Sport als levenskunst

Onlangs mocht ik als spreker fungeren op een congres van de British Philosophy of Sport Associationin het Schotse Dundee. Eén van de andere sprekers boog zich in zijn lezing over de vraag of het überhaupt wel mogelijk is om tot een filosofie van de sport te komen. Ik bespaar u de filosofische spitsvondigheden waarmee de man tot een bevestigend antwoord kwam. Wat mij echter opviel in zijn vertoog was het gegeven dat sport er benaderd werd als een schijnbaar op zich staand fenomeen: een besloten wereld, naast de andere (echte?) wereld. Dat schijnt een niet ongebruikelijke invalshoek te zijn. Zo las ik ter voorbereiding van een gespreksavond in Nijmegen waar ik samen met Rik Van Walleghem, directeur van het Centrum Ronde van Vlaanderen, te gast was, diens boek over Johan Museeuw. Ook daar zie je door Museeuw het beeld geschetst van de wereld van het topwielrennen als een in zichzelf gekeerd universum waar de onderlinge strijd bikkelhard is, maar waar het hele wereldje (zowat vierhonderd man sterk zegt Museeuw) zich meteen van de buitenwereld afschermt zodra één van de eigen wereldbewoners in de problemen dreigt te komen. 

In zijn Ten geleidein het vorige nummer van dit blad, gaf Sporta-voorzitter Toon Claes al op treffende wijze aan hoe wij er een ander beeld van sport zouden kunnen op nahouden. We zouden proper moeten gaan fietsen. Dat gaat dan niet alleen over het bannen van doping, maar ook over hoe fietsers zich in die ‘echte’ wereld begeven. Of dat zouden moeten doen: met zin voor respect en verantwoordelijkheid naar anderen en naar de natuur toe. IK FIETS PROPER! Uiteraard. IK SPORT PROPER! Nog uiteraarder. 

Dat is dan voor mij ook het antwoord op de vraag van die Britse collega in Dundee. Een filosofie van de sport is mogelijk, maar dan in een veel bredere zin opgevat. Sportfilosofie zou voor mij een bezinning moeten zijn op hoe wij ons lichamelijk in de wereld bevinden. Wat we met dat lichaam doen. Hoe wij er vorm aan geven in die dialoog met andere mensen en met de omgeving die wij met hen delen. Daarom wordt het dus hoog tijd dat we dat beeld van een sportwereld naast een andere wereld achter ons laten. Dat zou dan bijvoorbeeld kunnen betekenen dat ook beleidsmensen, maar evengoed sportwetenschappers hun eigen evidenties eens van de nodige vraagtekens gaan voorzien. Het gaat misschien wat kort door de bocht, maar ik denk dat ze daar om allerlei redenen niet tot een blik op het geheel kunnen of willen komen. Sportcultuur gaat er te weinig over het grote plaatje van de lichaamscultuur in zijn totaliteit. Wat we over sport vernemen, zegt nagenoeg altijd iets over de vraag hoe we prestaties kunnen verbeteren of optimaliseren. Natuurlijk is dat van belang, maar ik vind dat dit niet het allerbelangrijkste moet zijn en zeker niet het enige belangrijke. Net dat leidt immers tot genoemd beeld van een sportwereld, bevolkt door individuen die quasi bovenmenselijke dingen doen (en dan misschien een sporthemel zou kunnen heten, met de hel als dreigement voor wie niet meer presteert), naast of boven de andere wereld, de wereld van mensen met een nine to fivejob (bestaat dat nog?), die de moed – noem het voor mijn part: het kritische bewustzijn – opbrengen om ’s avonds nog te start to run-en, te gaan fietsen of fitnessen of wandelen. Die mensen, en het zijn er gelukkig meer en meer, hoeven toch niet wakker te liggen van een minuutje meer of minder en of een kilometer vandaag langer is dan gisteren en korter dan morgen? Ik stel voor dat we het hier hebben over sport als levenskunst. Wat bedoel ik daarmee?

De levenskunst is recent in de filosofie aan een stevige opmars bezig. Je kan het ook een comeback noemen, na bijna tweeduizend jaar vergeten geweest te zijn. De oude Grieken wisten al dat de Grote Vragen van de filosofie draaien om de queeste naar een goed en betekenisvol leven. Dat hing dan samen met het idee van jezelf de maat te kunnen stellen. Lees dat als: wat is goed voor mij, hoe kom iktot dat goede, bevredigende, evenwichtige leven. Ik denk dat die vraag nu meer dan ooit urgent is geworden. Onze hoogtechnologische cultuur heeft namelijk enkel voorheen onbekende en onbevraagde consequenties met zich meegebracht. De eerste is evident: nogal wat technologieën lijken ervoor geschapen onze lijfelijkheid uit te sluiten. We springen in de auto om ons naar de bakker te spoeden, we nemen de lift om op de tweede verdieping acht uur lang op een bureaustoel te gaan zitten en we kopen een of ander trildinges omdat het dan niet veel moeite kost om iets aan onze o zo verwaarloosde spieren te doen. Makkelijk zat. Anderzijds stelt die technische omgeving ons ook in staat om ons lijf de gekste dingen te laten doen. Beantwoorden aan het utopische model van het perfecte lichaam bijvoorbeeld. Of ons biotechnologisch laten prepareren om ‘boven ons zelf uit te stijgen’. Waarna ooit wel de diepe put volgt. En ontgoocheling en afhaken. 

Oké, ik geef toe dat ik overdrijf. Een beetje toch. Sta me toe het even over mezelf te hebben. Ik train ook wel graag met een bepaald doel voor ogen. Trainingstechnisch is dat makkelijk en veilig. Je bouwt op, neemt rust op de gepaste momenten en je vergroot de kans er te ‘staan’ op het ogenblik dat dit nodig is. Mijn grote doel voor de eerste helft van dit jaar zijn de examens van de maand juni. Ik kan u verzekeren dat dit voor profs niet de leukste tijd van het jaar is. Een kleine vijfhonderd studenten zullen in een bestek van drie weken hun filosofische spitsvondigheden of hun spijtig genoeg van buiten geblokte wijsheden door mij hebben laten beoordelen in de komende zittijd. ’s Morgens om negen uur beginnen ondervragen en hopen dat je om zeven uur ’s avonds de trein kan nemen om dan om half negen nog wat te gaan hollen of bollen, dat kan natuurlijk. Maar het leidt tot stress. En tot prikkelbaarheid. Niemand wil graag die ene student zijn die me de trein van rond zevenen doet missen waardoor het eigenlijk al een beetje te laat wordt om nog zwetend en lichtjes kreunend fysiek aan de slag te gaan. Wat is er dan een mooier doel dan drie weken lag, vijf of zes dagen op rij van Dendermonde naar onze Vrije Universiteit in Etterbeek te fietsen? Ik zal dan heen en terug zowat vierentachtig kilometer hebben getweewield, weliswaar  aan een niet spectaculair hoog gemiddelde, gezien het gewicht van mijn trekkingfiets-met-tassen-met-boeken. En gezien mijn eigen gewicht. Dat neemt enige tijd in beslag, maar eigenlijk nauwelijks meer dan met de trein reizen en zeker niet meer dan met de motoraangedreven vierwieler. Daar kijk ik nu eens naar uit zie. Weken van meer dan vierhonderd kilometer in het zadel. Dagelijks de Lambermontlaan naar boven. Echt waar: op de meeste uren van de dag sneller dan die vierwielers. En op dat moment genoeg hormonaal verzadigd om al te opdringerige automobilisten zo overtuigend boos aan te kijken dat ze mij overal voorrang geven. Ongeveer toch.

Gelukzalig berustend in mijn ondervragerslot van die dag zal ik vervolgens de studentenwijsheden tot mij laten komen. Ik verontschuldig mij hierbij officieel bij de academische overheid omdat mijn puntengemiddelde dan enige procenten hoger zou kunnen liggen dan wellicht bij NMBS-verwensende of fileleed lijdende collega’s het geval is. Maar dit bedoel ik dus met sport als levenskunst en als onderdeel van onze wereld. De enige wereld.