Wat zou u gaan studeren? Filosofie uiteraard.

Wat is filosofie en waarom zou u de komende weken beslissen dit ‘vak’ zelf te gaan studeren of om uw kinderen de uitstekende raad geven dit onverwijld te gaan doen?

In enkele puntjes geef ik eerst aan wat filosofie is of zou moeten zijn volgens mij. Dat vul ik aan met enkele beschouwingen over de aloude filosofische vraag naar de zin van het leven. Waarmee ik uiteraard bedoel: dat van u of van uw kinderen.

I.

1. De filosoof is geen specialist. Filosofie is geen afgegrensd gebied zoals de economie, de wiskunde of de geschiedenis. De filosofische reflectie zal zich eerder bezighouden met een ‘dwarsdoorsnede’ van een cultuur of samenleving. De filosoof vraagt naar de samenhang van deelgebieden. Dit valt ondermeer af te lezen aan voorbeelden uit media, reclame en (populaire) cultuur. Welk beeld van de mens krijgen wij hier voorgeschoteld?

In een dure filosofische terminologie wordt dit het zijnsverstaan genoemd. Concreet gaat dit over het onderliggende verhaal waardoor een cultuur gedragen wordt. Vergelijk dat met gekleurde brilglazen. Hoe komt het dat de Taos-indianen in New Mexico vinden dat zij in de lente hun akkers niet mogen bewerken met een ploeg? Wel: omdat moeder aarde dan zwanger is in hun wereldbeeld. Wij daarentegen beschouwen de natuur vooral als een voorraadschuur die naar hartelust geplunderd mag worden. Onze manier van kijken, de kleur van onze brilglazen, laat dit (spijtig genoeg) toe. Zoals we het ook evident vinden dat voor problemen altijd technische oplossingen moeten gevonden worden. Dit alles heeft uiteindelijk te maken met de vraag naar zin, in de betekenis van richtings-zin: waar willen we naartoe met onze cultuur? De filosofie stelt hier vragen waar de wetenschap áls wetenschap geen antwoord kan op bieden. De wetenschap kan ons tonen dat de mens een eindig wezen is, maar hoe we zin geven aan die eindigheid blijft buiten beschouwing.

2. De filosoof is een achterdochtig wezen. Bij uitspraken of handelingen kan gepeild worden naar onderliggende motieven, naar een vraagstelling die voorafgaat aan beweringen allerhande. Voorbeeld: vaak worden ggo’s bekritiseerd omdat ze niet natuurlijk zouden zijn. Maar wat betekent dat, ‘natuurlijk zijn’? En is iets wat natuurlijk is, dan ook noodzakelijkerwijze beter?

3. De filosoof is een dwarsligger. Filosofie is een denken ‘op het tweede gezicht’. Veel te vaak blijven wij klakkeloos werken met gegevens die als vanzelfsprekend worden beschouwd. Kunnen wij dergelijke evidenties niet in vraag stellen? Indien niet stonden vrouwen nog altijd aan de haard en hulden homo’s en lesbiennes zich blijvend in angstig stilzwijgen.

4. De filosoof is een levenskunstenaar. De oude Grieken lieten zich bij het filosoferen leiden door de vraag naar het goede leven. Dat had uiteraard alle uitstaans met reflectie, maar evenzeer met lichaamszorg. Een filosofisch leven werd er letterlijk belichaamd. Theoretisch is dit te duiden als de onhoudbaarheid van de scheiding van lichaam en geest. Praktisch vallen tal van voorbeelden te bedenken over de invloed van lijfelijke bezigheden op het geestelijke functioneren.

5. De filosofie is een babbelkraam en gaat uit van de feitelijk aanwezige pluraliteit van wereldbeelden. Leerlingen met verschillende religieuze of humanistische achtergronden zitten hier samen. Filosofie biedt in die zin een forum dat een afspiegeling kan zijn van wat idealiter in een interculturele samenleving zou moeten gebeuren: praten vanuit de eigen context en zoeken naar waar onze horizonten zouden kunnen samenvallen. Die horizon zegt dan iets over een goed samen-leven. Filosofie kan daar opmerkzaam maken voor het verschil en voor het belang van verschil, zonder te willen reduceren tot één beeld. De filosofie kan alleen maar even complex zijn als het leven zelf. Audi et alteram partem, luister ook eens naar de andere kant van het verhaal. Dat beschouw ik als een democratische invulling van dat denken op het tweede gezicht van hierboven. Eén van mijn lievelingsfilosofen, de Duitser Hans-Georg Gadamer zei ooit dat het belangrijkste instrument voor de filosoof het oor is. De bereidheid tot luisteren naar het verhaal van de ander. En door wat dat verhaal gedragen wordt. Toen een journalist hem vroeg hoe hij zijn hele oeuvre in één zin zou samenvatten, antwoordde Gadamer: ‘Dat de ander misschien gelijk had’. Ik combineer dat graag met een uitspraak van een van mijn andere lievelingsauteurs, de Amerikaanse pragmatist Richard Rorty. Hij beschrijft het pragmatisme als het idee dat er morgen altijd iemand kan komen met een beter idee. Die betere ideeën moeten dan leiden naar voortdurende constructie en reconstructie van onze samenleving, afgaande op steeds veranderende omstandigheden en contexten. Waar anders dan in de filosofie kunnen leerlingen dit verhaal te horen krijgen?

6. U kent die uitsmijter van Descartes wel: ‘Ik denk, dus ik ben’. De man kwam daartoe na eerst een proces van grondige twijfel te hebben doorgevoerd. Wat ons, eindige en onvolmaakte wezens, nog restte was tenminste dat: als je twijfelt dan denk je. Vanuit die zekerheid konden we dan al de rest gaan opbouwen. Zo dacht Descartes. Maar is dat zo? Zou het niet veel plausibeler kunnen zijn om die befaamde uitspraak op z’n kop te zetten? Dan krijg je: ik besta, dus ik denk.

II.

Dat denken betreft dan bijvoorbeeld de zin van ons bestaan. Wat doen wij hier? Waarom en voor wie zijn we er? Wat valt hier uit te richten? Nog maar heel zelden doen hedendaagse filosofen een poging om op deze vragen antwoorden te formuleren. Of ze gaan er schichtig aan voorbij. Valse bescheidenheid? Onkunde? Vergeten filosofen naar de wereld te kijken? Neusophalende filosofieprofessionals zien misschien niet meer dat dit vragen zijn die iedereen bezighouden. Of die velen onder ons zelfs verscheuren.

Verluchtend en verlichtend nemen filosofen hun luister- of leespubliek mee in een onbevangen queeste. Ze vragen vaak haast kinderlijk naïef. Filosofen wandelen. En fluisteren. Fluisterend laten ze horen dat we enkel kunnen hopen dat er zin is. Bewijzen kunnen ze dat niet. Maar wil u dan echt uitgaan van het tegendeel? We delen met z’n allen een ervaring van eindigheid. De zin van het leven, de richting die we onvermijdelijk uitgaan, is uiteindelijk de dood. Net omdat dit zo is moéten we wel de vraag stellen naar zin en betekenis van wat we op hier op deze eindige aardkluit uitrichten.

Filosofen horen daarbij bescheiden gidsen te zijn. (Al lijken opiniepagina’s van kranten dezer dagen andere dingen te laten uitschijnen.) We kunnen allen zelf wel antwoorden bedenken, vanuit onszelf, vanuit het eigen ik. Maar ook al gaat het om een denken van het ik, dit ik streeft er bij voorkeur naar ook een wij te zijn. Descartes trok alles in twijfel en meende ons als een onbeschreven blad te kunnen zien. Dan krijgen we echter een quasi maagdelijk individu, niet beroerd door de wereld en door anderen. Maar: wij – als ik – zijn altijd al ‘beschreven’. Bij onze geboorte worden we meteen geworpen in een cultuur en een traditie die ons denken een bepaalde kleur geven. Wij zijn in die zin dus niet autonoom. Onze spreekwoordelijke maagdelijkheid zijn we verloren omdat we – u vergeve mij de terminologie – gepakt, genomen zijn door iets anders en door de ander. Van daaruit kan u aan een rijpingsproces beginnen. Dat mag dan levenskunst heten. Voor Nietzsche al had het leven slechts zin voor een wezen dat het leven in eigen handen neemt. Als dat leven een palet is en je krijgt al bepaalde kleurtjes verf mee, dan kan je die nog gaan mengen. We zijn geworpen, maar ook ontwerpend. Kunstenaars laten de dingen in zich tot spreken komen. En creëren vervolgens nieuwe betekenishorizonten.

Idealiter heeft filosofie iets van fijnproeverij: ze zou er moeten toe leiden dat we een smaak voor het leven ontwikkelen. We kunnen vatbaar zijn voor indrukken allerhande. Denk aan iets heel gewoons als de reukzin. Zo kunnen we ook een gezindheid cultiveren om van het leven te genieten. Filosofie houdt zich dan bezig met wat het leven waard maakt om doorvoeld te worden. We leren er dingen naar waarde schatten.

Maar wat is dan die zin? Zin is datgene waarin we ons staande houden. Zin is wat ons gestalte geeft en oriëntatie. Dat betekent ook dat je geen zin gaat zoeken buiten het leven. Zin is expressie vàn en drukt zich uit in wàt je doet. De zin van ons handelen steunt op een gewaarwording van een zin die ons meevoert. Tegelijkertijd ontglipt die ons steeds. Die zin heeft met de vraag naar geluk te maken. Denk dan over geluk op z’n Frans: bonheur, het goede uur. Dat wil zeggen: het is niet blijvend. Maar kan altijd terugkomen. Die hoop geeft ons voedsel. Waarom zou u dat weigeren?

 

Voetnoot: op 2 september zit ik op een infodag van de Vrije Universiteit Brussel. Kom gerust langs.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *