Tegen een muur knallen

Onlangs werd mij gevraagd of ik als filosoof ook iets te vertellen had over duurzaamheid en duurzame ontwikkeling. Dat is een thematiek die doorgaans op een technische manier aandacht krijgt. Een probleem, vaak veroorzaakt door onze fixatie op technische apparatuur allerhande, moet dan een oplossing krijgen door een andere ‘helende’ techniek te bedenken. Uw wagen stoot te veel vieze gassen uit? Zet er een roetfilter op. Die drankverpakking is te belastend voor het milieu? Plak er maar wat extra taks op. Dat lijken mij doekjes voor het bloeden. Ze verstoppen de wonde, maar het rode vocht blijft druppelsgewijs vloeien. 

Nu is een filosoof doorgaans technisch niet al te best beslagen. Wat zou ík dan te vertellen hebben over het probleem van onze omgang met de natuur, tenzij dat die niet meteen opvalt door een vooruitziende blik? Mijn ervaringen als fietser brachten mij echter tot ideeën waar filosofisch gezien wel mee aan te vangen valt. Zo kon ik misschien een link leggen tussen de bekommernis voor lichaamszorg en de aandacht voor het fysieke welbevinden die de lezers van dit blad zeker niet vreemd zal zijn, en zorg voor onze leefomgeving.

In een boek van de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis, Natuur tussen mythe en techniek, las ik eens een beschrijving van de manier waarop bloementeelt dezer dagen verloopt, of althans: kan verlopen. De intro van het krantenartikel waar Achterhuis zelf de mosterd haalde, spreekt boekdelen: ‘Herfst en winter bestaan niet meer. Rozen liggen in de kas aan het infuus en de kweker bepaalt er het ritme van dag en nacht. In de kassen doet niet langer de natuur, maar high techzijn werk’. Door middel van assimilatielampen, groeilicht dat bekomen wordt met lampen van 400Watt, worden dag en nacht en de seizoenen uitgesloten. De rozen hebben geen rust. Die ene kweker produceerde dat jaar (1992) liefst 21 miljoen rozen. Zijn rozen hebben nooit in de grond gestaan, hebben geen zonlicht gezien, geen niet door computers gestuurde temperatuur gevoeld. De rozen bloeien niet als uitkomst van een natuurlijk en organisch proces. Ze bloeien niet zonder waarom. Ze bloeien als eindpunt van een computerprogramma en omdat ze naar de markt moeten. De natuur is hier radicaal buiten spel gezet. De roosjes mogen niet in de grond, want die zou schadelijke materialen kunnen bevatten. Op het einde van hun – laten we zeggen – technische opleiding tot roos, worden ze massaal verpakt om vrachtvliegtuigen op Schiphol te gaan vullen met hun welriekende aanwezigheid. En die vrachtvliegtuigen stoten dan minder welriekende stoffen uit die weer andere technieken zullen nodig maken om onze natuurlijke omgeving schoon te maken. Een louter technisch denken draait zo te zien in cirkeltjes. 

Het is niet mijn bedoeling om hier de zoveelste aanval in te zetten op onze hoogtechnologische maatschappij. Het ‘terug naar de natuur’ principe van bepaalde bewegingen vind ik maar weinig plausibel. Soms zelfs gevaarlijk. Ik heb hoger beschreven voorbeeld enkel willen gebruiken om iets te vertellen over de verhouding van techniek en cultuur tot natuur, en over de manier van denken die daarmee gepaard gaat.

Ik bedacht vervolgens dat wij teveel op die rozen lijken.

(Bekijk uzelf eens ‘s morgens in de file.)

Wat heeft dit dan wel met sport of lichaamsbeweging te maken en hoe valt hier een link te zien met die vraag naar duurzaamheid?

Het mens- en wereldbeeld dat de Westerse cultuur al enkele eeuwen beheerst, draagt iets uit van een verlangen naar zekerheid, efficiëntie en berekenbaarheid. Dat zijn zowat de sleutelwoorden van wat wij doorgaans als rationaliteit omschrijven. Maar vertelt dat soort van rationaliteit het hele verhaal van ons mens-zijn? Ik denk van niet. Wat doen we bijvoorbeeld met zeer menselijke fenomenen als emoties of passies? Wat met dat stukje natuur in ons, ons lijf, dat niet altijd even goed te beheersen valt? Of denk aan ons vermogen om geaffecteerd te worden door een omgeving, door een atmosfeer. Hoe onhandelbaar die fenomenen soms ook mogen zijn, ze vallen niet weg te cijferen uit het complexe verhaal dat ons leven is. Kort: de mens is één geheel. Wij zijn lichaam én geest, emotie én ratio, gevoel én verstand… Die koppels zijn niet te scheiden, ze zitten onlosmakelijk in elkaar verstrengeld. Als ik denk rationeel te redeneren, zit daar altijd een brok emotie mee op te spelen. Meen ik louter verstandelijk, zakelijk en efficiënt te handelen, dan schuilt daar altijd wel ergens een likje gevoel dat ook mee richtinggevend is. 

Bekijk eens de manier waarop wij die koppels inschatten. Ratio achten we hoger dan emotie, verstand hoger dan gevoel, geest hoger dan lichaam. Even overheersend is het idee dat cultuur een forse trap boven natuur staat. Natuur is immers dat onberekenbare en onbeheersbare ding dat we graag aan onze efficiënte manier van denken willen onderwerpen. De roos zal bloeien als ze naar de markt moet. 

Staan wij zelf nog met onze voeten in de grond? Ik vind van niet. Als ik met de fiets van mijn woonplaats, Dendermonde, naar mijn werkplek, de Vrije Universiteit Brussel, trek, dan gaat dat een kleine dertig kilometer langs relatief rustige, door weiden en velden omzoomde wegen. Tenminste als je bereid bent tot een beetje omweg. Dan kom ik ergens aan de koninklijke verblijven in Laken en ik knal pardoes tegen een muur. Plots voel ik me daar als fietser niet meer welkom. De stad begint dààr. De Lambermontlaan naar boven fietsen doet iets met mijn lijf. Niet alleen omdat het flink bergop gaat, maar ook omdat het mijn hormonale huishouding beroert. Als ik zou lekken, liet ik ongetwijfeld een spoor van adrenaline achter. 

Wat ik daar lijfelijk ondervind, maakt mij duidelijk dat duurzaamheid zo zou kunnen benaderd worden: hoe wij onszelf in de wereld situeren en of we daarbij de eigen lichamelijkheid geen meer prominente plaats moeten geven. Duurzaamheid is geen concept dat we alleen maar technisch kunnen benaderen. Dit gaat niet enkel om hoe wij de wereld technisch benaderen, sturen en bijstellen. Dit gaat om hoe wij de wereld beleven, ervaren, ondergaan, erdoor geaffecteerd worden. Duurzaamheid zou ik dan omschrijven als ‘een gevoel van leefbaarheid’. 

Uiteraard zijn er technische oplossingen nodig voor door andere technieken in het leven geroepen problemen. Maar roetfilters en asbestvrije gebouwen zullen het probleem niet ten gronde aanpakken. Daartoe hebben we een andere manier van kijken nodig, van hoe we ons in de wereld willen bevinden. Ik wil binnengeleid worden in een stad, niet tegen een muur knallen op twee wielen. Mijn werkdag begint anders als ik des ochtends mijn lijf heb laten spreken, al tweewielend, of al wandelend. 

Zouden we hier rekening kunnen mee houden bij stadsplanning en –vernieuwing en bij het inrichten van ruimte?

De omgang met ons milieu is er één van een intieme en diepe verstrengeling. Er bestaat geen scheiding van onszelf en de wereld. De wereld denkt zich altijd in ons. Onze band met de wereld speelt zich van bij onze allereerste stappen af als een viscerale verbinding met die wereld. Er bestaat geen beweging zonder de ruimte waarin we bewegen. De kwaliteit van onze beweging is altijd onmiddellijk ook de kwaliteit van hoe we de wereld ervaren. Zorg voor het milieu is op die manier altijd een zorg voor onszelf, voor het eigen lichamelijke welbevinden.

Bovendien: met een trekkingfiets van pakweg 17 kg, en daarbovenop twee fietstassen vol geladen met laptop, boeken en propere kleren, op die manier na dertig kilometer en al enkele hellinkjes, de Lambermontlaan oprijden: dat staat in geen enkel trainingsschema, maar je conditie vaart er verdorie wel bij. 

Of is dat een technische raadgeving? 

Ps: Geachte heer Rector, zou het mogelijk zijn om in het gebouw van Letteren en Wijsbegeerte een doucheruimte in te richten? Dat plastic doosje met mijn al natgemaakte washandje en de kunsten die ik uithaal op mijn bureau om min of meer gefatsoeneerd voor mijn studenten te verschijnen, werpen toch een kleine schaduw op mijn fietsplezier op weg naar de universiteit.