Zelftransformatie

De voorbije jaren heeft zich een fundamentele verandering voltrokken in ons denken over het denken. Een veel te groot deel van het filosofenkorps heeft dat nog niet gezien. Of wellicht niet willen zien, want te bedreigend voor diep ingesleten benaderingen van hoe de mens zich als denkend wezen in het leven situeert. Die fundamentele verandering hebben we in de eerste plaats te danken aan de neurologie en neuropsychologie. Het nieuwe inzicht dat daar de voorbij tien tot vijftien jaar gegroeid is, heeft het over de plasticiteit van ons brein. De titel van een boek van de Nederlandse neurologe Margriet Sitskoorn vat netjes samen wat hier zoal in het geding is. Dat boek heeft Het maakbare brein. Gebruik je hersens en word wie je wilt zijn. Dat is straffe klap. Vooral het tweede deel van de titel zet een aantal zelden betwijfelde evidenties op de helling. Of er is het boek van de Franse neurofilosofe Cathérine Malabou, Wat te doen met ons brein? 

Voor alle duidelijkheid: geen van beide dames heeft het hier over het gebruik van de hersenen in de zin van beter of dieper te gaan nadenken. Dat is misschien een deel van het verhaal, maar de eigenlijke revolutie heeft met andere bevindingen te maken. Tot voor kort waren de meeste wetenschappers er namelijk nog van overtuigd dat de werking van de hersenen en de vorm ervan een paar jaar na onze geboorte al definitief vastlag. Trad er toch verandering op, dan was dat enkel het gevolg van negatieve toestanden. Verwoeste hersencellen door overmatig drankgebruik, of hersenbeschadiging door ongewenst gebeuk met het hoofd tegen iets minder buigzame objecten bijvoorbeeld. En dan was er natuurlijk ook nog het verval door ouderdom.

Dat beeld van een al op jonge leeftijd voltooid brein houdt nu echter niet langer stand. Dat hebben we te danken aan allerlei nieuw scantechnieken die aan wetenschappers toelaten de werking van de hersenen veel nauwkeuriger in kaart te brengen dan ooit het geval is geweest. Als filosoof word ik daar een klein beetje wild enthousiast van. En eigenlijk is het goed nieuws voor ons allemaal. Waarom? 

Die nieuwe onderzoeksresultaten tonen aan dat er iets als een plasticiteit van het brein bestaat. Ons brein, dus de vorm en werking van onze hersenen, kan nu beschreven worden als een levenslang werk in uitvoering. Het brein blijft zich ons hele leven door aanpassen aan nieuwe prikkels, aan nieuwe omgevingsfactoren, aan andere gewoontes die we ons aankweken. Dat is meteen het goeie nieuws: we kunnen er zelf iets aan doen. Worden wie je wilt zijn, om de titel van Sitskoorns boek nog eens aan te halen. Een boek van de Amerikaanse Sharon Begley over The Plastic Mindheeft het bijvoorbeeld ook over de nieuwe wetenschap die ons buitengewone potentieel toont to transform ourselves. Wat is hier nu aan de hand dat een filosoof er op een hoger toerental gaat van draaien? 

Wel, als ons brein al zou vastliggen van in de prille jeugdjaren, dan zou dit meteen een stevige beperking inhouden van onze vrijheid. Bovendien lijkt het sommigen onder ons dan op te zadelen met een soortement noodlottige voorbestemming. ‘Ik ben nu eenmaal zo’. ‘Dat is mijn natuur’. Of het is hun karakter waar ze ook niks kunnen aan doen. Zo makkelijk komen we er nu dus niet meer van af. U zal mij zeker niet horen beweren dat iedereen van zichzelf een radicaal ander mens kan maken. Wel lijkt het me duidelijk dat we in staat mogen worden geacht bepaalde hobbelige wegen in ons leven beter bewandelbaar te maken. Veel beter zelfs. Het brein is geen op zich staande entiteit. Natuurlijk bepalen onze hersenen ons gedrag, maar dat gedrag bepaalt ook onze hersenen. Wie zich een nieuwe attitude aanmeet, brengt daarmee op relatief korte tijd al veranderingen op gang in de hersenen. Voortdurend ontstaan daar nieuwe verbindingen tussen de hersencellen. Die nieuwe verbindingen resulteren in een ander gedrag, in andere reacties. Dingen die we heel vaak doen, maken die verbindingen bovendien alsmaar sterker. 

Ik heb het hier eerder al gehad over zelfzorg en over levenskunst. Dat had dan in beide gevallen te maken met een goeie zorg voor het lichaam. De boodschap die de recente neurowetenschappen ons nu nalaat, is dat dit ook een zorg voor ons brein zou moeten inhouden. We verzorgen zowat alle lichaamsdelen, van spieren, over pezen en gebit tot onze huid. Wel, het brein is ook zo’n lichaamsdeel dat die zorg erg nodig heeft. Wellicht nu meer dan ooit. Langdurige stress, depressiviteit of slaapstoornissen hebben altijd schadelijke gevolgen voor de hersenen. We laten onszelf allerlei kwaaltjes en angsten aankweken die uiteindelijk zichzelf nog gaan versterken. Dat is de negatieve kant van die plasticiteit: we adapteren ons bijvoorbeeld aan een losgeslagen maatschappij waar flexibiliteit eigenlijk een synoniem is voor ‘meer doen op minder tijd’. 

Het boek dat ik hierboven al vermeldde, The Plastic Mind van Sharon Begley, kreeg een inleiding mee van de Dalaï Lama. De ‘boeddhistenpaus’ had namelijk een grote belangstelling opgevat voor de nieuwe evolutie binnen de neurowetenschappen en stemde toe in een samenwerkingsverband (zie www.mindandlife.org). Uit die samenwerking resulteerde ondermeer onderzoek naar de hersenwerking van boeddhistische monniken. Daaruit blijkt ondermeer dat de lange meditaties ingrijpende gevolgen hebben voor het brein. In positieve zin. Aandacht en mildheid zorgen voor een andere bedrading in de hersenen. En zo ook voor een anders in de wereld staan. Het succes van een hier vooral voor stressreductie gebruikte therapie als mindfulness is daar niet vreemd aan. De grondlegger daarvan Jon Kabat-Zinn, is neurowetenschapper en boeddhist overigens, net zoals bij ons Edel Maex.

U bent nu al 925 woorden lang aandachtig en geduldig, wachtend op het verband van dit alles met sportactiviteit. Wel, wetenschappelijk onderzoek toont dat sport een positief effect heeft op de hersenen. Het verval ervan wordt tegengegaan, het leren bevorderd (een grotere openheid voor nieuwe prikkels dus) en het heeft uiteraard een positief effect op de stemming, wat dan weer te maken heeft met een vlotter verkeer van boodschapperstoffen in de hersenen. Ouderen die sporten verliezen bijvoorbeeld ook minder hersenweefsel in die gebieden van het brein die verantwoordelijk zijn voor alles wat met plannen en met het bedenken van strategieën te maken heeft. Voor velen is het ongetwijfeld ook herkenbaar dat sportactiviteit angstreducerend werkt. En angst is nu net een emotie die vaak op onbewuste wijze onze gedragingen bepaalt. Nog eentje: onderzoek aan Duke University bij depressiepatiënten tussen de 50 en de 77 heeft aangetoond dat drie keer per week snel wandelen na vier maanden precies hetzelfde effect had als het nemen van een antidepressivum. Wat meer is: na een jaar toont de vergelijkende studie aan dat een derde van de patiënten die een antidepressivum had gekregen en niet was gaan sporten, terug hervallen was. Bij het sportende en medicatievrije deel van de andere onderzochte groep, bleek dat 92% van hen zich nog goed voelde na een jaar. Als de aloude vraag van de filosofie naar het goede leven geactualiseerd mag worden, dan moet ze met dit alles grondig rekening houden, lijkt me. Levenskunst en zelfzorg richten zich dan ook op het brein.        

Toen een neurowetenschapper in het kader van hoger genoemd samenwerkingsverband aan een groep boeddhistische monniken vroeg naar de hun fysieke activiteiten, wreven enkelen onder hen mild over hun ronde buik. Ik wil maar zeggen: niemand is perfect hoor.