Back to basics

Van de vijftig jaar dat ik onze aardkluit versier met mijn aanwezigheid, hang ik zo ongeveer dertig jaar de intellectueel uit. Enkele momenten van grote luciditeit tijdens mijn puberjaren niet te na gesproken. Ik schat dat ik in die dertig jaar om en bij de drieduizend boeken moet hebben gelezen. In mijn job mag dat. De voorbije jaren heb ik me wel eens vaker oververzadigd gevoeld. Niet dat het lezen mij begon tegen te steken, wel dat die boeken het wat moeilijk kregen nog voor nieuwe intellectuele prikkels te zorgen. Teveel déjà lu

Mijn goede voornemen om het op deze bladzijden nooit over mijn leven als boekenmens te hebben, kreeg dan ook een tamelijk forse knauw toen ik enkele maanden geleden een boek las dat zondermeer mijn kijk op mens en wereld een verfrissende injectie gaf. Dat boek heeft het niet over een of andere nieuwe spiritualiteit of over utopie nr. zoveel. Neen, het boek gaat over hardlopen. En hoe dat hardlopen de fundamenten heeft gelegd voor de ontwikkeling van de wetenschap en voor onze hele evolutie als soort. Straf, niet?

De titel van het boek luidt in het Nederlands ‘De geboren renner’, al vind ik de Engelse titel in zekere zin krachtiger: ‘Born to Run’. De auteur, Christopher McDougall, een Amerikaans journalist en hardloper, vertelt er een spannend en meeslepend verhaal en doorspekt dit met bevindingen uit wetenschappelijk onderzoek allerhande, gaande van biologie over evolutietheorie tot culturele antropologie.

De ‘sterren’ van het boek zijn de Tarahumara indianen uit Mexico. Zij leven ergens in het Mexicaanse hooggebergte en ze doen dat zo onopvallend mogelijk. Moderne technologie kennen ze niet of nauwelijks. Ze leven verscholen tegen de rotsflanken en het blijkt best mogelijk te zijn hun ‘dorp’ te passeren zonder ook maar iemand bespeurd te hebben. Nu is het er mij hier zeker niet om te doen een pleidooi te houden voor een primitief leven of een bestaan zonder materiële luxe, laat staan comfort. Maar het verhaal van McDougall zorgt toch voor meer dan één kanttekening bij het hoogontwikkelde leven dat wij leiden in onze consumptie- en productiedriftige maatschappij. Ik citeer McDougall: ‘Met rust gelaten in hun geheimzinnige schuilplaats in de canyons had deze kleine geïsoleerde stam vrijwel elk probleem dat de mensheid kende opgelost. Noem een categorie – geest, lichaam, ziel – en de Tarahumara streefden naar perfectie. Het was alsof ze stiekem hun grotten hadden omgebouwd tot broedmachines voor Nobelprijswinnaars, die allemaal zwoegden om een eind te maken aan haat, hartziekten, scheenspalken en broeikasgassen’. Geen corruptie, zwaarlijvigheid, drugsverslaving, hebzucht, vrouwen- of kindermishandeling. Het percentage Tarahumara dat kanker krijgt, is minimaal. Depressiviteit is er een exotische ziekte. Hoe ze dat doen? Door te Lopen. Met hoofdletter. Vijftigjarigen kunnen er harder lopen dan tieners. Tachtigjarigen leggen marathonafstanden af over de berghellingen. Vriendelijk, gelukkig en quasi bovenmenselijk taai, zo zitten ze daar in elkaar. Hun sereniteit blijkt ongezien. Behalve als ze hun lechuguillagaan drinken, een zelfgemaakte tequila, gebrouwen van dode ratelslangen en cactussap. Volgens een buitenstaander die het eens had mogen meemaken werden die immer hardlopende indianen zo ladderzat dat echtgenotes elkaars bovenkleding afscheurden en met blote borsten worstelden, terwijl een krijsende oude man probeerde een maïskolf in hun achterste te steken. Op die manier werd een ganse nacht feest gevierd. Voor wie nu een kater krijgt bij de gedachte daaraan alleen al: ’s anderendaags kwamen de Tarahumara uit hun bed voor een hardloopwedstrijd. Die ging niet over een paar kilometer of over een paar uur, maar over twee volle dagen. Een Mexicaanse historicus wist te vertellen dat één van hen ooit 696 kilometer aan een stuk liep. Andere Tarahumara-lopers deden het iets bescheidener en hadden het over onafgebroken duurlopen van om en bij de 450 kilometer. Hun favoriete sportvoeding bestaat uit gemalen maïs, op smaak gebracht met wat hun favoriete lekkernij blijkt te zijn: muis van de barbecue.

Dat klinkt allemaal leuk en spannend en merkwaardig, maar aan ons is dat natuurlijk niet meer besteed. (Ik verontschuldig mij uiteraard bij wie zich nu miskend voelt.) De hardlopers onder ons kunnen hier echter wel een paar – voor mijn part niet te veronachtzamen – lessen uit trekken. Die lessen strijken tegen de haren in van al wie hier prestatiegericht sporten als streefdoel heeft. Bij de Tarahumara gaat het om lopen met een glimlach op het gelaat. Zie deze anekdote. Een Amerikaanse atletiekcoach wou het ‘geheim’ van de Tarahumara doorgronden. Hij volgde hen tijdens één van de weinige ‘echte’ wedstrijden waartoe men hen had kunnen overhalen, de beruchte Leadville trail, honderd mijl lang op grote hoogte in de Rocky Mountains. In 1992 won een 52-jarige Tarahumara de race, gevolgd door een 41-jarige dorpsgenoot. Tientallen kilometers lang hadden ze behoedzaam achter gevestigde waarden uit de ultramarathonwereld gelopen. De nieuwsgierige coach had zich aan een zware helling geïnstalleerd. De koplopers kreunden er zich naar boven. Het geheim van de Tarahumara bleek hierin te bestaan dat ze liepen te lachen tijdens die beklimming. En ze wonnen dus. Na een tweede deelname, in 1994, met opnieuw winst, weigerden ze echter later nog terug te keren. Sponsors hadden namelijk ruzie gemaakt over wie hen zou kunnen ‘inlijven’. Dat doe je dus niet met de Tarahumara. Zij lopen om te lachen en om samen te zijn, nooit om geld.

Een uitspraak van hen, die ik vanaf mijn lectuur van dit boek altijd meedraag: ‘Als je op de aarde hardloopt en metde aarde hardloopt, kun je altijd blijven hardlopen’. Of Caballo Blanco, een Noord-Amerikaan die de indiaanse leef- en loopstijl ging delen: Verzet je niet tegen het pad. Neem wat het je geeft. Zijn tweede les geef ik helemaal weer: ‘Makkelijk, Licht, Soepel en Snel. Je begint met “makkelijk”, want als dat alles is wat je bereikt is het zo gek nog niet. Dan werk je aan “licht”. Zorg dat het geen inspanning kost, alsof het je niets kan schelen hoe hoog de helling is of hoe ver je nog moet. Als je dat lang genoeg geoefend hebt om te vergeten dat je oefent, ga je eraan werken het “soepel” te maken. Over het laatste hoef je je geen zorgen te maken – als je de eerste drie onder de knie hebt, word je vanzelf snel’.    

Sedert ik deze loopfilosofie in de praktijk breng, kom ik van elke training ontspannen thuis. Wie het gevoel heeft te moeten werken tijdens de training, is op weg naar blessures, zo leer ik hier. En wie is dat het dure sportschoeisel dat wij dragen wellicht een van de belangrijkste oorzaken is van die blessures? We voelen de aarde niet meer. Het loopcomfort van ons schoeisel doet ons te snel gaan. Wat zich uiteindelijk wel eens wreekt. Een volgende stap zou nu moeten zijn een wedstrijd te lopen alsof het er geen is. Oké, competitielopers hebben hier wellicht geen boodschap aan. Ik wel. Waarom zou sport een bron van stress moeten zijn in onze zo al genoeg opgefokte samenleving? Mag ik er rust en ontspanning vinden? En de glimlach behouden? 

Mijn trainingsschema’s heb ik weggegooid. Ik loop volgens de goesting en de ingeving van de dag. Waar mij dat gaat brengen? ‘k Zou het niet weten.       

Morgen, 21 februari, vertrek ik naar het Mexicaanse Puebla. Ik ga er een lezing geven op een congres aan de plaatselijke universiteit. De titel van mijn lezing stelt de vraag naar het statuut van lichamelijkheid in de zogeheten virtuele realiteit. De lichamelijkheidsbeleving van de Taramahura vind ik alvast een stuk boeiender.   

Als u hier de komende maanden geen bevlekt ontvangen columns meer vindt, weet u waar ik zit. Of loop.