De kunstenaar als filosoof. Yves Velter en het gesprek dat we zijn.

Hoe gaat een kunstenaar in gesprek met de wereld? Hoe doet een filosoof dat? Doen zij dat op vergelijkbare wijze? Ik zie zowel kunst als filosofie als manieren van verhalen vertellen en als vormen van verbeelding. Filosofie en kunst gaan over onze verbeeldingen. Altijd in het meervoud. We gaan nog een stapje verder: filosofie en kunst gaan over verbeeldingen die voorafgaan aan de gesprekken waarmee onze levens vorm en betekenis geven. Ze leggen die verbeeldingen bloot, brengen ter sprake wat doorgaans voorbewust en onuitgesproken aanwezig is. Die stil sluimerende verbeeldingen en verhalen dragen onze manier van denken en handelen. Ze gaan altijd over de mens in het meervoud. Er is niet één verbeelding, niet één verhaal waarmee we het gesprek met de wereld aanvatten, het gesprek dat we zijn.

De Oostendse kunstenaar Yves Velter belichaamt bovenstaand perspectief op kunst op eminente wijze. Zijn kunst is filosofie. Zijn kunst is een verbeelding van een manier van in de wereld zijn die radicaal, ten gronde, verschilt van het verhaal dat ons doorgaans verteld wordt en dat egocentrisch is. Velter toont dat ons ikgeen centrum is, maar een vloeiende gedaante. We vloeien omdat we voortdurend in gesprek zijn. Beïnvloeiingenis de fantastisch mooie titel van een boek met en over het werk van Yves Velter. 

Hoe begint een gesprek? Vaak gebeurt dat met een vraag. Hoe eindigt een gesprek? Met een al dan niet bevredigend antwoord zal u zeggen. ‘Hé, hoe gaat het met je?’ ‘Met mij alles oké, met jou toch ook?’ En we gaan weer op weg. Of ik ga naar de dokter, leg zo goed mogelijk uit met welke symptomen ik te maken heb en hoop op een afdoende werkende remedie. En ik ga weer op weg. Ik hoop met mijn vraag naar genezing een antwoord te krijgen van de dokter dat meteen een einde mag betekenen van ons ‘gesprek’. De weerstand van mijn ziekte is dan gebroken. De arts in kwestie heeft daartoe kunnen teruggrijpen naar oplossingen die als objectief juist en verifieerbaar kunnen te boek staan. Zij of hij gebruikt een techniek die methodisch herhaalbaar zou moeten zijn. En dat is maar goed ook.

Maar kunnen we onszelf als subject altijd en overal zo zien? Dat kan. Is dat goed? Neen vind ik. Voor filosofen en voor kunstenaars zouden gesprekken eigenlijk nooit mogen eindigen. Yves Velter antwoordt in zijn werk altijd met vragen. Of hij begint met een vraag die een antwoord oplevert dat zelf weer een vraag is. It begins with a questionis een werk van hem uit 2015. 

De man heeft geen herkenbaar gelaat. Hij is niet transparant voor ons. Yves Velter gebruikt vaak handgeschreven teksten van een dame die aan autisme leed. Hij vond die terug na haar overlijden. Ze schreef brieven aan publiek bekende personen in een taal die – eufemistisch gezegd – eigenzinnig en hermetisch was. Dat zie ik als een extreem doorgetrokken uiting van wat wij allen voortdurend doen in onze gesprekken en in onze manieren om onszelf te laten verstaan in een gesprek. Wat we zeggen, hoe wij tot betekenis en zin komen, hoe we verstaan heeft altijd een moeilijk doordringbare dimensie. Elke uitspraak zou moeten afgepeld worden om de complexiteit en volledigheid van wat gezegd wordt te kunnen vatten. ‘Lees mij, maar lees mij niet op het eerste gezicht’, dat lijken Velters personages te vragen. In andere werken vervangt hij het gelaat door bordkarton dat de achterkant vormde van een kast die jarenlang in de woonkamer van de kunstenaar prijkte. Zij was de stille getuige van de vele gesprekken die er in die kamer gevoerd werden. Zoals wij altijd in alles wat we zeggen en doen die stille getuige van alles wat voorafging in ons meedragen en mee ons spreken laten bepalen. Het bordkarton vertoont gaatjes. Alsof we slechts mondjesmaat en altijd partieel kunnen toegang krijgen tot de persoon die spreekt. En dat gesprek vraagt om nabijheid, intimiteit haast. 

Yves Velter is een minzaam man. Zijn werk komt minzaam en sober over. Maar tegelijkertijd is het ook dwingend. Het irriteert zelfs: je moét vragen. En: weten dat nooit een definitief antwoord komt. Dat dit zelfs niet wenselijk is. Een werk uit 2004 heet Holzwege. Dat is ook de titel van een bundel van de Duitse filosoof Martin Heidegger. Holzwege zijn weggetjes in het woud die bijvoorbeeld ontstaan door hout te gaan sprokkelen. Dat is een zoeken dat niet methodisch is. Het tast een omgeving af en heeft geen eindpunt. Sprokkelen gaat niet van a naar b, maar gaat overal en op onbepaalde wijze. Dat doet de filosoof, dat doet de kunstenaar. De weg is nooit af, het gesprek eindigt nooit. We vertrekken bij a, komen nergens en overal, maar zijn wel anders geworden. We zijn beïnvloeiddoor anderen, door een omgeving, door vragen die antwoorden opleveren die vragen worden. 

