Hotel Diversiteit

Mag ik beginnen met een bijna onwezenlijk on-actueel citaat? ‘Met de moed tot vergissing en met een veelheid aan waarheden te leven, is een typisch Amerikaanse deugd’. De uitspraak komt van de Duitse filosoof Detlev Horster in een boek over Richard Rorty en hij gebruikt deze woorden om de Amerikaanse pragmatistische filosofie te omschrijven. De grote namen van het Amerikaanse pragmatisme droegen dit soort terminologie dan ook hoog in het vaandel: tolerantie, pluralisme, het einde van het Grote Gelijk of van de Ene Waarheid.

Toen hij het manuscript van zijn lezingenbundel over het pragmatisme bij de uitgever had ingeleverd, blaakte William James (1842-1910), één van de grondleggers van het Amerikaanse pragmatisme, van vertrouwen. Het pragmatisme zou zonder twijfel een weergaloos succes gaan kennen, meende hij. Het boek in kwestie, Pragmatism, verscheen in 1907. Anders dan James veronderstelde heeft het pragmatisme slechts een lokaal succes gekend. En dan nog tijdelijk. Lange tijd gold die andere pragmatist, John Dewey (1859-1952), in de Verenigde Staten wel als de publieke filosoof bij uitstek. De man had een immense invloed op het denken over democratie en inspireerde hervormingen van het onderwijssysteem. Na de tweede wereldoorlog begon zijn ster te tanen. Of eigenlijk doofde ze helemaal. De mentaliteit van de koude oorlog verdroeg met name geen denken dat uitging van het mogelijke gelijk van de ander, of van tolerantie en pluraliteit. Dat is ook wat hoger citaat van Detlev Horster dezer dagen zo oneigentijds maakt. Dingen zwart of wit zien, zonder verdere schakeringen: dat is de aanblik van actuele debatten, zowel lokaal als mondiaal. Pragmatisten daarentegen houden van alle kleuren en proberen ze telkens opnieuw te combineren.

Hoe ziet een pragmatistisch gekleurd filosofisch landschap er dan wel uit? Om te beginnen is filosofie voor de meeste pragmatisten veel meer dan louter een academische bezigheid van daartoe opgeleide professionals. Het belangrijkste aan mensen is hun filosofie, zegt James, en hoe die filosofie hun perspectief op de wereld bepaalt. Hedendaags Amerika zal het graag lezen: James noemt iemands filosofie van groter belang dan zijn of haar inkomsten. Filosofie is daarbij niet zomaar een zaak van techniek, van gegoochel met een hermetisch jargon. Voor James gaat het om een soort van zintuig waarmee we ontwaren wat het leven echt te betekenen kan hebben. Deels leren we dat uit boeken, maar evengoed betreft het onze individuele kijk op wat de werkelijkheid doet met ons. Vandaar: filosofie is tegelijkertijd het meest sublieme en het meest triviale binnen het menselijke reilen en zeilen. Met filosofie kan je geen brood bakken, zegt James, maar ze kan wel onze ziel met moed vervullen.

Voor James gaat met de filosofie een empiristische attitude gepaard. Dat betekent dat je als filosoof niet naar louter verbale oplossingen zoekt of a priori redenen hanteert. Gefixeerde principes zijn er uit den boze, net als elke pretentie op absoluutheid. Een pragmatist à la James wil blijven knutselen en de vrees voor een onmogelijke dialoog vervangen door een koppig geloof in het vinden van werkzame oplossingen. De waarheid van ideeën, zegt James, is wat maakt dat ze werken. Die ideeën kunnen altijd opnieuw weerlegd worden door nieuwe feiten of door andere gedachten. Het pragmatisme is in die zin een methode van trial and error. Morgen kan er altijd iemand komen met een beter idee, schrijft ook Rorty ergens. De waarheid van een idee wordt door de pragmatist afgemeten aan de consequenties ervan: stel dat ik dit idee hanteer, wat levert dat dan op in de praktijk? Verbetert het ons leven en samenleven?

Zelf zie ik het pragmatisme als een denkhouding, een basisattitude waarmee je naar de dingen toe stapt. Mooi is het beeld dat William James zelf overneemt van de Italiaan Papini: pragmatisme is als de gang in een hotel. ‘Diverse kamerdeuren geven toegang tot die gang. In de eerste kamer treft u iemand aan die druk bezig is een atheïstisch traktaat te schrijven; in de tweede ziet u iemand op zijn knieën bidden om kracht; in een derde kamer is een chemicus bezig de eigenschappen van een element te onderzoeken. In een vierde kamer denkt iemand een idealistische metafysica uit; in de vijfde kamer wordt de onmogelijkheid van de metafysica aangetoond. Echter, de corridor hebben zij allen gemeenschappelijk, en iedereen zal door die gang heen moeten wanneer ze hun kamers in of uit willen gaan’. Anything goes?, vraagt u zich nu af. Neen: het hotel kan wel een religieus geïnspireerd individu een plek geven naast een atheïst, of een liberaal naast een sociaal-democraat, maar dictators of fundamentalisten horen er niet thuis. Zwart en wit zijn niet de kleuren die het beeld van de gang van het hotel kunnen bepalen.

Hoe actueel kan dit denken nu nog zijn? Ik verwijs naar een verzamelbundel van de hier ook weinig bekende Amerikaanse filosoof Richard Shusterman, The Range of Pragmatism. Dat boek toont een brede waaier aan mogelijkheden voor een actualiseren van het pragmatisme. Het laat zien hoe het pragmatisme in de eerste plaats een manier van denken is die zich richt op verandering en die wil beantwoorden aan telkens andere situaties. In die zin is het pragmatisme bescheidener dan andere takken van de filosofie, maar misschien net daarom ook in toenemende mate vruchtbaarder voor het omgaan met actuele thema’s binnen een geglobaliseerde en interculturele samenleving. Maar ook: selfempowerment is een term waar Amerikaanse pragmatisten de neus niet voor ophalen. Op dat vlak zijn ze dan weer iets minder bescheiden dan transatlantische collega’s: het pragmatisme stelt zich zondermeer het nastreven van een beter leven tot doel. John Dewey noemt dat meliorism, een moeilijk te vertalen begrip dat een middenweg wil aanduiden tussen naïef optimisme en een handelingsremmend pessimisme.

De opstellen in het door Shusterman geredigeerde boek hebben mij volgende definitie laten bedenken: pragmatisme is een belichaamde, kritisch melioristische en sociaal geëngageerde manier van leven. Die manier van leven is pluralistisch, humanistisch, flexibel en bescheiden. John Stuhr noemt het pragmatisme ook nog expliciet zelfkritisch.

Binnen het hedendaagse interculturele en interreligieuze debat zou een pragmatistische denkhouding alvast andere perspectieven bieden dan de vigerende. Larry Hickman – grote jongen in de States, hier nagenoeg onbekend – pleit voor een zachte vorm van cultuurrelativisme. Pragmatisme huldigt voor hem het idee dat wat verschillende culturen als een goed leven zien, te rijk en te gevarieerd is om verstaan en beoordeeld te worden vanuit één principe of één set van principes. Dat van de Westerse Verlichting bijvoorbeeld. Vanuit pragmatistisch perspectief kan dit echter niet als een tekortkoming worden gezien van het Westerse denken, maar wel als een gevolg van de rijkdom aan menselijke ervaringen. De pragmatist hoopt die uiteenlopende ervaringen elkaar te kunnen laten versterken. Hoop en bereidheid tot verandering zijn dan ook sleutelbegrippen binnen het pragmatisme. De kamers van het hotel zijn wellicht nooit op slot. Nu nog de inkomhal terugvinden.

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *