Gewoon gelukkig zijn

Een tijdje geleden werd ik in een ziekenhuis opgenomen voor een wat grondiger onderzoek van mijn hart. Dat is een nogal merkwaardig geval, dat hart van mij. Zeer groot. In letterlijke zin toch. En heel erg traag. Zak ik onder de dertig tikken per minuut, dan moet ik dringend iets opwindends gaan doen. Sporten bijvoorbeeld. Zo niet voel ik me moe en futloos.   

Mijn vraag was geweest: kan ik aan sport doen zonder mezelf al te veel beperkingen te moeten opleggen. Eén van de cardiologen die ik sprak, een Zwitser, liet zich tijdens het onderzoek iets veelzeggends ontvallen in zijn gebroken Engels: ‘Waarom zoveel aan sport doen? U bent toch professor?’. Hij bedoelde: wie aan een universiteit werkt als prof, in mijn geval in de filosofie, heeft toch geen behoefte aan dat minder verheven gedoe van het zwoegen met een racefiets of met loopschoenen. En ik geef toe dat ik soms ook wel eens ga twijfelen. Tijdens die drie en een half uur fietsen gisteren had ik ook even lang Nietzsche kunnen lezen bijvoorbeeld. Is het wel zinvol om dan te kiezen voor de twee wielen? Ik ken maar één remedie om mij van die twijfels te verlossen, en die bestaat er in kort terug te blikken op mijn eigen levensloop en op hoe mijn leven er nu uitziet.

Zo had ik onlangs in de late voormiddag een nogal stevige training afgewerkt. Met de racefiets op rollen. Hoge weerstand, zware versnelling en dan de pedalen zo’n vijftig keer per minuut blijven rondtrappen. Acht keer drie minuten, met telkens twee minuten rust. Mijn vrije – ik geef toe: wat overdreven – variatie op een trainingsschema dat ik ergens vond. Op het einde van elke sessie van drie minuten gaat mijn hartfrequentie dan flink de hoogte in. Net ‘in het rood’, dat punt waar je min of meer in ademnood komt. 

Die zware training had ik doelbewust in de voormiddag gepland omdat ik ’s avonds nog een lezing moest geven. Dergelijke training geeft me dan energie voor de rest van de dag. Ooit verliepen mijn avondlezingen wat moeizaam. Ik voelde me dan vaak een tikje uitgeblust na al een dag werken. Wat voor een filosoof doorgaans betekent: veel lezen en schrijven. Sport is op die momenten quasi een soort van doping: je wekt allerlei stimulerende stoffen op in je bovenkamer. Die lezing verliep dan ook schitterend. Vond ik toch. Woorden en gedachten stroomden vrijelijk. Van vermoeidheid of van een uitgeblust gevoel was totaal geen sprake.

Lichtjes euforisch nam ik me tijdens de treinrit naar huis voor om nog die avond een eindje te gaan joggen. Alleen maar wielrennen vind ik een wat eenzijdige bedoening. Alleen maar lopen ook trouwens. Beter lijkt het me ook andere spiergroepen aan te spreken. Of dezelfde spiergroepen anders aan het werk te zetten. Zowat vijftig minuten heb ik nog gelopen. Niets zo heerlijk als de dag eens te kunnen overpeinzen terwijl je door avondlijk verlaten straten loopt. Om elf uur was ik ermee klaar. Blijvend bruisend van energie. Nog een uurtje of twee  sprankelideetjes op papier zetten en er mijn dagelijkse portie romanliteratuur doordraaien, was totaal geen probleem.

Slapen lukt dan – uiteraard zou ik zeggen – bijzonder goed. ’s Morgens dus lekker kwiek uit bed gewipt. Loopschoenen aangetrokken en zonder ontbijt al een veertigtal minuten gaan lopen. Mijn ochtendgebed. Na het ontbijt een half uurtje in de zetel. Wat liggen mijmeren. Nadenken over wat ik zou kunnen schrijven die dag.  

Een lichte gêne overvalt mij. Waarom die persoonlijke ontboezemingen? Kan dit iets betekenen voor de lezers hier? Is dit geen aanstellerij? Ik geef toe: ik ben er een beetje fier op dat ik dit allemaal aankan. En ik hoop u in wat hieronder volgt duidelijk te kunnen maken waarom.

Binnen een klein half jaar word ik er vijftig. Volgens bepaalde normen zit ik nog wat te goed in het vet. Maar ik heb totaal geen competitieve bedoelingen met die mix van hardlopen en wielrennen die de meeste van mijn dagen kleurt. Het gaat mij om levenskwaliteit, om een goed leven.

Ik hoop dat u mij toestaat het nog even over mijn eigen leven te hebben. Eind jaren tachtig van vorige eeuw had ik een zwaar ongeval met de auto. In die tijd was ik nog cultuurredacteur bij het dagblad De Morgen. Energie en schrijfinspiratie meende ik toen te kunnen halen uit vele sigarettentrekken. En als het slapen niet lukte, vond ik wel hulp bij wat glazen wijn. Roofbouw heet dat. Dat ongeval was dan ook niet meer dan een logisch gevolg van die quasi constante toestand van stress en overwerktheid waarin ik mezelf had gemanoeuvreerd. Soms beweer ik wel eens dat ik die dag om het leven ben gekomen. Beter: ik heb toen een bepaald soort leven achter mij gelaten. Na een comateuze toestand van bijna drie weken en een revalidatie van vele veel te lange maanden kon ik proberen mijn leven opnieuw op de sporen te krijgen. Dat viel niet mee. Wie in coma is geweest, voelt zich als een soort van leeggelopen batterij. Die batterij opnieuw opladen vraagt veel tijd en veel geduld. Fysieke inspanningen waren dus helemaal niet zo evident. Dat had zo ook zijn mentale weerslag. Jarenlang heb ik moeten vechten tegen depressiviteit, daarbij een tijdlang geholpen door medicatie. Antidepressiva hebben ook die uitwerking op de hormonale huishouding die ik hierboven beschreven heb. Angsten verdwijnen, het humeur klaart grotendeels op, werken lukt beter. Dat heeft mij een tijdlang geholpen. Alleen: dat spul werkt sowieso verslavend en heeft altijd wel ergens vervelende neveneffecten. 

Toen al wist ik dat sport mij beter zou kunnen helpen. Evident was dat echter niet. Mijn lichaamsgewicht was schrikbarend toegenomen na dat ongeval en ik had er ook een lichtjes misvormde linkervoet aan overgehouden. Een arts zei me toen zelfs dat ik nooit meer normaal zou kunnen lopen. Dat was trouwens één van de eerste dingen waar ik aan dacht, toen ik in november 2006 de natuurmarathon in Kasterlee heb uitgelopen. Daar had ik meer dan viereneenhalf uur voor nodig. Maar de finish heb ik wel gehaald. Als ik u een raad zou mogen geven: vergeet die fixatie op de chronometer. Niet hoe snel je loopt of fietst, maar dát je het doet is van tel. 

Nu heb ik wel een paar stappen overgeslagen in mijn levensverhaal. Begin 2001 kwam ik terug uit het Californische San Diego, waar ik op een congres was gaan spreken. Daar had ik gemerkt hoe mensen hun conditie op peil brachten door wat in het Engels powerwalking heet, een stevige manier van stappen, te snel om het wandelen te noemen, te traag om van hardlopen te kunnen gewagen. Zo ben ik toen ook herbegonnen, 108 kilogram zwaar.

Een cliché zegt dat je eens voorbij de veertig er vrede moet mee nemen dat je er conditioneel niet echt meer zal op vooruitgaan. Dat heb ik sedertdien van maand tot maand en steeds krachtdadiger tegengesproken. Het gaat mij daarbij zeker niet om het fysieke element op zich. Wat mij zo boeit zijn de emotionele en psychische effecten daarvan. Die eens gedeprimeerde en pillenslikkende filosoof heeft zichzelf een tweede leven geschonken dankzij een langzaam opgebouwd trainingsregime. De voorbije zomer heb ik, vanwege nog te veel werk, op twee dagen na (toen moest ik van mijn lief) geen vakantie genomen. Wel heb ik in de loop van juli een veertigtal keer aan sport gedaan. Soms dus twee keer per dag. In 2001 moest ik me nog beperken tot drie, maximum vier keer per week. 

Uit hoger vermeld onderzoek was dan ook gebleken dat ik nog stevig tekeer mag blijven gaan met racefiets of loopschoenen. En die ongetwijfeld goedbedoelende cardioloog zal me niet meer aan het twijfelen brengen. Ik zal hem in mijn gebroken Engels iets toefluisteren over gelukkig zijn. Bijvoorbeeld als ik straks in november een tweede keer die marathon in Kasterlee uitloop. Ik word daar een klein beetje weemoedig van. Toen ik daar drie jaar geleden in Kasterlee, betekende dat voor mij dat ik hersteld was van dat ongeval. Dat heb ik toen niet luidop durven zeggen, na zeventien jaar. Als filosoof maakt mij dat wel een beetje bescheiden: zo begin je dus ook een leven opnieuw.