De figuren van Yves Velter lijken quasi altijd in gedachten verzonken. Ze denken, maar het zijn geen cartesiaanse denkers: het denkende ik dat aan alles twijfelt en uiteindelijk toch zekerheid meent te vinden in dat allereigenste cogito, los van de wereld daarbuiten. Bij Velter is er geen buiten. Het ik is in de wereld, de wereld in het ik. In elkaar vloeiend. In genoemd boek, Beïnvloeiingen, ziet psychiater en psychoanalist Mark Kinet een verband met dat cartesiaanse egobij Yves Velter. Ik citeer: ‘Ook René Descartes schortte met zijn methodische en hyperbole twijfel alle traditioneel en/of vooraf bestaand weten op om op zoek te gaan naar idées claires et distinctes waarop hij filosofie en wetenschap kon funderen. Resultaat was zoal bekend zijn cogito ergo sum. Is de démarche van Yves Velter van dit alles niet een soort beeldend equivalent?’ Ik zou daar graag tamelijk overtuigd ‘neen’ op antwoorden. Yves Velter doet volgens mij net het omgekeerde. Hij bevraagt zeker een vooraf bestaand weten, maar zal en wil nooit tot idées claires et distinctes komen en al zeker niet tot een fundament. De mens heeft geen fundament. We vloeien. Zie ook hoe vaak de zee terugkomt als motief in Velters werk. Een schrijftafel of de tafel waar een gesprek plaats heeft, krijgt als tafelblad een golvende zee mee bij Velter. Zie zijn Optimized gaze of hesitation (2013).

Zijn figuren zijn geen subjecten die vanuit zichzelf de wereld menen te kunnen vatten op een heldere en duidelijke wijze. Bij Velter is er enkel het tussen, een voortdurend opnieuw geladen spanning van de urgentie om te vragen en de confrontatie met de afwezigheid van definitieve en eensluidende antwoorden. Hettussenis een tasten. De spiegel die Velter ons voorhoudt is bordkarton met gaatjes. Er zit heel veel Nietzsche in Velter: ‘Dolen wij niet als door een oneindig niets? Ademt ons niet de lege ruimte in ons gezicht?’

Dat is het verhaal dat Velter over ons vertelt, de verbeelding ook die we misschien liever niet zien. Filosofie en kunst mogen best voor enig onbehagen zorgen. Met alle andere vragen gaat u gewoon naar de dokter.

Werk van Yves Velter is momenteel en nog tot 10 juni te zien in Kortrijk in de Paardenstallen. Titel: Soul Contractions.        

Zichzelf verliezen. Over sport, kunst en seks


Intro

Deze morgen trok ik naar Brussel waar aan mijn alma mater, in samenwerking met Humanistisch Verbond Brussel en georganiseerd door onze studente Merel Thijs, een studiedag doorging onder de titel Van consumeren tot beleven.  Het moest een ‘pitch talk’ worden – horreur voor wie van diepgang en traagheid houdt – van tien minuten. Omdat powerpoints en aanverwante fenomenen nooit doen wat ik wil dat ze doen en omgekeerd, schreef ik mijn tekst volledig uit, helemaal gedisciplineerd dòòr en overgeleverd ààn die temporele beperking. Gelukkig was ik daar niet mee, maar we zouden wel zien. 

            Zoals mijn goeie gewoonte het wil, stapte ik van Brussel Centraal naar de VUB, een kleine vijf kilometer. Op mij heeft dat ongeveer het effect van Redbull drinken. Of althans wat de reclame voor dat drankje belooft. Op de Kunstberg bleek de doorgang afgesloten. Ik kon de Koningstraat niet oversteken om door het Warandepark te wandelen zoals ik gebruikelijk doe. Dus begon ik rond het park te stappen, ritmisch begeleid door een jazzband die op dat prille uur the Saints al liet binnenmarcheren. Dat voelde lekker. Het jazzritme noopte mij tot een iets snellere pas. En zoals genoemde reclame belooft, kreeg ook mijn denken vleugels. 

            Die morgen had ik in het weekblad Knackeen citaat gelezen van auteur Brett Eason Ellis die in het Duitse tijdschrift Focushad gezegd dat vrijheid betekent niet langer te geven om wat mensen van je denken en bovendien, ik citeer: ‘En je verlossen van de last die seks is’. Plots besefte ik dat ik mijn uitgeschreven verhaal beter weggooide en mezelf geestelijk gevleugeld de vrijheid gaf van een spontaan opborrelende pitch. Dat die ideeën zich vriendelijk aan mij opdrongen tijdens een stevige wandeling is natuurlijk geen toeval. Zoals voor vele anderen krijg ik mijn beste ideeën altijd tijdens het hardlopen, wandelen of fietsen. Dat wou ik ook kwijt in mijnpitch: dat het lichaam het eerste is en dat daar onze betekenis- en zingeving een aanvang krijgt.

            Wat Brett Easton Ellis hierboven zegt gaat regelrecht in tegen wat ik zelf verder nog hoopte kwijt te kunnen in mijn pitch. De man (van wie ik overigens meerdere romans met plezier heb gelezen) schijnt te suggereren dat vrijheid iets is dat je op je eentje tot stand kan brengen enerzijds en anderzijds dat seks vrijheidsbeleving in de weg staat. Ik ken de context van dat citaat niet en ik weet dus ook niet wat Ellis kan gemotiveerd hebben, maar als ik het zo contextloos lees, lijkt dit mij helemaal de uitdrukking van een beeld dat ons al eeuwen gevangen houdt. Dat beeld is ons geleverd door wat de cartesiaanse traditie kan heten en waarbij het ‘ik’ meent abstractie te kunnen maken van de haar of hem omgevende wereld en vanuit de eigen geestelijke bovenkamer monologisch, eenrichtingsgewijs betekenis zou kunnen geven aan die wereld. Tussen ik en wereld zit er dan een afstand. Die afstand laat het subject toe de objecten buiten haar of hem beheersend, berekenend te benaderen met de ratio als instrument. Die traditie werkt dus top-down. Het geestelijke staat een trapje hoger dan het lijfelijke en emotionele. Een beetje kort door de bocht: dat ‘ik’ zou dus niet geaffecteerd, geraakt worden door al het omgevende, waartoe ook andere mensen behoren.

Ik denk echter dat we veel beter uitgaan van het primaat van de lichamelijkheid. Hoe we de wereld verstaan is primair een zaak van ons lichaam. Mijn lijf is mijn primaire toegang tot de wereld. Aan de hand van drie menselijke activiteiten – sport, kunst en seks – wil ik tonen waarom dat lijf van ons een primaire rol mag krijgen. In zekere zin stellen deze activiteiten op scherp wat wij voortdurend doen in ons dagdagelijkse leven. Die drie terreinen tonen voor mij het ongelijk van een hele, westerse, traditie en van een denken dat uitgaat van de mens als rationeel wezen, waarbij wij ons mens-zijn in termen van enkele dualismes verstaan: geest-lichaam en ratio-emotie bijvoorbeeld. 

Mijn pitch begon ik vervolgens met de wat provocerend bedoelde uitspraak dat wij ons niet seksueel bevrijd kunnen noemen, zolang we ons niet bevrijden van dat beeld. De genoemde dualismen, waar ook de koppels man-vrouw en natuur-cultuur toe behoren, houden immers een hiërarchische relatie van dominantie en beheersing in. Het ene deel van het koppel voelt zich dan misschien wel vrij, van het andere kan dat niet gezegd worden, gezien de ondergeschikte rol. Het monologische, éénrichtingsgewijze denken kan geen andere uitkomst kennen. 

Wat betekent nu dit primaat van de lichamelijkheid? Bekijk de drie genoemde activiteiten.

Sport

Als ik met mijn racefiets door Westvlaamse polders snel, dan zijn mijn fiets en ik één. Ik versta mijn wereld op dat moment zonder dat ik die fiets moet objectiveren, een ding dat los zou staan van mij. Er is geen afstand tussen ons. We schatten samen een bocht in, we reageren samen op onverwachte hindernissen, ik hoef niet bewust na te denken over hoe ik mijn versnellingen schakel: mijn lijf en het tweewielige verlengstuk daarvan voelen dat aan zonder nood te hebben aan rationele overwegingen. Dat is wat wij voortdurend doen. Loop door deze zaal (remember: ik ben aan het pitchenJ) en je lijf beslist voor jou hoe je stoelen ontwijkt, hoe je gevat de deur opent en vervolgens even organisch bepaald de trappen op- of afloopt. Bekijk hoe voetballers, al dan niet top-, in een flits van een seconde een beslissing nemen over hoe de bal in doel te trappen vanuit een onmogelijk geachte hoek. Bekijk het spel van tennissers en hoe ze op onmiddellijke wijze de grootte van het veld inschatten of de hoogte van het net. Wat eigenlijk wil zeggen: ze beslissen niks. De voortdurend intieme dialoog van hun getrainde lijf met bal en omgeving zorgt voor het beste antwoord op die door het spel opgeroepen vraag: scoor! Fietsend doe ik niets anders. Ik ben één met mijn fiets, ik ben één met die omgeving. Onze dialoog is altijd onmiddellijk, dat wil zeggen: onbemiddeld door de ratio en dus niet-afstandelijk. 

Kunst

Tijdens het schilderen praktiseert de kunstenaar een soort van magische theorie van het zien. Hij ondervraagt de dingen en zorgt voor een haast koortsachtige genese ervan in het lijf. Zo worden al onze kenniscategorieën door elkaar gehaald. ‘Essentie en existentie, het imaginaire en het werkelijke, het zichtbare en het onzichtbare, de schilderkunst vervaagt al onze categorieën door haar droomwereld te ontvouwen van lijfelijk aanwezige essenties, van treffende gelijkenissen van stomme betekenissen’, zo zegt de Franse fenomenoloog Maurice Merleau-Pont dat in Oog en geest. Merleau-Ponty citeert Max Ernst die stelde dat de rol van de kunstenaar erin bestaat datgene voor te stellen wat zichzelf ziet in hem, net zoals een dichter schrijft onder dictaat van datgene wat zich denkt in hem. Eén van mijn lievelingspoëten, Leonard Nolens, schrijft dat ergens in een dagboeknotitie: woorden denken zich in mij. Hij ziet zich dus niet als de bron van die woorden, zijn poëzie is geen monoloog vanuit zijn rationeel werkende brein naar de wereld toe. Het gaat om een dialoog waarbij die woorden vertrekken wat iets wat er al was en dat dus voorafgaat aan het verkeerdelijke veronderstelde autonome en individuele bedenken van die woorden.

Merleau-Ponty zegt nog dat het zien van een schilder geen blik is die zich richt op iets buiten hem. De wereld staat niet voor hem, hij representeert de wereld niet. Veeleer is het zo dat de kunstenaar geboren wordt in de dingen. Het zichtbare komt er tot zichzelf. Een schilderij is geen afbeelding van iets, eigenlijk is het een afbeelding van niets. We krijgen er te zien hoe de dingen dingen zijn en de wereld wereld. Er kan geen sprake zijn van een breuk tussen wat de schilder op het doek aanbrengt en de wereld. In de verstrengeling van kunstwerk en wereld manifesteert het sprakeloze zijn eigen zin. 

Liefde en seksualiteit

Voor dit deeltje diep ik een tekstje op dat ik al eerder opnam in mijn boek De zinnen van het levenen dat ik een eerste keer schreef als bijdrage aan een tentoonstelling rond identiteit. De liefde voor mijn vrouw inspireerde mij hier ten diepste. 

Dat ging zo: ‘”Voor het eerst in mijn leven heb ik het gevoel in een relatie echt mezelf te kunnen zijn”. Dat zei ik enkele maanden (intussen is dat drie jaar, MVdB) geleden tegen de vrouw met wie ik kort voordien getrouwd was. Achteraf gezien had ik op een vanuit filosofisch perspectief gezien veel minder problematische wijze mijn grote liefde voor haar kunnen uitdrukken. Wat zou dat immers kunnen betekenen, “mezelf” zijn, laat staan dat “echt” te zijn? Identitair essentialisme heet dat vermoedelijk. En toch: ik meende dat. Nog dagelijks zou ik dit kunnen herhalen, zonder daarbij door enigerlei vorm van twijfel bevangen te worden. Wat meer is, ik voel dat ook écht zo aan. Ik kan mezelf zijn. Tegelijkertijd: niet eerder heb ik “mezelf” zozeer “verloren” in een ander als nu. Is dat niet een heerlijke paradox? Bestaat mijn gevoel van identiteit erin mezelf te verliezen in een ander en dat meteen ook als voorwaarde te zien om mezelf te vinden? Ik ben mezelf in een ander. Door haar ben ik een ander geworden. Met name ben ik mezelf geworden. Merkwaardig. Wie of wat was dan mijn zelf voor ik het vond in dit verlies in een ander? Had ik mij dan nooit eerder verloren in een ander? Had ik mezelf dan voordien nooit gevonden? Had ik dan niet eerder mezelf kunnen zijn? Wie zou ik dan geweest zijn? Filosofisch gezien is dit best prikkelend. En zo wars van een hoofdtendens in ons denken: het waanidee zekerheid en zo identiteit in zichzelf te kunnen vinden. Mijn zelf kàn echter nooit in mezelf zitten. Ik vind mezelf buiten mezelf. ik vind het in een tussen. Het tussen van mijn relatie met anderen. Dat tussen dat nooit identiek kan zijn en toch mijn identiteit vormt. Mijn zelf is altijd anders in de ander die mij mezelf doet zien. Mijn blik is niet de mijne. Mezelf zien is mezelf zien in een voortdurende dialoog met wie betekenisvol is voor mij. Die ander die mij betekenis geeft, die ander in wie ik betekenis vind en die mij om betekenis vraagt. We spelen een dialogisch spel, een spel van vraag en antwoord. Elk antwoord wordt opnieuw vraag. Antwoord. Vraag. Antwoord. Wie ben ik? Ik ben jou. Ik ben ons. Ik ben mezelf en niet mezelf. Ik word nooit mezelf. Altijd word ik mezelf. Ik hoop mezelf nooit te vinden. Ik hoop mezelf altijd te vinden. Altijd opnieuw. Altijd anders.’ 

Tot daar dat eerder geschreven fragment. De ander is er de spiegel waarin ik mezelf mag blijven zoeken. En verliezen en vinden. Telkens opnieuw ben ik anders mezelf, ben ik zelf anders. Ben ik mezelf. Trek dit door naar het erotische spel en zie dit als uitdrukking van een oorspronkelijke communicatie die een dialectische verhouding tot de ander opent. Die verhouding kan op velerlei wijzen gestalte krijgen, gaande van verlangen en gemis naar het opheffen van het gescheiden zijn in de seksuele vereniging. Feit is dat hier een gemeenschap met twee wordt gevormd, waaraan we samen werken en deelhebben. Wat precies het aandeel van het seksuele element hierin is, valt niet vast te stellen. Wat eerst een seksuele betekenis leek te hebben, kan een veel omvattender betekenis aannemen. Uiteindelijk gaat het dan om een queeste naar zin, vanuit en dankzij een openheid voor de ander. Ik reageer op de ‘roep’ van de ander, die een ervaring is van een lijfelijk aangesproken worden. Ik ‘versta’ erotisch, wat niet tot de orde van het cognitieve verstaan behoort. Kent u die ervaring van twee lichamen die elkaar perfect lijken te verstaan? Daar komt geen rationele bemiddeling bij te pas. Zoals de woorden van Nolens lijkt het lijf van die ander al in mij te spreken. Onze lijfelijke dialoog is quasi een gedicht dat zichzelf schrijft.  

Dat is vrijheid. Dit is voor mij een bevrijde seksualiteit. Een bevrijding van het hiërarchische, berekenende, bezittende, dominerende denken. Bij seks gaat het lijf gaat zich totaal manifesteren en lijkt zich zelfs van de buitenwereld af te snijden. De seksuele handelingen, de tedere aanrakingen leiden tot een gehele identificatie, een versmelting met het lijfelijke. Tederheid vraagt om wederkerigheid, om gemeenschappelijke lijfelijkheid. Twee mensen verlijfelijkenzich op wederkerige wijze. Datgene wat begeerd wordt, is over de vervulling van de eigen begeerte heen, het begeren van de ander: ik begeer dat zij of hij mij begeert. In de seksualiteit neigt dit wederkerige zijn-voor-de-ander naar een totalisering, waarin de ander ophoudt de ander te zijn. En ik ophoud mezelf te zijn. Tegelijkertijd: mezelf te worden. Telkens opnieuw. 

Zo gezien: zich van de mening van anderen bevrijden is zich opsluiten in zichzelf. Denken dat vrijheid betekent zich van de last van seks te bevrijden, ontzegt zichzelf de meest uitgesproken dimensie van hoe wij als mens lijfelijk tot een verstaan vàn en betekenisgeven ààn onszelf, de ander en de wereld komen. En ziet niet dat die niet te scheiden vallen.

Laudatio Rudi Vranckx

De vraag waarom Rudi Vranckx bij uitstek dit eredoctoraat verdient van onze door humanistische waarden en ideeën gestuurde universiteit laat ik hem zelf beantwoorden. Ik doe dat met enkele citaten uit zijn boek ‘Mijn kleine oorlog’, over zijn ervaringen aan het front, verspreid over dertig jaar professionele activiteit.
‘Journalistiek is slechts een middel om een doel te bereiken: een rechtvaardige en eerlijke samenleviung, zonder geweld of haat’.

Met een vraag om alertheid:
‘Het geeft me de kans om mensen in het Westen nog even uit hun lethargie te halen’.
Na de moord op Yitzah Rabin in 1995: ‘Ik besef dat journalistiek meer is dan het koel beschrijven van feiten, met oorzaak en gevolg. Hart en hoofd zullen nu altijd verbonden blijven’.
Na een zoveelste gruwelverhaal op de Westelijke Jordaanoever: ‘Toch zal het ooit anders zijn, omdat het niet anders kan’. Geen cynisme bij Rudi Vranckx, wel blijvende hoop.
Of hij laat anderen aan het woord. Hij citeert dr. Mukwege, Nobelprijs voor Vrede in 2018: ‘Ik ben boos en vooral ontgoocheld. Ik heb in Europa gestudeerd en jullie lieten mij dromen van een andere wereld. Hoe kunnen jullie het hoofd dan afwenden van wat hier gebeurt? Ik ben diep ontgoocheld. Ik had me nooit kunnen indenken dat een beschaafde wereld als die van jullie zomaar kan toekijken. Niemand kan zeggen dat hij het niet weet, niet na al die jaren. Die stilte, waarom?’
En dan twee uitspraken van Vranckx een beetje verder in het boek: ‘Laten we in onze pogingen om grenzen te trekken ook vooral niet vergeten om onze morele grenzen te bewaken’. En, bij het zien van nog maar eens een hele reeks lijkzakken: ‘Dat is het minste wat wij kunnen doen: opnieuw mensen van hen maken’.

Ik citeer deze fragmenten ook omdat het uw stem is, mijnheer Vranckx, die niet op deze manier kan spreken voor de camera. Het is de mens achter de journalist, de mens die we niet zien op televisie.
De combinatie van deze citaten tonen een journalist die niet toestaat dat z’n denken onderworpen wordt, noch dat van anderen en die dat weigert om redenen die een diepmenselijke bekommernis uitstralen voor mens en wereld en voor de grote diversteit waarop mensen met hun werelden omgaan. Ik kon zelf geen beter antwoord bedenken dan door de heer Vranckx zelf aan het woord te laten, wat voor één keer de rollen omdraait. Doorgaans is hij het immers die mensen een stem geeft die vaak niet of veel te weinig gehoord worden. Lectuur van uw boek, mijnheer Vranckx, heeft mij expliciet getoond door welke ethische en filosofische gedrevenheid u zich laat leiden. Mag ik mijn grote bewondering en respect hiervoor uitdrukken als filosoof en als ethicus die zich in zijn academische werk graag laat inspireren door mensen zoals u die dit op het terrein belichamen.

Tot slot: Vranckx’ kleine oorlog is een oorlog voor vrijheid van denken en spreken, voor persvrijheid.

De esthetica van de sport

Dat ik met mijn VUB-collega Jean Paul Van Bendegem nog eens schrijvenderwijs in debat zou gaan over sport, laat staan over een wereldrecord per velo, ik had het nooit of te nimmer durven verwachten. Jean Paul schreef een blog onder de titel De maakbare fietser, https://www.humanistischverbond.be/blog/127/de-maakbare-fietser/.

Hij formuleerde er een aantal bedenkingen bij het werelduurrecord dat de Belgische hardfietser Victor Campenaerts een paar dagen eerder had gevestigd in Mexico. Ik ga hier niet in op die bedenkingen om de tamelijk eenvoudige reden dat ik het er nagenoeg helemaal mee eens ben.
Op het einde van zijn blog verwijst Jean Paul Van Bendegem naar een opiniestuk dat hij pas na het neerschrijven van zijn sportbeschouwingen onder ogen had gekregen. Dat opiniestuk was mij gevraagd door een redacteur van De Standaard en zou ik nooit hebben geschreven als die vraag er niet was gekomen. Ik heb namelijk niks met records en ik vind recordjacht zelfs een giftig aspect binnen wat ik als een mij sympathieke benadering van het sportgebeuren beschouw. Dat heb ik eerder al uiteengezet in mijn boek Sport als levenskunst. In dat boek probeer ik een visie op sport te formuleren die niet uitgaat van berekenbaarheid en meetbaarheid, dus niet van kwantitatieve elementen, maar van de kwaliteit van de beleving. Records hebben daar geen uitstaans mee.
In mijn opiniestuk in De Standaard wou ik iets schrijven dat wel mijn appreciatie uitdrukte voor wat die besnorde jongeling daar had gepresteerd op Mexicaanse hoogten, zonder daarmee in tegenspraak te komen met mijn eigen kritische bedenkingen bij sport als jacht op de beste of hoogste cijfers. Ik schreef dus iets over de esthetica van een record, intussen ook te lezen op mijn website: https://www.marcvandenbossche.be/category/sportblog/. Jean Paul Van Bendegem had het over een humanistische kijk op de sport. Zo zou ik mijn benadering ook willen omschrijven. Waarom?
In mijn werk als filosoof ga ik uit van het primaat van onze lichamelijkheid. Wij zijn vooreerst als lichamelijke en emotionele wezens in de wereld. De ratio komt pas in tweede instantie en vormt eigenlijk het topje van een ijsberg die voor ons bewuste denken grotendeels opaak is. Ons lichaam denkt vaak voor ons, we worden even vaak lichamelijk en emotioneel gestemd door omgevingsfactoren. Evolutietheoretische overwegingen spelen daar een eminente rol. Als ik nog een boek van mij mag noemen: in De zinnen van het leven ga ik van dit primaat van de lichamelijkheid uit om iets te kunnen vertellen over hoe wij als mensen tot zin en betekenis komen in dat eindige bestaan van ons. Geen enkele hogere, laat staan goddelijke instantie, heeft daar een rol.
Die benadering bestempel ik, met de Amerikaanse filosoof Mark Johnson, als bottom up, wat staat tegenover het top down perspectief dat uitgaat van een verticaal boven ons te situeren instantie. God bijvoorbeeld of een transcendentale Rede. Dat perspectief mag ook nog het predicaat ‘esthetisch’ krijgen, dat in dit geval de plaats inneemt van het predicaat ‘kentheoretisch’. We zijn in de eerste plaats op een esthetische wijze in de wereld, het kentheoretische of epistemologische aspect komt daar pas in tweede instantie bovenop.
Wat heeft dat nu met de sport te maken? Ik vergelijk sport hier graag met kunst. De kunstenaar doet allerlei zeer crteatiefs en innovatiefs met materialen allerhande, maar doet daarbij eigenlijk niet veel anders dan wij wij met z’n allen voortdurend doen in ons alledaagse reilen en zeilen en in confrontatie met de vragen die de wereld ons stelt. Kunst is in die zin een op de spits drijven van ‘gewone’ vaardigheden. Zoals ook bijvoorbeeld poëzie dat doet met ons ‘gewone’ taalgebruik. Voortdurend bedenken wij metaforen, maar poëten bedenken er betere.
Dat zie ik dus ook in de sport. Sportmensen doen dingen die wij vaak doen in onze gebruikelijke praktische omgang met de wereld. Lichamelijk bedenken wij constant een respons op de vragen die uitgaan van de omgeving waarin wij ons bewegen. Net als alle diersoorten dat doen. Als ik het had over de ‘esthetica van een record’, dan bedoelde ik ook dat. Wat Jean Paul Van Bendegem ‘de maakbare fietser’ noemt, is de fietser die zich zo goed mogelijk afstemt op een omgeving. Lucht- en rolweerstand, zithouding, het juiste aanvoelen van de eigen reserves, dat alles wordt afgestemd op dat ene doel: zoveel mogelijke kilometers bollen op een uur tijd. Kwestie van het zoeken naar een optimale efficiëntie. Dat is op zich niet anders dan hoe ik onlangs een lange wandeling maakte bij hevige wind en regen en mij met de paraplu wou beschermen tegen de – in dat geval – ongure elementen. Ook daar zoek je het beste antwoord op de uitdaging waarvoor de omgeving je stelt. En wetenschap en techniek maken voor Campenaerts nu inderdaad heel wat meer mogelijk dan voor Eddy Merckx zoveel jaar geleden. Campenaerts haalt nu betere en hogere cijfers, maar vanuit kwalitatief en esthetisch opzicht deed Merckx natuurlijk niet onder. Beiden kwamen tot dat moment van voldoening en vervulling: een lang aangehouden voorbereiding die resulteert in een esthetisch te smaken hoogtepunt. Zoals ik ook nog net mijn trein haalde na die doorregende wandeling.
En wat collega Van Bendegem doet met zijn wandelingen in Gent beschouw ik als een fijne invulling van die visie van sport als levenskunst.

De esthetica van een record

Ik geef toe: naar het einde van dat fabelachtige wieleruur van Victor Campenaerts schoof ik ook – door lichte nervositeit bevangen – iets meer naar voren in de zetel, hopende dat niet enkel het record van Wiggins aan diggelen ging, maar ook de grens van de 55 kilometer. Dat klinkt anders en beter dan als de besnorde jongeman pakweg negentig meter minder onder de wielen had laten wegrollen. We zijn zo ontzettend veel en graag met cijfers bezig en sport is daarin niet veel anders dan ons maatschappelijke reilen en zeilen in het algemeen. Cijfers maken dingen uniform en vergelijkbaar. In de sport brengt dat een ontkenning van onze eindigheid met zich mee. Op records jagen heeft in die zin iets pervers. We ontkennen fysieke grenzen: waar houdt de recordjacht op? Als we die grenzen al niet op artificiële en zelfs ontoelaatbare wijze pogen te verleggen.
Een record drukt de kwantiteit van een sportieve prestatie uit. We moeten meten en berekenen om een atleet de beste te kunnen noemen. Prestaties worden op die wijze objectiveerbaar. Dat is best oké. Het zorgt er wel voor dat sport louter met interne maatstaven wordt beoordeeld. Maar misschien valt er wel wat meer over te zeggen, bijvoorbeeld over de existentiële en zelfs esthetische dimensie van sport in het algemeen en het neerzetten van records in het bijzonder?
Bekijk nog eens die beelden van Campenaerts, daar op Mexicaanse hoogten. In een sfeer van quasi gewijde stilte jaagt de man quasi metronomisch de pedalen rond in een zo consequent mogelijk volgehouden lijn. Een keer per ronde van 250 meter tilt hij licht het hoofd op om de aanwijzingen van de coach te monsteren. Hoe hij op de fiets zit klopt tot in de kleinste details, zoals in een schilderij elke penseelstreek die plek moet krijgen en geen andere. Ik stel me in zijn plaats en hoor het gezoem van het ritme dat hij aan de piste ontlokt. Dat moet een flow geven: iemand gaat op in een activiteit van opperste concentratie. En van versmelting met een omgeving. Wie intensief aan sport doet, en zeker bij het wielrennen is dat het geval, weet dat het individu niet te scheiden valt van het tuig dat hij bestuurt. Fiets en renner zijn één. Renner en omgeving zijn één. We bewegen ons in een wereld en antwoorden voortdurend op de vragen of eisen die van een omgeving uitgaan. Renners of andere sporters spitsen dat op bijwijlen extreme wijze toe. Sport is een beeld van onze dagdagelijkse manier van in de wereld zijn, maar dan aangescherpt en uitgepuurd. Sport is een existentie op de grens. Die grens kleurt de kwaliteiten waarmee we een leven vorm en betekenis geven.
Maandenlang heeft Campenaerts naar deze prestatie toegeleefd. Van een stage in Namibië tot drie weken acclimatiseren in Mexico, elk van zijn activiteiten werd gedragen door die hoop op het voltooien van dat kunstwerk dat hij zou neerzetten op 16 april. We kennen dat gevoel van voltooiing ook wel van minder spectaculaire handelingen. Een taak voltooien, iets af maken, geeft vaak een gevoel van esthetische voldoening. We hebben naar iets toegeleefd dat ons een tijdlang heeft gestuurd, dat betekenis gaf aan wat we ondernamen, alleen of met anderen. Dat toeleven naar het moment van esthetische voldoening geeft zin aan een leven. Sport toont dat ook weer op uitvergrote wijze, al zal het zelden zo beschreven worden. Het gaat er niet om cijfers, niet om kwantiteit, maar om kwaliteit, om de vorm die een leven krijgt, om de zin waardoor het gedragen wordt. Dat is wat mij als filosoof in het sportgebeuren aantrekt. Dat is wat Victor Campenaerts hier een uur lang meesterlijk in de verf heeft gezet. Dat uur vormde het moment van esthetische voldoening en voltooiing van een minutieus voorbereid werk.
We ervaren veel in ons leven, maar er zijn ervaringen die eruit springen, ervaringen die een leven tekenen en die de uitkomst zijn, de voltooiing, van een reeks opeenvolgende ‘gewone’ ervaringen. Die ene ervaring geeft betekenis aan al wat voorafging en kleurt wat daarop volgt. Een kunstwerk geeft betekenis aan alle losse elementen waarmee het is opgebouwd en die op zich niet noodzakelijk zin- of betekenisvol zijn. Als sport een beeld van het leven kan opleveren dan zou het voor mijn part dat mogen zijn: het geduldige knutselen aan een proces dat uitmondt in esthetische voldoening. Dat is wat Campenaerts hier zeer scherp heeft getoond. Dat is wat sport ook kan doen in ons leven. Als filosoof boeit mij dat meer dan die grens van de 55 kilometer. Al zou ik die momenten van vervoering en empatisch opgewekte extase natuurlijk niet willen missen. Zelfs al gaat het dan om een weg te vegen cijfer.


Grenzen verleggen (bis)

Sportmensen en filosofen hebben minstens één vraag, lees: probleem, gemeen. Het gaat om een vraag of een probleem waar geen eensluidende oplossing voor bestaat. Je kan er alleen maar in het reine mee komen, je telkens opnieuw afstemmen op de onvermijdelijkheid ervan. Laten we het misschien eerder een uitdaging noemen dan een probleem of een vraag: de uitdaging die ons wordt gesteld door de eindigheid van ons lijf. Voor filosofen houdt die uitdaging in de euvele moed toch te durven gewagen van iets als een zinvol leven. Oké, we vertrekken dan ooit wel eens naar de eeuwige jachtvelden, maar ondanks dat nooit te vermijden vertrek, maken we er hier en nu, op deze ook al eindige aardkluit het beste van en we noemen dat zinvol of betekenisvol. En voor mijn part zwijgen filosofen er vervolgens best zoveel mogelijk over hoe je dat zinvolle accent op het verhaal van je leven kan neerpoten. Ieder zoekt de eigen maat.
Voor sportmensen geldt iets gelijkaardigs. Hun eindigheid is op het eerste gezicht minder dramatisch dan dood gaan, maar we weten allemaal zeer goed dat het daar bijwijlen minstens de schijn van heeft. Wat als ik niet meer kan sporten? Hoe zinloos zou dat leven er dan plots uitzien? In de filosofische verhalen die ik vertel heb ik het graag over datgene waardoor wij gedragen worden in het leven. Iets is onderliggend aan het overgrote deel van onze manier van denken en handelen. Sport en de zelfzorg die ermee gepaard gaat kan die dragende dimensie aanbrengen. Wie goed en fijn en bewust wil sporten laat zich sturen door wat daarvoor nodig is: oefening, voeding, rust, evenwicht… We laten toe dat sport zin en betekenis geeft aan ons leven, ook al gebeurt dit vaak op een onbewuste, quasi organische manier. Ons lijf heeft een eigen verstand.
Ik heb lange tijd niet meer over sport geschreven. Mijn laatste column voor deze pagina’s hier dateert van 8 oktober 2016. Dat is althans de dag waarop ik ze schreef. Ik probeerde daar – inderdaad – in het reine te komen met een hakkelend en tegenpruttelend lijf. Sport is fantastisch tof en leuk en boeiend, maar het kan ook wel eens gebeuren dat pijn al dat positiefs gaat overstemmen. Dan lijkt een grens bereikt. In die laatste column – die dezelfde titel had als de huidige, maar dan zonder (bis) – pleitte ik ervoor grenzen niet te zien als iets waar we een einde bereiken, maar integendeel als een plek waar iets nieuws begint. Kwestie van een ander perspectief te hanteren. Mijn column had toen wellicht iets therapeutisch’. Ik zocht een filosofisch doekje voor het bloeden. Existentiële EPO. Maar eigenlijk was ik een beetje afscheid aan het nemen. U vergeve mij dat ik mijn medische problematiek hier niet meteen open en bloot beschrijf, maar het nieuws dat ik in enkele weken tijd te verwerken had gekregen over de toestand van mijn botten en gewrichten en van mijn hart, maakten me toendertijd moedeloos. Het zou nooit meer worden als voorheen. Hardlopen zou ik niet meer kunnen. Fietsen zou blijven pijn opleveren en ging om cardiologische redenen liever bergaf dan bergop. En zelfs als ik mijn vrouw te diep in de ogen keek, begon ik mij al af te vragen of mijn hartfrequentie niet te lang in het rood ging.

