Survival of the fittest

Zijn visie is wel eens omschreven als een ‘universeel zuur’ dat zich door heel onze manier van denken heen zou heen vreten en dat ons wereldbeeld op revolutionaire wijze zou veranderen. Tweehonderd jaar na zijn geboorte en honderd vijftig jaar na de publicatie van zijn magistrale werk On the Origin of Specieslijkt Charles Darwin dezer dagen niet weg te branden uit kranten- en weekbladbijlagen en wordt hij in academische en wetenschappelijke milieus volop gefêteerd. Het is wel eens anders geweest. Zijn ideeën over natuurlijke selectie en over de afstamming van de mens kregen immers decennialang een wat kwalijk odeur mee. Godsdienstig geïnspireerde mensen zagen door hem namelijk God als oorsprong van alles van de troon gestoten, maar ook door vrijzinnigheid gedreven humanisten bezorgde hij menige kriebel. Het beeld van de mens als centrum van de natuur en als autonome zingever kreeg bij Darwin immers ook al een forse opdonder te verwerken. 

Het gaat er mij hier niet om Darwins ‘gevaarlijke idee’ nog eens uit de doeken te doen. Maar vermits dat zuur van de evolutietheorie universeel mag heten, kan het niet anders dan dat het ook implicaties heeft voor de manier waarop we omgaan met ons lichaam en hoe we dat aan het werk zetten. En ik vind dat ik daar een zeer vrolijke boodschap mag aan vastknopen: we zijn – vanuit evolutionair perspectief gezien – tot veel meer in staat dan we plegen te bevroeden, vooral als het om duursport gaat.

Ergens in de loop van januari maakte ik tijdens een fietstocht kennis met een man die ik eerder al had ‘gesproken’ via een internetforum voor wielertoeristen (www.wielertoerist.be). In de loop van 2008 had hij liefst 38.430 kilometer bij elkaar gefietst. Dit jaar wordt hij er vijftig en hij werkt in een drieploegensysteem. ‘Dat is passie hé’, zei hij me tijdens die (toevallige) fietstocht samen. Dat was overigens op zo’n dag waarop je tamelijk alleen onderweg bent als fietser. Ik begreep het waarom daarvan toen ik na afloop de tintelende pijn voelde in mijn ijsvoeten onder een nochtans zeer welgekomen warme douche. 

Enkele dagen later vertelde ik tijdens een etentje over de esbattementen van deze verwoede randonneur. Een reactie luidde: ‘Dat kan toch niet gezond zijn’. Kijk, dat zou Darwin dus nooit gezegd hebben. Zelfs integendeel. De evolutietheorie leert ons immers dat onze lichamelijke interactie met de wereld nu nog altijd mee bepaald wordt door honderdduizenden jaren voorgeschiedenis van de mens als jager-verzamelaar. Onze zeer verre voorouders waren geen liefhebberige duursporters die met Sporta naar de Ventoux wilden, maar uithoudingsspecialisten die te overleven hadden in een niet-sportieve betekenis van dat woord. Vervang bijvoorbeeld de Ventoux door een dagenlange jacht op een mammoet. En denk dan vooral de bevoorradingsposten onderweg niet mee. 

Wie zich verdiept in de evolutietheorie begrijpt dat onze hedendaagse levensstijl eigenlijk helemaal in conflict is met onze biologische erfenis. De tijd gedurende dewelke we als sedentaire wezens onze dagen zijn gaan slijten, pakweg de laatste tienduizend jaar – sedert de opkomst van de agricultuur met name -, stelt niks voor gezien vanuit onze hele ontwikkelingsgeschiedenis als soort. Van onze soort – bekend onder de roepnaam ‘Homo’ – zijn immers al sporen teruggevonden van 2,5 miljoen jaar oud. De evolutietheorie kan ons nu leren dat die verre erfenis nog niet weggeveegd is. Evolutie gaat daarvoor nu eenmaal te traag. En omdat ze zo traag gaat, leven wij onbewust nog grotendeels vanuit wat onze innerlijke jager-verzamelaar ons influistert. Dat vetten opslaan goed is bijvoorbeeld, want we hebben ze nodig als we op jacht gaan en niet kunnen uitkijken naar de bevoorradingsposten van Sporta onderweg. Uit studies blijkt dat (mannelijke) jagers-verzamelaars per dag voor hun fysieke activiteiten zowat twintig kilocalorieën verbruikten per kilogram lichaamsgewicht. Zelfs iets meer. Wie vandaag een kantoorjob heeft, komt nog niet aan vijf kcal per kilogram lichaamsgewicht per dag voor de benodigde fysieke inspanningen (waarmee wordt bedoeld: bovenop wat je sowieso nodig hebt om te functioneren zondermeer). Pas bij activiteiten van het niveau van een duurloop van twaalf kilometer op een uur, komen we in de buurt van wat verre bompa Homo verbruikte. En die duurloop zouden we dan dagelijks moeten op onze agenda zetten. Bovendien waren onze voorouders van toen grotendeels vegetariërs. Staar u dus vooral niet blind op het vergaarde vlees na die jacht op mammoets. Al lijken velen wel blind voor de hoeveelheden van de hedendaagse variant daarvan op hun bord. 

Waar blijft nu het vrolijke element in mijn verhaal, vraagt u zich inmiddels af. Wel, net omdat evolutie zo traag gaat en omdat die jagers-verzamelaars van toen zo’n respectabel potentieel hebben opgebouwd aan uithoudingscapaciteiten, kunnen wij daar nu nog altijd profijt van ondervinden. Natuurlijk heeft niet iedereen onder ons de mogelijkheid om een marathon te lopen in minder dan 2u10 of zo. Maar: we hebben nagenoeg zeker allen de mogelijkheid om er eentje te lopen überhaupt. Ons lijf draagt dat vermogen in zich, we moeten het enkel tijdig wakker schudden. Doen we dat niet, dan lopen we het risico geconfronteerd te worden met de neveneffecten van onze leefstijl (eetstijl) die in disbalans is geraakt met wat we evolutionair gezien nog onder de leden hebben. Ik voel me nu niet zo meteen geroepen om hier alle goeie raadgevingen ter zake nog eens op te dissen. U kent ze ongetwijfeld wel. En die 38.000-en-zoveel kilometers zijn heus niet nodig om opnieuw die balans te vinden.    

Wat mij als filosoof hieraan vooral interesseert is dat dit leven in overeenstemming met onze evolutionaire erfenis zowel een bron kan zijn van betekenis- en zingeving aan je leven, als een manier om wat als ‘het goede leven’ wordt beschreven na te streven. Gooi voor mijn part alles wat hier boven staat beschreven gewoon weg. Of: lees het vooral niet als iets wat je moet doen, of als een plicht. Het gaat hier immers simpelweg om genot en plezier. Zelfs dat is evolutionair verklaarbaar. Wat wij inmiddels kennen als de zogeheten runner’s highhad bompa uit het Cro-Magnontijdperk nu eenmaal nodig om te blijven doorgaan als die beenhouwerswinkel op reuzenpoten de eerstkomende dagen niet van wijken leek te willen weten. Zo ingenieus zit ons lijf in elkaar. Het lekkere endorfinegevoel maakt van fysieke grenzen een bron van genot. 

En denk nu vooral niet dat het te laat kan zijn. 

In een boek met dezelfde titel als deze column nu beschrijft de Britse arts en ultraduursporter Mike Stroud zijn deelname aan de Eco-Challenge, een meerdaagse wedstrijd in teams van vijf over een afstand van om en bij de vijfhonderd kilometer. Zowel lopen, mountainbiken, kajakken als paardrijden staan er op het menu. Het vijftal dient samen de aankomst te bereiken. Eén van Strouds teamgenoten was Helen Klein, een dame van toen 72. Pas op haar 55steis Helen Klein beginnen trainen om te kunnen deelnemen aan marathons samen met haar echtgenoot. En ze heeft de aankomst gehaald in die Eco-Challenge. Een jaar later trouwens nog eens. 

Nog een voorbeeld om het goed te maken dat ik het hierboven enkel over bompa’s heb gehad. Toen diezelfde Mike Stroud na een deelname aan de marathon van London richting metro strompelde, werd hij ingehaald door een flukse dame. De fitheid die ze uitstraalde, noopte hem meteen tot enige bescheidenheid over het eigen kunnen. De dame bleek er 68 te zijn. Stroud informeerde naar haar tijd. ‘Viel best mee’, klonk het antwoord. ‘Minder snel dan vorig jaar, maar ik bleef toch nog onder de drie uur.’ 

Maak daar voor mijn part vijf uur of meer van, kijk vervolgens naar hoe uw gepensioneerde, zetelgekluisterde ex-collega het ervan afbrengt en denk aan genot in plaats van plicht. Als u dan nog niet de motiverende kracht hiervan voelt, heeft u dit blad misschien wel compleet per abuis in handen gekregen.