Romantiek in de hel

Al dagen loop in naar woorden te zoeken om een min of meer coherent verhaal te kunnen vertellen over mijn ‘sportexploten’ (sic) van de voorbije tijd. Titel na titel passeerde de revue, wisselend met mijn stemming van het moment. Ik nodig u uit even mee te kruipen in mijn met woorden worstelende brein en hoe dat zich in een soms fijne, soms ruwe, beetje wrede dialoog met mijn lijfelijke wedervaren in bochten en kronkels wringt. Euforie, hoop, wanhoop, defaitisme… Het is maar een greep aan wat ik hier zou willen zeggen. Object van die emotionele wervelwinden is de marathon van Kasterlee. 

Op 14 november, de dag voor het Gebeuren, wist ik het zeker. Ik zou een verhaal vertellen over pure romantiek. Het regende en waaide snoeihard. Die Kasterleese bossen – krakende boomstammen in een bed van modder – zouden ons een warm onthaal gaan bezorgen. Zij het wel in een zeer spreekwoordelijke zin van het woord.

Met die romantiek heb ik altijd wel iets gehad. Dem Schnee, dem Regen, dem Wind entgegen… Dat is een vers van Goethe. Het gedicht gaat eigenlijk over de liefde en hoe rusteloos die kan zijn, maar voor mij is het een vers dat kracht uitstraalt en kracht geeft. Immer zu immer zu, ohne Rast und Ruh… Blijven doorgaan, geen rust, noch qua lijf, noch qua gemoed. En dan verder zegt hij nog zich liever door het lijden heen te worstelen dan de vreugden van het leven te moeten verdragen. Goethe was een flandrienvan het hart. 

Romantici hadden iets met het sublieme. Dat iets subliem is, betekent in de filosofie of de kunst niet gewoonweg dat het om iets heel erg fantastisch, schitterend of wonderbaarlijk straf gaat. Bekijk de vergelijking met momenten waarop we het over schoonheid hebben. Die roepen associaties op met rust, sereniteit, iets waar je kan bij verwijlen. Dat soort dingen. Het sublieme echter schopt nogal fors tegen schoonheidsschenen. Het sublieme gaat over genot, maar evenzeer over pijn. Het trekt je aan, maar je wordt er ook krachtig door afgestoten. Het sublieme fascineert en doet ons tegelijkertijd huiveren. Een overweldigende natuur, nooit eindigende woestijnvlakten, kolkende zeeën met opspattend schuim… De bossen van Kasterlee op 15 november. Ziet u mij daar staan aan de start? Noem het voor mijn part een mentaal opwarmertje. Het zal daar woest worden. Oké. Maar dat zal ik dan wel op een haast extatische manier ondergaan. Een beter, voller, meer gehard individu zou ongetwijfeld die aankomstlijn overschrijden. (Ironie was trouwens ook niet ver weg in de Romantiek.)   

Dat ik halfweg drie minuten sneller doorkwam dan mijn eindtijd op de halve marathon in Brussel een maand eerder mag natuurlijk niet belangrijk zijn. Zo vaak heb ik al een verhaal verteld over sport als levenskunst en dat chronometercijfertjes daar eigenlijk niks mee te maken hebben. Het gaat om de ervaring en om de performance. Lopen doe je om het lopen. Dat is mijn uitgangspunt. Ik blijf daar achter staan en zal het blijven herhalen. Maar – hoe moet ik dat zeggen –, het vlees is zwak als het zich sterk waant. Ergens behoort het blijkbaar ook tot mijn natuur om lichtjes opgewonden te raken bij het vooruitzicht van wat dan een scherpe tijd wordt genoemd. In mijn geval zou die net beneden de vier uur te situeren zijn. Bij die passage halfweg veranderde deze levenskunstsporter in een chronometervolgeling. Een kilometer of vijf verder is gebleken dat God echt bestaat en dat Hij mij niet zo graag zag op dat moment. Dat ik prestatiehonger even liet primeren op levenskunstig lopen heeft Hij bestraft met de halvering van het sublieme gehalte van mijn ervaring daar. Het element genot blonk vanaf dan alleen nog maar uit door afwezigheid, dat van de pijn daarentegen door veel te nadrukkelijke aanwezigheid. Alleen een onzichtbare hand, autoritair dirigerend vanuit hemelse hoogten, kan een mens zo tot knielen dwingen. Ik had gezondigd tegen mijn eigen prestatiedrangvrije sportbijbel en moest daar nu voor boeten. Dit is hier mijn biecht. Ik geef toe: God bestaat. Zij heet Sciatica. En ik heb op haar zenuw gewerkt.

Ik kan mij zeer goed voorstellen dat u mij niet gelooft, maar zelfs tijdens het lopen van een marathon denk ik aan het schrijven van teksten. Over het verhaal dat ik ga vertellen of over een mogelijke titel. Nog iets schever dan die eenzame boom daar in het veld, onbeschaamd kreunend in mijn eenzame geworstel met de wind, dacht ik opnieuw aan Goethe. De man kreeg grote schrijversfaam na het publiceren van zijn roman over het lijden van de jonge Werther. Typisch product van de Sturm und Drang. Een hopeloze liefde, een getormenteerde ziel, een fatale afloop. Ziet u mij nog lopen? De titel die ik onderweg bedacht, luidde ‘Beschouwing over het werkwoord O’. Ik zou u hier een verhaal vertellen over het werkwoord O dat niet in mijn woordenboek staat. En dat ik daar heel erg van overtuigd was. Zo beantwoordde ik perfect aan het clichébeeld van sportmartelaars allerhande: ‘ik had mijn twee polsen gebroken, maar ben blijven doorfietsen’; ‘het bloed stroomde over mijn voorhoofd, maar aan O heb ik geen moment gedacht’; ‘mijn neus zag wit, maar voor O haalde ik hem op’. U kent dat soort verklaringen wel. We hebben daar meestal heel erg devote bewondering voor. Daar in Kasterlee kon het werkwoord O voor mij dan ook alleen maar een holle klank blijven, zonder betekenis. De boer ploegde dus voort. Zowat 34 à 35 kilometer ver. Alsmaar krommer, alsmaar manker, tot zelfs nog maar het overwegen van een stap verder een priem door mijn stilaan moedeloos wordende lijf joeg, van lage rug tot linkerkuit. Werthers fatale afloop heette dan maar O. De slotzinnen van dit schrijfsel moesten dan maar worden: ‘Ik heb voor alle veiligheid toch eens mijn Van Dale opengeslagen ’s avonds. En kijk, het werkwoord O staat er wel in. Het komt na ‘opgetopt’. Leuk woordje, al bevond ik mij die avond wel in een andere positie dan dat. Maar goed, mijn daad was dus perfect in overeenstemming met de Van Dale. En het Woord van den Dikkenspreek ik niet tegen’. Voilà, zoiets kan toch tellen als verantwoording voor mijn Sturmdie met niet al te veel Drangeindigde?

Dat knielen echter, dat ga ik toch nog eens herbekijken.