenis, dan speelt dit verbeeldend vermogen dus een eminente rol. Of zou dat althans moeten kunnen. Met nadruk gesteld: dat is geen solitaire bezigheid. Bij ons imaginaire vermogen speelt de ander mee een rol. Als Gadamer zegt dat ons verstaan altijd een anders verstaan is, dan betekent dit dat we ons (kunnen) laten veranderen door anderen dankzij onze verbeelding die ons gevoelig maakt voor andere mogelijkheden.

Vanuit auteurs die ik graag op mijn spreekwoordelijke nachtkastje heb liggen – Hans-Georg Gadamer, John Dewey – dienen we onze traditionele kijk op subjectiviteit bij te stellen: het subject kan niet langer gezien worden als centrum (ik!) en beginpunt (vanuit mezelf!) van ons verstaan van de wereld en van de manier waarop we er zin en betekenis aan geven of hoe we zin en betekenis ontvangen. Een meer plausibel en voor mijn part humaner alternatief kunnen we vinden in een interpretatie van subjectiviteit die onmiddellijk en altijd intersubjectiviteit is: er bestaat geen ik zonder de ander, ons ‘zelf’ is product van een dialoog, onze identiteit is dat evenzeer. Als ons verstaan altijd een anders verstaan is, betekent dit dat mijn verstaan van de ander meteen ook een anders verstaan van mezelf is en een bijstellen van mijn verstaan van de wereld. De plek van mijn ontmoeting met anderen, dat is de plek die wij de samenleving noemen. Dat lijkt misschien een evidente uitspraak, maar blijkbaar was ze niet altijd zo evident doorheen de geschiedenis van de filosofie en ook nu nog niet.

Kijken we naar de actualiteit. Xenofobe en racistische reacties zijn uitingen van dat onvermogen om de ander, de echt andere, toe te laten tot onze betekenishorizon. De ander verstaat anders en brengt ons, als centrum van zekerheid voor onszelf, in verlegenheid door ons de mogelijkheid te tonen anders te verstaan. Onze verbeelding lijkt dan even niet mee te spelen. Vaak, veel te vaak, zien we de mens op een haast atomaire wijze los van anderen (‘U weet toch dat een asielzoeker een economisch probleem is?’), los van een context waarin zij of hij zich bevindt, los van een heel ander verhaal van betekenisgeving dan het onze. Op die manier heeft een vermogen als de verbeelding ook een politieke dimensie. De zinnen van het leven zijn tevens de zinnen van de verhalen die wij met anderen schrijven, wat ook kan betekenen: hoe zij zich in ons verhaal willen ‘inschrijven’. Kortom: hoe we samen een verhaal schrijven zonder Groot Gelijk. Mazzel tov – goed geluk – heeft meerdere vormen.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *