Hartstochtelijk denken

 

Wat is denken? Denken is een ervaring die bemiddelt tussen andere ervaringen. Denken ontstaat zelf door geprikkeld te worden door één van die ervaringen. Denken, wat ook de praktische consequenties ervan mogen wezen, verrijkt onmiddellijke ervaringen door er zin en betekenis aan te verlenen. Zo maakt het filosofische denken van het leven een spinsel, een weefsel. Al denkend spinnen we verder. Maar we kunnen ook draadjes weer lostrekken en opnieuw beginnen.

Een filosofisch leven begint vaak opnieuw. Filosofie is een cultuur van het tweede oog. Ze stelt ons in staat de dingen anders te zien. Of nog: dingen te zien die er voordien niet waren. Filosofie legt blinde vlekken bloot. Vlekken die iets tonen van wat ons leven rijker, voller (betekenisvoller, zinvoller) en nog vragender maakt dan het al was. Ontnuchterend: filosofie lost niets op, maakt van antwoorden nieuwe vragen, toont een heel boeket mogelijke antwoorden en vraagt zich af of er toch niet nog iets uit het oog werd verloren.

Die enkele duizenden boeken hier in mijn schrijfhonk doen mij meteen denken aan opmerkingen van Michel de Montaigne in zijn Essais. Ik denk mét hem dat het er in de filosofie niet zozeer op aankomt ons vol te proppen met wijsheden uit boeken van al die eminente geleerden. Herhalen wat de Ouden beweren, ligt binnen het bereik van elke papegaai, zo liet Montaigne horen. Mensen moeten voor hem zelfstandig leren oordelen en handelen. Liever een welgevormde geest dan een welgevulde. De kennis die we bij anderen – bij filosofen – vinden, hoeft geen doel op zich te zijn. Het doel van het leven is leven, zei Montaigne nog.

Pleit ik nu tegen mijn eigen winkel? Schrijf ik dan maar beter niet het zoveelste stukje filosofie neer? Dat denk ik niet, want misschien kunnen die teksten wat extra spintouw leveren voor het leven: boeken tonen vaak andere mogelijkheden, andere vragen, andere antwoorden. En, met excuses: laat dat woordje ‘misschien’ maar weg, boeken doén dat. Bovendien kan je creatief aan de slag met wat de ‘Ouden’ ons aanbrengen. Papegaaienwerk hoort daar niet noodzakelijkerwijs thuis. Ik sta met mijn boeken op, leef ermee, ga ermee slapen. Elke dag opnieuw leer ik bij, ontdek ik nieuwe werelden. Kent u die ervaring van gelukkig te worden bij het lezen van een boek? Ik wel.

En anderzijds: als ik met mijn race- of andere fiets langs de Vaart of door het Brugse Ommeland snel, zie ik – u zal me niet geloven – antwoorden op vragen die een uur eerder nog opdoken uit een boek. Mijn pleidooi in mijn filosofisch werk van pakweg de voorbije twintig jaar, voor een ‘denken met het lijf’ komt vanuit dat soort eigen ervaringen. Als het er in de filosofie op aan komt de aisthesis, ons vermogen om waar te nemen en te ervaren, aan te scherpen, dan kan de filosoof ook niet blind blijven voor wat lijfelijke ervaringen ons leren.

Filosofie stempelt je leven. Filosofie weeft. Het web dat eruit resulteert, zou – weliswaar broos – voor enig houvast kunnen zorgen in wat ik onze verbrokkelde wereld wil noemen. Die verbrokkeling heeft zowel iets negatiefs als iets positiefs. Negatief eraan is dat door het versplinteren van de gangbare denk- en zingevingskaders – zowel religieus als ideologisch – mensen dezer dagen enigszins boven bodemloze afgronden lijken te zweven. Wat is nog een grond, een fundament om ons leven te voeden? Individualisme? Scepticisme? Relativisme?

Ik denk dat we zouden moeten proberen om die drie vraagtekens recht te buigen. Dat we ons van uitroeptekens voorzien om die verbrokkeling tegemoet te gaan. Niet om stukjes te lijmen, zoals religieus weemoedige collega’s vaak het hedendaagse onbehagen te lijf willen gaan, maar wel om in het meervoud te leren leven, te leren balanceren boven het afgrondelijke, te leren hoe dat wegvallen van fundamenten heel nieuwe perspectieven kan bieden. Dat noem ik levenskunst. Een levenskunstenaar spint, weeft, trekt uit, begint opnieuw. Leven is niet, of hoeft niet te zijn: van A naar B gaan en alle zijwegen en vergezichten negeren. Levenskunst zegt ook niet wat A is, wat B, laat staan, wat de weg is. Levenskunst heeft geen bijsluiter. Bijsluiters zien A, B en één weg. Maar de filosofie kan die levenskunst in feite niet invullen, ze kan enkel een palet aanbieden, bij voorkeur rijkelijk – meerstemmig, meerkleurig – gevuld.

Met dat beeld van een palet kunnen we ook heel expliciet weerwerk bieden voor de traditie van het westerse denken die het subject steeds hoog op de troon heeft gezet. Het denkende ego als onbeschreven blad, vormde zowat het centrum van alles, van daaruit werden wereld, natuur, de ander, de eigen lijfelijkheid vormgegeven. Met het woordje pathos uit de titel van een eerder boek van mij wilde ik een ander beeld naar voren halen dan dat van het onbeschreven zijn. Wij zijn geen quasi maagdelijke wezens die ex nihilo het eigen leven gaan vormen. Dat pathos verwijst naar dingen die er al zijn, die we ondergaan, die ons denken en handelen al op voorhand kleur geven. Subjecten zijn niet eigenmachtig. Zij bevinden zich in een dialogische relatie met traditie, cultuur, natuur, andere subjecten. Dat is wat Heidegger het geworpen ontwerp noemt: we zitten al verwikkeld in wat ons gegeven is, maar van daaruit – en enkel van daaruit – kunnen we zelf ontwerpend worden en tot iets als authenticiteit komen. Dat woordje pathos mag daar voor mijn part ook een bijsmaak hebben van hartstocht.

Filosofie als de kunst van het hartstochtelijke denken. Ik wens u nog een fijne zondag.

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *