De waarheid niets dan de waarheid

Dé waarheid en dé rede kleuren nogal eens debatten over politieke en ethische kwesties. Dat die waarheid en die rede, of althans hoe de auteurs of opiniemakers in kwestie ze opvatten, door en door cultureel en historisch bepaald zijn, wordt gemakshalve vergeten. Stelligheid en zekerheid over het eigen standpunt maken de discussie nu eenmaal veel comfortabeler dan het in vraag stellen van de eigen uitgangspunten of het contextgebonden karakter ervan te willen of kunnen zien. Maar dit zeggen is op zich al een waagstuk, want meteen staan de kruisvaarders van waarheid en rationaliteit dan klaar met verwijten van relativisme.

Ik vind relativisme een zeer gezonde denkattitude. Dat iets relatief is, betekent dat het gebonden is aan een context, dus dat het niet een op zich staand gegeven is. Dat waarheid op zich zou staan, dat ze voor eens en altijd boven tijd en plaats verheven zou bestaan, is de voedingsbodem voor een fundamentalistisch denken. Dat kan ideologisch van aard zijn, godsdienstig, maar evengoed seculier humanistisch. Relativisme is gezond in die zin dat het verder kijkt dan de filosofische of andersoortige neus lang is en gaat peilen naar het grotere verhaal waarin een uitspraak of handeling geworteld is. Het zoekt naar een context. Het ziet dat een waarheid misschien slechts een optie is naast andere waarheden. Of althans: naast andere manieren om te bepalen wat als waarheid kan gelden.

 

Wat kan waarheid betekenen? Neem een stel wetenschappers die in hun keurig hermetisch afgesloten labo in – pakweg – Leiden een bepaald experiment uitvoeren. Morgen of volgende week of volgend jaar willen hun collega’s in – pakweg – Bejing of Sao Paulo hetzelfde experiment uitvoeren. Als de premissen dezelfde zijn, zouden ze dezelfde resultaten moeten bekomen. Lukt dat niet, dan scheelt er iets met dat experiment of met de premissen ervan. Hoe dan ook zouden die wetenschappers vanuit verschillende werelddelen en culturen in staat moeten zijn iets aan te tonen of te bewijzen dat zou geldig zijn los van de specifieke plek waar dat experiment werd uitgevoerd. Hun methode staat neutraal tegenover de culturele achtergrond van hun werkzaamheden.

Stel vervolgens dat deze verschillende wetenschappers ‘s avonds na noeste wetenschappelijke arbeid de deuren van hun labo achter zich dichttrekken. Ze gaan naar huis bij partner, ouders of kinderen of ze trekken naar vrienden, gaan een hap eten, film kijken… Voor die collega’s in Leiden, Bejing of Sao Paulo die het virtueel vanuit hun laboratoria wel met elkaar konden eens worden, gaat de situatie nu danig veranderen. Buiten hun labo’s worden ze geconfronteerd met vragen of problemen die te maken hebben met de manier waarop zij zichzelf, anderen en het onderlinge samenleven vormgeven. De omgang met ouders of kinderen loopt anders, de omgang tussen verschillende genders krijgt niet dezelfde invulling, ze bekijken de natuur om zich heen anders, hun omgang met de technologische wereld krijgt wellicht een andere invulling. Wat zich binnen een labo afspeelt kan op een methodische manier gevat worden en in termen van objectiviteit en universaliteit geformuleerd. Buiten dat labo, laten we zeggen in de ‘echte’ wereld – daar waar we thuis zijn, onze leefwereld -, geldt dat niet. We worden er geconfronteerd met andere manieren van verstaan. En dat verstaan hebben we nodig om tot zin en betekenis te kunnen komen. Verstaan zal eerder geformuleerd worden in termen van diversiteit en andersheid. Een op objectiviteit hopende methode zou er het particuliere van ons mens zijn, onze existentiële, culturele en religieuze eigenheid, mee in het gedrang brengen. En net daar hebben we filosofen nodig die geen exacte, voor iedereen, altijd en overal geldige antwoorden kunnen of willen bedenken op vragen die onze diepste existentiële bekommernissen betreffen. Zij zullen ook weten dat teksten lezen, of die nu van religieuze of filosofische aard zijn, altijd dat andere verstaan nodig hebben. Filosofen en theologen lezen religieuze teksten, humanistische manifesten of existentiële pamfletten telkens anders, afhankelijk van de tijd waarin ze leven en van de vragen waarvan ze uitgaan. Of zouden dat toch moeten doen. Studenten in de filosofie, de moraalwetenschappen of de theologie – en eigenlijk studenten in de humane wetenschappen tout court – zouden daarvoor moeten opgeleid worden: telkens anders kunnen lezen en beseffen dat ze nooit het definitieve antwoord zullen vinden. Definitieve antwoorden stoppen de conversatie. Ze dienen enkel voor confrontatie en het grote gelijk. Daarmee overtuig je niemand. Met dialoog wel. Als ik als astrofysicus iets over de sterrenhemel wil zeggen, dan doe ik dat op een manier die mijn collega’s moeten kunnen beamen. Van mijn huisarts verwacht ik dat zij een diagnose kan stellen en gepaste medicatie voorschrijven waarover zij een grote mate van zekerheid heeft. Als Vincent Van Gogh de sterrennacht in Saint-Rémy-de-Provence schildert, heeft hij ook iets te zeggen over de sterren. Zijn verhaal gaat echter over iets anders dan de waarheid van de sterrenkundige. Of over een ander soort waarheid.

Waarheid is relatief in die zin dat ze altijd gebonden blijft aan een context en aan wat ik wil bereiken. Met de sterren van Van Gogh kan ik wel iets aanvangen als ik Don McLean heet en een songtekst wil schrijven over het getormenteerde leven van de kunstenaar en misschien kan ik er mijn geliefde wel iets bijzonder romantisch mee duidelijk maken. Ik ben er echter niks mee als ik iets kwijt wil over de wetten van de natuur.

Het grote probleem lijkt me dat we geneigd zijn dat beeld van de exacte wetenschappen en de methodische herhaalbaarheid ervan te willen laten gelden als het enig plausibele als we het over waarheid hebben. Een exact wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid is maar één constructie naast andere. Je kan niet zeggen dat ze dé werkelijkheid blootlegt, de werkelijkheid zoals ze op zich zou zijn los van de constructie waarmee we ze benaderen. Het enige wat je kan zeggen is dat de exact wetenschappelijke methode beter werkt voor een groot aantal problemen. Als die problemen van bijvoorbeeld ethische of politieke aard zijn, is een objectiverende, methodische manier van denken echter niet wenselijk. Over euthanasie – om maar één voorbeeld te nemen – vind je niet dé waarheid. Het debat erover is gebonden aan een context die veranderlijk is en die te maken heeft met steeds veranderende inzichten over de waardigheid van een humaan leven. Dé waarheid menen te vinden over ethische, religieuze of politieke vragen stopt het debat en sluit ons af voor nieuwe gevoeligheden.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *