Morele onverschilligheid

De scène speelt zich af ergens in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vader en zoon, protestants van geloof, keren terug van een bezoek aan een tante. De vader heeft van zijn zus een half brood meegekregen. Ze meende dat het eigen, nochtans ook al karige rantsoen gerust kon gedeeld worden met een gezin met opgroeiende kinderen, voor wie het opgelegde oorlogsrantsoen nauwelijks voldoende was. Zoonlief verheugt zich op het vooruitzicht op een extra homp brood straks.

In de overvolle trein is het donker. Mensen zitten en staan er op elkaar gepakt en geplakt en kunnen nauwelijks het gelaat van anderen onderscheiden. Door angst beklemde schimmen. Dan merkt de zoon dat z’n papa in een nogal geheimzinnig overkomend gesprek is verwikkeld met twee schichtige jongemannen. Ze zien er uitgemergeld, vuil en angstig uit. De zoon zal nooit het daaropvolgende gebaar van zijn vader vergeten: die haalt het halve brood uit zijn tas en geeft het aan de twee mannen.

De Nederlandse ethicus Gerrit Manenschijn vertelt dit verhaal op het einde van zijn boek Riskante humaniteit. Het verhaal gaat over hemzelf en zijn vader. Later op weg naar huis vertelde vader Manenschijn aan zijn zoon, de latere ethicus, dat de twee mannen Joodse vluchtelingen waren die al dagen niet hadden gegeten. Zij hadden dus nog meer nood aan die homp brood dan z’n eigen gezinsleden. En hij gaf dat brood bovendien op gevaar van eigen leven.

Enkele jaren later kreeg diezelfde ethicus-in-spe nog een staaltje sterke moraliteit te zien van zijn moeder. Ze gaf werklieden van het stadje waar ze leefden graag een tas koffie tijdens hun werken aan de straat. Ze deed dat op een dag ook voor een iets oudere man. Een buur liep op haar af en vroeg of ze wel wist wie die man was. Ja, dat wist ze. Hij had gecollaboreerd tijdens de oorlog, maar had nadien z’n fouten ingezien en zijn straf ondergaan. Ook die man had recht op koffie tijdens de gure weersomstandigheden op dat moment.

Het boek van Manenschijn las ik al enkele jaren geleden. Manenschijn is een protestants ethicus, maar toen ik Riskante humaniteit voor het eerst las, kon ik eigenlijk nauwelijks een passage vinden waarmee ik het als niet-gelovig, humanistisch geïnspireerd filosoof oneens was. Uit Manenschijns boek spreekt een diepe menselijkheid en zin voor moraliteit die boven alle ethische of filosofische geschilpunten uitstijgt. Bijvoorbeeld ook daar waar Manenschijn expliciet pleit voor wat meer bescheidenheid over de vaak veronderstelde Westerse superioriteit wat ethische en morele normen en waarden betreft.

Ik haalde het boek nog eens uit mijn boekenkast deze week omdat teksten die ik de voorbije tijd las van de Brits-Poolse socioloog Zygmunt Bauman mij aan dat oorlogsverhaal van Manenschijn deden denken. In zijn boeken over eerst postmoderne ethiek en later ethiek in wat hij noemt de ‘vloeibare’ moderniteit (Liquid Modernity, Liquid Times…), heeft Bauman het meerdere keren over moraliteit. Dat gaat over hoe wij moreel geraakt worden door de ander, nog voor we een oordeel kunnen vormen vanuit het in onze cultuur gangbare normenstelsel of vanuit overwegingen die niet moreel van aard zijn (‘Wat heb ik er zelf aan?’). Helemaal in de lijn van de Franse filosoof Emmanuel Levinas, maar zonder de theologische dimensie van diens ethiek, heeft Bauman het over het aangesproken worden door het gelaat van de ander. Die ander vraagt iets van mij, doet een appel op mijn moraliteit. Dat appel raakt mij op onmiddellijke wijze. Ik ga niet denken aan allerlei overwegingen van nuttigheid, efficiëntie of gevaar, neen, ik antwoord onmiddellijk vanuit mijn zin voor moraliteit en menselijkheid. Die ander raakt mij, ik beantwoord haar of zijn morele vraag op onvoorwaardelijke wijze. Dat betekent: ik verwacht niets terug.

Bauman schetst in verschillende van zijn boeken hoe dit gevoel voor onmiddellijke moraliteit vaak wordt onmogelijk gemaakt door onze manier van samenleven en ons denken daarover. Hij gebruikt daar een in onbruik geraakte term voor: adiaphorisatie. Adiaphora waren al bij de Stoïcijnen, maar later ook in het middeleeuwse christendom, handelingen die moreel onverschillig waren. Ze zijn goed noch kwaad en vallen niet onder een goddelijke wet. Een spelletje kaarten, zonder gokken, is er een (banaal) voorbeeld van. Bauman heeft het echter ook over moderne en actuele fenomenen die tot adiaphorisatie leiden, dwz iets voor ons moreel onverschillig maken. In een rigide georganiseerde bureaucratie, volgens Bauman typisch voor de ‘solide’ moderniteit, worden handelingen moreel onverschillig als ze op een louter rationeel-berekenende manier worden bekeken. Een ambtenaar doet dan z’n job volgens de regels en heeft geen oog voor de morele dimensie ervan. Het extreemste voorbeeld hiervan is Adolf Eichmann, de Nazi die zonder enig moreel bezwaar zo efficiënt mogelijk het systeem van de deportatie van Joden naar concentratiekampen uitbouwde. Het is Eichmann die Hannah Arendt inspireerde tot de vaak verkeerd begrepen omschrijving van ‘de banaliteit van het kwaad’. Banaliteit betekent hier morele onverschilligheid die volgt uit formele correctheid: ik doe mijn job. Die onverschilligheid slaat dus op het uitsluiten van morele overwegingen door het louter primair stellen van administratieve overwegingen. Koudweg: hoe krijgen we x aantal joden zo efficiënt mogelijk in een kamp? Adiaphorisatie dient ook om bevolkingsgroepen te ontmenselijken. De Nazis noemden Joden onkruid. Onkruid mag vernietigd worden. Een Franse minister, later president, wou de Parijse banlieues wel eens schoonspuiten met een hogedrukreiniger.

In de ‘vloeibare’ moderniteit ziet Bauman de adiaphorisatie op een andere manier de kop opsteken. Het is nu de consumptiemaatschappij en de vaststelling dat mensen nog enkel als consumenten worden aangesproken die zorgen voor een nieuw soort morele onverschilligheid. Economische overwegingen overrulen de ethische. Wie niet aan het consumptiespel kan deelnemen komt er niet in.

Het punt dat ik met deze blog wil maken gaat over de manieren waarop wij er momenteel in slagen dit soort morele onverschilligheid te organiseren. Vluchtelingen ondergaan een actuele vorm van adiaphorisatie. Ik nodig u uit kranten en weekbladen van de voorbije maanden te gaan uitpluizen. Vluchtelingen zijn een gevaar voor de veiligheid, voor de economie, voor onze manier van consumeren. Hoe krijgen we ze zo snel mogelijk buiten? Want – let op – ze bedreigen ook onze nomen en waarden. Overdrijf ik? Of is deze manier van denken en spreken overheersend geworden dat we er zelfs geen vragen meer bij lijken te stellen, zeker niet in morele zin. Over vluchtelingen hebben we het enkel nog als een economisch probleem of in termen van dreiging. Zelden – nooit – lees ik iets over ethische overwegingen. Over dat vragende gelaat van de ander. Wat zijn dat dan, onze normen en waarden? Welke normen en waarden laten ons toe ‘vluchtelingenbeleid’ zelfs te outsourcen, zoals Italië aan de Libische maffia?

Herlees misschien nog eens het verhaaltje hierboven over de ouders van Gerrit Manenschijn. Wij zitten niet in een duistere treinwagon. Waarom zien we dat gelaat van de ander dan niet?

Ik zou graag een oproep doen aan journalisten. Onlangs is een stadsgenoot (ik woon in Brugge) doodgeschoten door militairen in Brussel. De man, een Somaliër, had lange tijd zonder enig probleem een job gehad, hij bleek vriendelijk, er was geen enkele reden om hem van terreurneigingen te verdenken. Op een dag is hij echter doorgeslagen op het werk. Sommige bronnen hebben het over pestgedrag omwille van zijn huidskleur, andere spreken dat tegen. Na zijn ontslag werd de man kortstondig in een psychiatrische instelling opgenomen, maar verdween dan enkele maanden van de radar. Tot die dag waarop hij helemaal flipte en militairen bedreigde met een mes, ondertussen Allah aanroepend. Wat is met die man gebeurd in die korte tijd? Ik vind niets daarover terug in kranten of tijdschriften. Wil dan niemand dat verhaal vertellen? Haashi Ayaanle, 30 jaar oud, werd doodgeschoten omwille van als terroristisch beschouwd gedrag. We nemen nota van die schietpartij die best wel te verklaren valt in de actuele context. En dus klasseren we het verhaal. Enkel in een artikel van Ludo De Brabander in De Wereldmorgen zie ik de vraag gesteld naar wat Ayaanle dan zou hebben doen ontsporen. Het zou toch een mooi staaltje onderzoeksjournalistiek zijn om het verhaal van de laatste maanden van die man te kunnen reconstrueren? Misschien zien we dan niet het gelaat van een terrorist. Misschien zal het gelaat dat dan verschijnt ons onbehaaglijk stemmen. Ik weet het niet. Maar waarom stelt niet eens iemand die vraag?

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *