Trainen zonder doel

Het leukste aan sport vind ik het trainen. Zelfs zonder doel. Een trainingsschema volgen, al lopende en al fietsende, vind ik op zich al ruimschoots voldoende. Dat hoeft niet noodzakelijk in een wedstrijd of een andersoortig evenement uit te monden. Laat staan daar op één of andere manier beter te willen zijn dan anderen. Uiteraard heb ik geen enkel probleem met competitieve drijfveren. Alleen: mij drijven ze niet. Tenzij dan als competitie tegen mezelf. 

Ik vraag mij af: zou dat bestaan, een vechten zonder ooit te willen winnen? Noem het een vechten zonder doel. Of een vechten waarbij enkel de weg het doel is. Zwervend vechten misschien.  

Laat me het nog wat scherper stellen: we zouden kunnen vechten om te overwinnen. Het ‘over’ is dan een brug, de weg naar iets anders. Winnen doe je op een weg die een einde kent. Wie wint, stopt. Wie overwint, gaat verder. En zal nooit aankomen. 

Zou je kunnen vechten zonder tegenstander? Vechten tegen een medestander misschien? Of heet dat dan vechten mét een medestander? Die medestander kan je zelf zijn. Overwinnen gaat dan om zelfoverwinning. 

Bij toeval ontdekte ik in een paar geschriften over het Taoïsme waar het mij eigenlijk om te doen is bij mijn competitieloze sportactiviteiten. Lao Zi, één van de grondleggers van het Taoïsme, zegt bijvoorbeeld: 

            Wie anderen kent, is knap.

            Wie zichzelf kent, is wijs.

            Wie anderen overwint, heeft macht.

            Wie zichzelf overwint, is sterk.

Laten we Oosters vechten ter zelfoverwinning, zo dacht ik. 

Het traditionele Oosterse denken over lichaam en geest verschilt nogal grondig van een hele traditie van Westerse filosofie. Lichamelijkheid was eeuwenlang een onding voor het Westerse denken. Het lichaam werd er geschetst als een wat onhandelbaar, soms ontembaar ding met veel te vaak een eigen wil. We definieerden dat lijf dan maar weg. ‘Ik denk dus ik ben’. Maar nooit: ‘ik voel dus ik ben’. Arme geesten. ‘Verachters van het lijf’ noemde de negentiende-eeuwse Duitse filosoof Friedrich Nietzsche hen ooit.  

Net zoals ik het wat moeilijk heb met bepaalde trekken van het (overheersende) Westerse denken, kan ik niet echt vrede nemen met de wijze waarop het sportgebeuren doorgaans vorm krijgt. Sport draait mij teveel om een eindresultaat. Zoals onze Westerse cultuur in het algemeen beheerst wordt door een drang naar cijfertjes en rekenkundige zekerheden, kicken sporters op de wegtikkende chronometer. Hun prestatie moet kunnen gemeten worden en vergeleken met die van anderen. 

Natuurlijk mag dat. Alleen: het kan ook anders. Het kan méér zijn, maar dan in kwalitatieve en niet in kwantitatieve zin. Vergelijk dat met de manier waarop kunstwerken gewaardeerd kunnen worden. Een werk van mevrouw of meneer X brengt op een veiling een bedrag op met zoveel cijfertjes. Vervolgens verdwijnt het duur betaalde meesterwerk achter een hermetisch gesloten kluisdeur. Tot de markt het opnieuw sommeert nog meer centen op te leveren. Maar die kunstwerken kunnen natuurlijk ook anders waardering krijgen. Dan vertellen we een verhaal over zin en betekenis. Over een werkingsgeschiedenis. Over mensen die zich aangesproken voelen en voor wie dat kunstwerk misschien een anders verstaan van de dingen oplevert. Dié betekenis valt niet te meten. 

Sport is geen kunst. Ze kan wel iets esthetisch hebben. Iets bestaansesthetisch. Ik zie sport en wat ik daar met mijn lichaam aanvang op dezelfde manier als die waarop we een kunstwerk een verhaal laten vertellen.  Een meetbaar eindresultaat – winst – hoeft daar geen uitstaans mee te hebben. Zelfoverwinning wel. En daar houdt het vechten nooit op.   

Dat vechten gaat mij om een te boven komen van de eigen limieten, die dus – nogmaals – zowel fysiek als mentaal van aard kunnen zijn.  Misschien valt dit wel te omschrijven als een lichamelijke spiritualiteit? Bij het sporten streef je naar steeds meer verfijnde en betere uitdrukkingen van je lichamelijke handelen. Dat doet iets met je geestelijke activiteit, zowel qua welbevinden als qua creativiteit.

Sport in de zin van een voortdurend vechten, heeft geen einddoel of geen doel buiten zichzelf. Dit soort vechten wordt niet bekroond met winst. Trainen doe je dan omwille van de zelfexpressie en de zelfoverwinning. Natuurlijk kan competitie met anderen daar deel van uitmaken. Maar die is dan geen eindpunt. Ze is een brug naar wat verder en hoger ligt in de strijd met jezelf. Competitie is zo zelf een vorm van training. Dat is iets anders dan trainen omwille van de competitie.     

Maar zou sport dan toch geen krachtpatserij worden, een manier om het eigen lijf steeds verder uit te putten en tot steeds verregaander krachttoeren te dwingen? Niet als we er dat Oosterse kleurtje aan geven. Voor Zhuang Zi, één van de  andere grote taoïstische leermeesters, betekent zelfoverwinning nooit zichzelf te forceren. Zelfoverwinning is voor hem geen dwang, maar een loslaten. 

Zhuang Zi:

Bestaat er wel of geen volmaakt geluk in de wereld?

Bestaat er wel of geen manier om het lijf levendig te houden?   

Sport en lichaamscultuur hebben voor mij alle uitstaans met geluk. Ze bepalen de stemming waarmee ik in de wereld sta. Van Zhuang Zi kunnen we echter leren dat geluk niet kan nagejaagd worden. Geluk dwing je niet af. En het lijf mat je niet af om het levendig te houden.  Zhuang Zi beschouwt het niet-doen als het echte geluk. 

Niet-doen om gelukkig te zijn en het lijf levendig te houden? Ik lees dat ‘niet-doen’ en ‘zwerven’ een sterke betekenisverwantschap vertonen volgens Chinese commentaren. Zwerven is een vorm van op weg zijn zonder vooraf bepaald doel. Het traject ligt dus niet vast. Het gevecht win je niet daar waar een eindstreep is getrokken. Winnen doe je onderweg. Bovendien blijkt het Chinese woord voor zwerven ook de betekenis van ‘spelen’ en ‘spel’ te hebben. Bij uitstek is een spel iets wat een doel heeft in zichzelf. Het is zijn eigen bron van geluk. Sport kan een spel zijn als ze geen extern winstdoel voor ogen houdt.

Sport is dan een niet-doen, een zwerven, een loslaten. 

U schrikt van die conclusie? Ik eigenlijk ook als ik het zo geschreven zie staan. In de competitieve sportwereld kom je daar natuurlijk nergens mee. Maar zwervend kom je overal.