De esthetica van een record

Ik geef toe: naar het einde van dat fabelachtige wieleruur van Victor Campenaerts schoof ik ook – door lichte nervositeit bevangen – iets meer naar voren in de zetel, hopende dat niet enkel het record van Wiggins aan diggelen ging, maar ook de grens van de 55 kilometer. Dat klinkt anders en beter dan als de besnorde jongeman pakweg negentig meter minder onder de wielen had laten wegrollen. We zijn zo ontzettend veel en graag met cijfers bezig en sport is daarin niet veel anders dan ons maatschappelijke reilen en zeilen in het algemeen. Cijfers maken dingen uniform en vergelijkbaar. In de sport brengt dat een ontkenning van onze eindigheid met zich mee. Op records jagen heeft in die zin iets pervers. We ontkennen fysieke grenzen: waar houdt de recordjacht op? Als we die grenzen al niet op artificiële en zelfs ontoelaatbare wijze pogen te verleggen.
Een record drukt de kwantiteit van een sportieve prestatie uit. We moeten meten en berekenen om een atleet de beste te kunnen noemen. Prestaties worden op die wijze objectiveerbaar. Dat is best oké. Het zorgt er wel voor dat sport louter met interne maatstaven wordt beoordeeld. Maar misschien valt er wel wat meer over te zeggen, bijvoorbeeld over de existentiële en zelfs esthetische dimensie van sport in het algemeen en het neerzetten van records in het bijzonder?
Bekijk nog eens die beelden van Campenaerts, daar op Mexicaanse hoogten. In een sfeer van quasi gewijde stilte jaagt de man quasi metronomisch de pedalen rond in een zo consequent mogelijk volgehouden lijn. Een keer per ronde van 250 meter tilt hij licht het hoofd op om de aanwijzingen van de coach te monsteren. Hoe hij op de fiets zit klopt tot in de kleinste details, zoals in een schilderij elke penseelstreek die plek moet krijgen en geen andere. Ik stel me in zijn plaats en hoor het gezoem van het ritme dat hij aan de piste ontlokt. Dat moet een flow geven: iemand gaat op in een activiteit van opperste concentratie. En van versmelting met een omgeving. Wie intensief aan sport doet, en zeker bij het wielrennen is dat het geval, weet dat het individu niet te scheiden valt van het tuig dat hij bestuurt. Fiets en renner zijn één. Renner en omgeving zijn één. We bewegen ons in een wereld en antwoorden voortdurend op de vragen of eisen die van een omgeving uitgaan. Renners of andere sporters spitsen dat op bijwijlen extreme wijze toe. Sport is een beeld van onze dagdagelijkse manier van in de wereld zijn, maar dan aangescherpt en uitgepuurd. Sport is een existentie op de grens. Die grens kleurt de kwaliteiten waarmee we een leven vorm en betekenis geven.
Maandenlang heeft Campenaerts naar deze prestatie toegeleefd. Van een stage in Namibië tot drie weken acclimatiseren in Mexico, elk van zijn activiteiten werd gedragen door die hoop op het voltooien van dat kunstwerk dat hij zou neerzetten op 16 april. We kennen dat gevoel van voltooiing ook wel van minder spectaculaire handelingen. Een taak voltooien, iets af maken, geeft vaak een gevoel van esthetische voldoening. We hebben naar iets toegeleefd dat ons een tijdlang heeft gestuurd, dat betekenis gaf aan wat we ondernamen, alleen of met anderen. Dat toeleven naar het moment van esthetische voldoening geeft zin aan een leven. Sport toont dat ook weer op uitvergrote wijze, al zal het zelden zo beschreven worden. Het gaat er niet om cijfers, niet om kwantiteit, maar om kwaliteit, om de vorm die een leven krijgt, om de zin waardoor het gedragen wordt. Dat is wat mij als filosoof in het sportgebeuren aantrekt. Dat is wat Victor Campenaerts hier een uur lang meesterlijk in de verf heeft gezet. Dat uur vormde het moment van esthetische voldoening en voltooiing van een minutieus voorbereid werk.
We ervaren veel in ons leven, maar er zijn ervaringen die eruit springen, ervaringen die een leven tekenen en die de uitkomst zijn, de voltooiing, van een reeks opeenvolgende ‘gewone’ ervaringen. Die ene ervaring geeft betekenis aan al wat voorafging en kleurt wat daarop volgt. Een kunstwerk geeft betekenis aan alle losse elementen waarmee het is opgebouwd en die op zich niet noodzakelijk zin- of betekenisvol zijn. Als sport een beeld van het leven kan opleveren dan zou het voor mijn part dat mogen zijn: het geduldige knutselen aan een proces dat uitmondt in esthetische voldoening. Dat is wat Campenaerts hier zeer scherp heeft getoond. Dat is wat sport ook kan doen in ons leven. Als filosoof boeit mij dat meer dan die grens van de 55 kilometer. Al zou ik die momenten van vervoering en empatisch opgewekte extase natuurlijk niet willen missen. Zelfs al gaat het dan om een weg te vegen cijfer.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *