Natuur die we zelf zijn

Aan de achterkant van het station van Brugge zag ik gisteren een bord staan met de melding dat gratis fietstaxi’s beschikbaar waren voor wie richting centrum wou tijdens een of ander eetevenement dit weekend. Goed initiatief dacht ik, gratis fietstaxi’s. Op de trein richting Brussel, het landschap ’s morgens nog in dichte nevelen gehuld, vroeg ik mij vervolgens af hoe het dezer dagen eigenlijk staat met ons denken over ’s mensen omgang met de natuur. Bestaat er nog iets als milieufilosofie? De vraag naar duurzaamheid en naar de verhouding tussen cultuur en natuur lijkt nog maar weinig filosofen en ethici te boeien de laatste tijd. Als het over het urgente thema van de klimaatopwarming gaat, hoor ik vooral wetenschappers aan het woord die met cijfers goochelen en met prognoses over wat ons vanuit die cijfers gezien te wachten staat. Meestal gaat het ook om niet meer dan een louter cijfermatige benadering. Uiteraard is die nodig. Maar ik zie nog maar zelden fundamentele vragen gesteld over hoe wij als mens in onze natuurlijke omgeving staan en hoe we daar mee omgaan. Staan we nog stil bij vragen over duurzaamheid en wat dit met onze eigen omgang met de natuur te maken heeft?

 

Misschien heeft u altijd al gedacht dat filosofen zich vooral bezighouden met denken. Dat klopt, zij het niet helemaal. Liever zou ik filosofie ook als een manier van kijken willen omschrijven. Filosofie gaat dan over mogelijke perspectieven op de wereld. En perspectieven zijn veranderbaar: we kunnen ook anders gaan kijken dan we al dan niet van oudsher plegen te doen.

Ik denk dat duurzaamheid zo’n andere manier van kijken nodig heeft. Kijken wil ik hier omschrijven als iets wat we doen met het hele lichaam. We kijken niet afstandelijk, met een soortement theoretische blik, neen, we kijken met ons hele lijf. We voelen wat een manier van kijken betekent. We worden erdoor geaffecteerd.

Dat wij in eerste instantie lichamelijk met onze wereld verbonden zijn, is heel lang – en nog altijd veel te veel – vergeten geworden. Nochtans is het net aan ons eigen lijf dat we kunnen voelen hoe we verbonden zijn met de natuur. Ons lijf is de natuur die we zelf zijn. Denken vanuit onze lichamelijkheid levert een heel ander beeld op dan de afstandelijkheid die met een puur rationeel perspectief gepaard gaat. Vanuit ons lijf voelen we wat we met ons milieu aanvangen. Wat we ons milieu aandoen, doen we ons eigen lijf aan. Dat gaat over luchtverontreiniging, maar evengoed over de stress die pakweg het aanschuiven in een kilometerslange file veroorzaakt. Toen ik gisterenmorgen een aantal nieuwe werkstudenten onthaalde, voelde ik me goed op dreef. Dat was zoals zo vaak mede het effect van de kleine vijf kilometer wandelen van Brussel Centraal naar de VUB. Het effect van een overdosis file-ergernis zou ongetwijfeld anders zijn geweest. We stemmen er ons lijf anders mee. Het doet ons anders naar de wereld kijken.

 

Ik ben ervan overtuigd dat iets als duurzaamheid van hieruit moet benaderd worden. Het gaat niet enkel om hoe wij de wereld technisch benaderen, sturen en bijstellen. Dit gaat evenzeer of misschien nog veel meer om hoe wij de wereld leven, ervaren, ondergaan, erdoor geaffecteerd worden. Duurzaamheid zou ik dan omschrijven als ‘een gevoel van leefbaarheid’. Die andere blik, het opgeven van een afstandelijk denken over de natuur, heeft dan verregaande gevolgen voor ons denken over de verhouding tussen natuur en cultuur: er bestaat geen kloof tussen beide. We hebben het niet langer over de stad waarin we leven enerzijds en de natuur ginder buiten waar we ‘s zondags een fietstochtje gaan maken. De stad, of cultuur in het algemeen, is veeleer een wijze waarop we met de natuur leven.

Uiteraard zijn er technische oplossingen nodig voor door andere technieken in het leven geroepen problemen. Maar roetfilters, asbestvrije gebouwen of hybride auto’s zullen het probleem niet ten gronde aanpakken. Daartoe hebben we een andere manier van kijken nodig en van voelen hoe we ons in de wereld willen bevinden. Ik wil mij als fietser of als wandelaar welkom voelen in een stad. Mijn werkdag begint anders als ik des ochtends mijn lijf heb laten spreken, al tweewielend, of al wandelend. Zouden we hier rekening kunnen mee houden bij stadsplanning en –vernieuwing en bij het inrichten van ruimte?

Hoe wij in de wereld staan, hoe we de wereld en onszelf ervaren als lijfelijke wezens, wordt in eerste instantie bepaald door de sfeer waarin wij vertoeven. Een sfeer ‘stemt’ ons.  Ze bepaalt hoe we kijken. Het gaat mij hier om een esthetische manier van in de wereld zijn die uitmaakt of wij een omgeving op duurzame wijze als leefbaar beschouwen.

Het begrip ‘esthetica’ komt van het Griekse aisthèsis. Dat verwijst naar onze waarneming en ervaring in het algemeen, dus naar de complexiteit van hoe we de wereld tegemoet treden. Als we het milieu enkel rationeel, op efficiëntie en beheersbaarheid gericht benaderen, doen we onrecht aan onze eigen complexiteit. We verarmen onszelf.

De verhouding van cultuur tot natuur kunnen we daarom maar beter niet alleen maar denken vanuit (uiteraard noodzakelijk) technisch beheersbare fenomenen als de kwaliteit van lucht, water en bodem. Een natuuresthetica zou ook oog moeten hebben voor de manier waarop een omgeving ons stemt.

De omgang met ons milieu is er een van intieme en diepe verstrengeling. Er bestaat geen scheiding van onszelf en de wereld. De wereld denkt zich altijd in ons. Onze band met de wereld speelt zich van bij onze allereerste stappen af als een lijfelijke verbinding met die wereld. Er bestaat geen beweging zonder de ruimte waarin we bewegen. De kwaliteit van onze beweging is altijd onmiddellijk ook de kwaliteit van hoe we de wereld ervaren.

Het is best mogelijk dat ik hier nu eerder schrijf vanuit mijn ervaring als fervent fietser en wandelaar, dan als academisch werkzaam filosoof. Of laten we zeggen dat die twee deelidentiteiten van ondergetekende hier een samenspraak hebben gevoerd. Vanuit mijn werk als filosoof wil ik er blijven een punt van maken dat wij er een verarmde manier van rationaliteit op nahouden. We denken enkel in termen van efficiëntie en berekenbaarheid. We denken kwantitatief en veel te weinig in termen van kwaliteiten, van hoe de wereld ons ‘pakt’.

Ik ben ervan overtuigd dat denken in termen van kwaliteit, van hoe wij een wereld ‘voelen’ van primordiaal belang is voor wat gewoonweg ‘een goed leven’ kan heten. Evenzeer ben ik ervan overtuigd dat voor dit goede leven mensen in de eerste plaats lijfelijk en emotioneel naar zin en betekenis zoeken.

Ziet u die karikatuur: een kilometerslange file van auto’s met bestuurders die zich nog gehaast scheren, boterhammen binnenproppen, met de gsm communiceren, soms de laptop al open hebben staan? En ze kijken nors. Velen onder hen althans. Vervolgens begint hun werkdag, die zal eindigen waar de file opnieuw begint. Of is dit toch geen karikatuur?

 

 

4 antwoorden op “Natuur die we zelf zijn”

  1. Mooi artikel. Doet mij ook denken aan het boek van Hans Achterhuis: “Natuur tussen mythe en techniek” uitgave Ambo 1995.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *