Lijden

Dat vinden wij wel tof hé, dat lijden. Afzien hoort er bij. We doen het er zelfs voor. Bekijk boektitels: Pijn is genotvan Jan Siebelink, voor mijn part één van de beste boeken over wielrennen ooit geschreven. Of van Peter Smink,  De cultus van het lijden, waarvan de lectuur mij wel in genoemde toestand bracht (als lezer dan), maar dat wellicht niet schrijvers bedoeling was. En recent verscheen van Louise Cornelis, mijn lievelingscolumniste in het maandblad Fiets, een opmerkelijk boek over haar deelname aan de onwezenlijk zware Tour d’Afrique. Tienduizend kilometer op twee wielen gedurende vier maand. Lees het en u zal nooit nog zeggen dat de Koppenberg iets onmenselijks heeft. Het boek van Louise Cornelis heet Afzien voor beginners(zie www.afzienvoorbeginners.nl). 

Dat ‘wij’ van hierboven slaat op het gild van duursporters. Of dat nu hardlopers of fietsers zijn doet hier niet ter zake. Het is een compartimentje binnen de bonte verzameling wezens die deze aardbol bevolkt dat op die aardbol elke kilometer alleen maar ziet als een klein schepje bovenop al de vorige. Hoe meer schepjes er bovenop hoe liever. En elk extra schepje mag pijn doen. Excuus: moet pijn doen. Want pijn is dus genot. 

Toen ik het boek van Louise Cornelis boek las, besefte ik iets te overhaast te zijn geweest bij het schrijven van een kort stukje over mezelf, waar ik het ook had over lijden en afzien. Dat stukje was bestemd om iets te vertellen over een gelegenheidswielerteam van de Vrije Universiteit Brussel waar ik deel van uitmaak. Van 13 tot 16 mei nemen we met dat team deel aan de 1000 kilometer vanKom op tegen Kankerzie (www.vub.ac.be/1000km/). Om te mogen starten zamelt een team eerst €5000 in voor kankeronderzoek en maakt vervolgens vier ritten van 250 kilometer rond. Onze rector begint, zelf neem ik rit vier voor mijn rekening. Nooit eerder heb ik zo ver gefietst en ik was/ben er ook niet zo meteen van overtuigd dat ik voldoende tijd heb of had om mij terdege voor te bereiden. Mijn conclusie was dus duidelijk: ik ga afzien, ik ga lijden. Maar goed, dat stelt niks voor in vergelijking met mensen die aan kanker lijden. Zo schreef ik het op in dat introductietekstje. En al nuanceerde ik op die wijze mijn eigen te verwachten afzien op 16 mei, toch maakte ik de vergelijking: kankerpatiënten lijden, ik ga die dag ook lijden. Maar is dat lijden dan wel te vergelijken? Uiteraard niet. Dat wist ik eigenlijk wel, maar ik had toch het boek van Louise Cornelis nodig om dat een beetje bewuster te beseffen.

Zij definieert afzien als ‘zelf verkozen lijden van enige duur’. Daar ging mijn tekstje dan meteen, want ik had het daarin over de machteloosheid en zelfs woede van twee studentes van mij bij wie kanker was vastgesteld. ‘Waarom ik?’, was hun vraag. Plots krijg je daar een nieuwe verhaallijn opgedrongen in je leven en dat verhaal wordt voor jou geschreven. Je pen wordt gevoerd door een ander. Je ondergaat. Dat is dan ook de echte betekenis van lijden: iets wat je wordt aangedaan. Louise Cornelis onderscheidt het zelf verkozen lijden daarom van andere ellende, zoals de ervaring van iemand die doodziek is. Wij duursporters creëren ons afzien zelf. Hebben we er genoeg van, dan laten we het gewoonweg ophouden. En ja, Louise heeft afgezien, daar in Afrika, maar korte tijd nadien was dat al vergeten. Ze had namelijk ook genoten. 

Vandaar ook het grote contrast met het bericht dat ze bij haar aankomst in Kaapstad ontving. Haar moeder zou twee dagen later al geopereerd worden vanwege een vergevorderde kanker. De enige keuzen die de dame moeder toen nog restten waren diegene die over het mogelijke beïnvloeden van haar lijden gingen. Maar ook dat is weer relatief, want na een half jaar stond de letterlijk definitieve uitkomst al vast. 

Afzien heeft voor duursporters ook een functie: het verlegt grenzen. Louise Cornelis geeft aan dat zij rond haar 35stebesloot aan die eigen grenzen te gaan sleutelen na lectuur van het verhaal van Lance Armstrong over hoe hij zijn kanker heeft overwonnen. Ik ben dat boek, Door de pijngrens, nog eens gaan lezen. Armstrong raakt daar een diep filosofische thematiek aan. De vraag luidt voor hem niet hoe zijn ziekte hem veranderd heeft, maar hoe ze hem nietveranderd heeft. ‘Toen ik ziek was, zag ik iedere dag meer schoonheid, grootsheid en waarheid dan me tijdens een wielerrace ooit is overkomen – maar het waren menselijkemomenten, geen wonderen’. De Amerikaan zegt over zijn sportprestaties dat hij die eerder volbrengt voor het afzien dan voor het plezier. Vijf uur lijden om dan met een opgeruimd gevoel thuis te komen. Hoe meer hij er tijdens zijn ziekte over nadacht, hoe meer kanker op een wedstrijd ging lijken. Dan toch? In beide gevallen gaat het om een gevecht tegen de tijd, met steeds opnieuw informatie over de stand van zaken, steeds nieuwe cijfers die al dan niet iets goeds voorspellen. Maar toch: het belangrijke verschil was dat zijn ziekte nog meer van hem vergde dan ooit op de fiets het geval was geweest. Toen hij in Sestrière de loodzware bergrit won en zo als ex-kankerpatiënt definitief op weg ging naar zijn eerste Tourzege, schrijft Armstrong dat het zwaar is om in een wedstrijd te lijden. ‘Maar het is niets vergeleken met het liggen in een ziekenhuisbed terwijl er een katheter uit je borst hangt en er chemo door je aderen schroeit en je vijf dagen per week 24 uur lang overgeeft’. Naar het einde van zijn boek toe geeft Armstrong aan dat hij liever wil gezien worden als overwinnaar van kanker dan als winnaar van de Tour. Hij heeft aan dat eerste immers meer gehad als mens. 

Toen ik aan Paul De Knop, onze rector, voorstelde om met een team deel te nemen aan die 1000 km van Kom op tegen kanker, was dit ook wat mij dreef als filosoof. Het afgelopen jaar was ik met zeven gevallen van kanker geconfronteerd in mijn nabije omgeving. Filosofen hebben – vind ik – altijd veel te weinig oog gehad voor wat zoiets kan betekenen voor het mens zijn. Dat gevoel van machteloosheid, het weten dat je niet meer zelf je eigen verhaal kan schrijven, de onzekerheid over de uitkomst, de pogingen om het leven toch nog zoveel mogelijk te omarmen. En wij filosofen dan maar boeken volpennen over levenskunst, over autonomie, zelfbeschikking, de queeste naar een zinvol leven… Of hoe ik in mijn eigen onderzoek voortdurend hamer op de lichamelijkheid als onze primaire wijze van in de wereld zijn. Ik schrijf daar doorgaans over op een enthousiasmerende manier. Maar hoe zou dat mijn schrijven veranderen als ik zelf levensbedreigend ziek zou worden? Daar had ik niet eerder bij stilgestaan.

De Franse filosoof Michel Onfray, auteur van boeken over levenskunst en hedonisme, heeft het mogen ervaren toen bij zijn vrouw kanker werd vastgesteld. Hij schreef er een boek over, Het lichaam, het leven en het lijden. Ik geef een citaat mee: ‘Wat is het belang van de bekrompen kleingeestigheden van het dagelijkse leven, de manipulaties van relatiedelinquenten, de levens die worden geofferd op het altaar van ficties van nul en generlei waarde, als de deur achter je dichtvalt na de uitspraak van een arts die je net in bedekte termen heeft laten weten dat je je weerloos en snel in de richting van je graf beweegt?’ Later in het ziekenhuis kijken de Franse filosoof en zijn vrouw naar de Tour. Ze zeggen het elkaar niet, maar beiden wachten ze op het succes en de overwinning van Lance Armstrong als evenveel bemoedigende tekens dat er een leven na de kanker bestaat. 

Ga ik nu afzien op 16 mei? Lijden? Nee, ik weiger dat. Louise Cornelis heeft natuurlijk wel gelijk als ze in een van de laatste paragrafen van haar boek zegt dat afzien tot die zo vaak geroemde ervaring van flowleidt en bovendien nog persoonlijke groei oplevert. Csikszentmihaly, de bekende auteur over ervaringen van flow, schrijft dat mensen ten onrechte denken dat ze het gelukkigst zijn als ze met een zak chips in de zetel tv zitten te kijken. Zijn onderzoek toont nu net dat we het gelukkigst zijn als we worden uitgedaagd het beste van onszelf te geven in sport, werk of hobby. Het zal wel mijn beroepsmisvorming zijn als filosoof en ethicus, maar ik wil me op 16 mei verdomme niet uitgedaagd voelen. Ik wil geen flow. Ik wil die dag niet groeien. Ik wil daar niets presteren. Op een ingetogen wijze wil ik de Antwerpse Grote Markt oprijden na die 250 kilometer. Deelnemen drukt uit wat ik in woorden zo moeilijk te vatten vind. Deel-nemen.