Sport en zingeving

Tijdens mijn fietstochten krijg ik al eens het bezoek van een of andere muze die mij gretig ideeën allerhande influistert. Met sommige daarvan zou ik nooit durven naar buiten komen, andere vind ik leuk, nog andere merkwaardig en een verder doordenken meer dan waard. De Muze komt doorgaans als alles lekker loopt. De nukkige wind die mij op de dijken langs de Schelde een dieper geplooide houding doet aannemen, lijkt me dan niet te deren. Tijd gaat niet voorbij, maar vliegt. Het einde noopt mij dan niet tot een zucht van opluchting dat het voorbij is, maar eerder tot een binnensmonds gegrom over andere verplichtingen die mij huiswaarts riepen. 

‘Je hebt er zin in vandaag’, sprak mijn Muze me deze voormiddag toe. Kon ik moeilijk ontkennen. ‘En de rest van de dag ga je er ook nog zin in hebben’, ging ze verder. Dat wist ik ook wel: na zo’n trainingstochten kan het urenlang niet meer stuk. Tot ’s anderendaags aan toe vaak. Ik besefte plots dat dit veel meer betekenis heeft dan gewoon wat lijfelijk genot en welbevinden. Dit soort ervaringen gaat gewoonweg over de zin van mijn leven. Mijn Muze had mij verleid tot wat ik in mijn roes als een nogal hemelbestormende stelling beschouwde: er zin in hebben en zin geven, gaan eigenlijk hand in hand. Zinzoekers mogen voor mijn part nog altijd rustig de ogen ten hemel opslaan. Ik denk nu echter dat een materiële, lichamelijke invulling van de vraag naar zin evengoed op stevige argumenten kan rekenen.     

Noem het voor mijn part een vorm van hedendaags hedonisme, maar voor mij brengt sport een grondstemming met zich mee die al mijn andere activiteiten gaat ‘dragen’. Zintuigen staan meer op scherp, creativiteit lukt beter, intellectueel ben ik alerter. Voor mij is dit nu net wat ik zingeving wil noemen: de gewoontes die je voor jezelf creëert en die je leven een stijl en een richting geven. In het Engels kan dat mooi klinken: het woordje habitzit ook vervat in het werkwoord to in-habit. Een gewoonte is dan een manier om de wereld te bewonen, een ethos, datgene van waaruit je leeft. Het lichaam kan daarbij als de spil van onze interactie met de wereld gezien worden. 

In een nogal provocerende bijdrage aan een boek over Running and Philosophytrekt de Amerikaanse filosofie Sharon Kaye dan ook radicale conclusies uit het primair stellen van het lichaam voor de vraag naar het goede en betekenisvolle leven. Sport helpt ons volgens haar opnieuw aan te knopen bij onze evolutionaire erfenis, een erfenis die we verloochend hebben in onze hoogtechnologische cultuur.

Ze gaat uit van het gegeven dat de filosofie doorheen haar geschiedenis gedreven werd door de vraag naar het goede leven en dat de antwoorden daarop ruw geschetst in twee categorieën zijn in te delen: de religieuze en de culturele. Doorheen de geschiedenis van de filosofie hebben die religieuze en culturele perspectieven op het goede leven nagenoeg constant de discussie bepaald. Sharon Kaye komt nu echter tot de provocerende stelling dat het voortaan een biologisch perspectief kan zijn dat ons toegang zal verschaffen tot het goede, en van daaruit zinvolle leven. Haar definitie van de biologische categorie klinkt eenvoudig: ‘elk leven gewijd aan fysieke fitness’. Meer specifiek ziet zij the running lifeals het lang ontweken geheim tot geluk. 

Veel hangt dan af van hoe de term fitnesswordt ingevuld. Uiteraard zit hier de invloed van Darwin achter verscholen. Fitnessgaat uiteindelijk om de gepaste interactie van een organisme met zijn omgeving. Het lijkt me niet vergezocht om te stellen dat alle luxueuze hi-techwaarmee wij onze dagen doorbrengen dit soort van fitness op een heel andere manier is gaan kleuren dan onze niet eens zo verre voorouders altijd hebben moeten doen.

Een hedendaags pleidooi voor lichaamscultuur en sport kan dan ook zonder problemen terecht bij de evolutieleer. De eerste sporen van onze soort zijn te traceren tot zowat 2,5 miljoen jaar geleden, samen met de oudste stenen werktuigen. Wij leefden als jagers-verzamelaars tot niet langer dan tienduizend jaar geleden, toen de landbouw begon op te komen. Waar we voordien als mieren voortdurend in beweging waren, gingen we ons vanaf het begin van het landbouwtijdperk gedragen als spinnen: we weefden een web en zaten te wachten tot dat iets opleverde. We zijn toen, met andere woorden, het sedentaire tijdperk in getreden. Dat werd uiteraard nog meer kracht bijgezet door de opkomst van de industrialisering, toen het voor meer en meer mensen zelfs niet meer nodig was om op de velden te gaan werken. Wat we nu als een menselijk leven beschouwen, is dat daarom niet als we het grote schema van de dingen bekijken, stelt onze al genoemde Amerikaanse filosofe. 

Waarom is dit zo belangrijk? Stel dat we de evolutie van de mensheid tot nog toe zouden samenballen in vierentwintig uur. We zouden dan jagers-verzamelaar zijn geweest van de vroege uurtjes ’s nachts, over de voor- en namiddag, de avond, tot ongeveer vijf minuten voor de klok opnieuw middernacht aangeeft. Gedurende die laatste vijf minuten leven we sedentair. Dit betekent dat we een voorgeschiedenis, die zo lang is dat we ze eigenlijk niet goed kunnen vatten, verloochenen, waarin onze lichamen voortdurend op de proef werden gesteld. Het leven was er een soort van duursport. Die recente evolutie, die ongeveer vijfhonderd generaties omvat, is veel te kort geweest om voor natuurlijke selectie door toevallige mutatie te zorgen. In de hedendaagse mens zit dus evolutionair gezien nog altijd nadrukkelijk de jager-verzamelaar verscholen. En die lijdt nu aan beschavingsziekten allerhande, die in nagenoeg alle gevallen te maken hebben met het zo efficiënt mogelijk uitschakelen van het lichaam. We doen niet langer datgene waar we eigenlijk voor gebouwd zijn. 

Geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt om terug te willen naar pretechnologische tijden uiteraard. Maar het belang van sport als alternatieve invulling van die evolutionaire erfenis mag hier toch duidelijk blijken. Het is nu eenmaal de beste manier om tegemoet te komen aan het leven waar onze lichamen diep van binnen om schreeuwen. Tijdens de werkuren lukt dat slechts voor enkelen. Professionele sportlui bijvoorbeeld. Voor de anderen is er de vrije tijd. Wat we daar spenderen aan lichaamscultuur wapent ons voor al de rest.

Wat dat met zingeving te maken heeft? Wel, ik denk dat veel van het onbehagen in de hedendaagse cultuur van doen heeft met deze verloochening van ons evolutionaire verleden. Onbehagen en malaise leiden tot een gevoel van zinloosheid of cynisme over de mogelijkheid van zingeving. Om tot zin en betekenis te komen is een vrolijke wetenschap nodig.

Ik wil u het advies van Sharon Kaye dan ook niet onthouden. Ze pleit voor dagelijkse lichamelijke oefening. Hardlopen geniet daarbij de voorkeur, omdat dit ons best in contact brengt met de jager-verzamelaar diep in ons. Kaye: ‘Om in contact te komen met de jager-verzamelaar die in jou zit, moet je gewoon accepteren dat je liters zweet zal gaan laten en dat het hard zal zijn en misschien wel een beetje pijn kan doen. Denk er zo over: je workout moet dezelfde opstoot van adrenaline leveren die je ook zou krijgen als je achterna gezeten werd door een horde hongerige wolven’. Hardlopen is onze primaire behoefte schrijft Kaye nog, of we ons daar nu bewust van zijn of niet. Waarbij ik mij natuurlijk afvraag of ik sneller zou fietsen dan wolven kunnen rennen. Het gaat er natuurlijk om dat wij een lichamelijke activiteit kunnen ontplooien die voldoende onze hormonale huishouding op gang brengt. Niet overtuigd? Zie dan het ultieme argument van Sharon Kaye: Als je op een efficiënte manier je sportbehoeften bevredigt, dan maak je nadien met veel plezier ook nog tijd vrij voor een andere, misschien nog meer vanzelfsprekende primaire behoefte. En bij die behoefte profiteren we op meerdere manieren van een stevige fysieke paraatheid. Sport geeft je zelfs een beter seksleven. Zo ziet een hedendaagse versie van het hedonisme er dus uit.

Ik geloof dat mijn Muze daarstraks heeft weer eens gelijk gehad.