Sportmensen en filosofen hebben minstens één vraag, één probleem gemeen. Het gaat om een vraag of een probleem waar geen eensluidende oplossing voor bestaat. Je kan er alleen maar in het reine mee komen, je telkens opnieuw afstemmen op de onvermijdelijkheid ervan. Wat hen verder verenigt, of dat althans zou kunnen, is dat ze die vraag blijven stellen, dat ze telkens nieuwe antwoorden bedenken, nieuwe oplossingen zoeken en zien, zich telkens opnieuw afstemmen op de onvermijdelijkheden die ’s mensen existentiële en sportieve wegen kruisen. Elke nieuwe grens biedt altijd en onvermijdelijk een nieuw perspectief, een nieuw uitzicht op een toekomst die je weliswaar anders invult, maar even zinvol, even betekenisvol. Ik citeerde in die colum van 8 oktober 2016 een fragmentje uit een gesprek dat ik tien jaar eerder met Marc Herremans had voor de krant De Morgen. Hij zei dat ons leven op een kaartspel lijkt. Soms krijg je goeie kaarten. Soms slechte. Maar met de kaarten die je krijgt, tracht je altijd het beste spel te spelen. Dat vind ik nog altijd een ongelooflijk schone wijsheid. Herremans heeft dat zelf fantastisch knap aangepakt.
Pas recent ben ik gaan beseffen dat ik ook ben blijven spelen met die kaarten die weinig goeds beloofden ondanks mijn initiële onheilsstemming na alle medische wanklanken. Ik las een tekstje van een oud student van mij. Hij beschreef hoe hij zich op zijn veertigste nu stukken beter voelt dan op zijn twintigste. Mede omdat hij beginnen sporten is. In de dromerige bui die volgde op het lezen van dat stukje tekst, stotterde ik – stilletjes in gedachten – iets gelijkaardigs: als ik verder ga als nu voel ik mij volgend jaar op mijn zestigste stukken beter dan eerder op mijn dertigste. Kwestie van afgeronde getallen te gebruiken. Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik nog zo goed en leuk en fijn kon sporten als nu. Ondanks de hoger beschreven carrosseriële en anderssoortige problemen.
En de zin om te schrijven kwam ook terug. Filosofen moeten dan misschien wel niet té expliciet aan anderen uitleggen, laat staan voorschrijven, hoe zij tot een betekenisvol en goed leven komen, maar ik mag misschien toch wel het verhaal doen over hoe ik tot deze grens-met-fantastisch-vergezicht hier en nu gekomen ben? En welk perspectief ik zie.
Dus dacht ik: schrijf aan de hoofdredacteur een vriendelijk bericht met de vraag of je terug je filosofisch-sportieve hersenspinsels kwijt kan op zijn virtuele pagina’s. Zeg dat je mensen wil tonen dat elke grens een nieuw begin kan zijn. Dat opgeven misschien niet hoeft ook al lijkt dat zo en ook al wordt je dat niet letterlijk aangeraden, maar je begrijpt het wel zo. Vraag hem of je een reeks sportblogs mag schrijven over je klauterpartij vanuit de peilloos lijkende diepte van de spreekwoordelijke lappenmand. Hoe je over het randje van de mand al na enkele maanden opnieuw de wenkende verte zag van veel en fijn en leuk sporten. Hoe dat misschien een beetje inspirerend kan werken voor de lezers hier. Beloof er gratis en voor niks wat levensfilosofie aan toe te voegen, dat is tenslotte je job. Als die hoofdredacteur die reeks nu liever ‘sportief dagboek van een koppige ezel’ noemt, zeg je dat dit ook goed is. Het verhaal gaat hoe dan ook over het leren luisteren naar een lijf. Hoe dat lijf vraagt: probeer dat eens of dat. En hoe dat wellicht afwijkt van de gebruikelijke regeltjes. Koppig. Eigenzinnig. Zeg maar. Ik ben geen toptrainer, maar een geschoold en professioneel werkzaam filosoof. Van een filosoof kan je leren dat de werkelijkheid altijd maar een mogelijkheid is. En dat er meerdere mogelijkheden zijn die je werkelijkheid kunnen kleuren.

De weg

In een interview in Knack Focus vertelde Peter Terrin eens over zijn bezigheden naast of buiten het schrijven. Hij blijkt een voorliefde te hebben voor het ‘verzamelen’, in casuhet verzamelen van oude schrijfmachines. Daarnaast, en hier gaat het mij natuurlijk om, zegt hij iets opmerkelijks: ‘Kilometers, dat verzamel ik op middelbare leeftijd ook, met mijn koersfiets, een schitterende machine, en dat zo veel en zo vaak als ik maar kan. Woorden en kilometers, ze wisselen elkaar af; ik ga elke dag op zoek naar buit’. 

Ik scheur het interview uit het tijdschrift en leg het op het stapeltje documentatie dat ik – nou ja – verzamelde om er uiteindelijk deze column uit te destilleren. Mijn fascinatie gaat al enkele weken uit naar het fenomeen van ‘de weg’. Elders in dit nummers begin ik mijn relaas over ‘mijn’ Ventoux met de opmerking dat wij in ons spreken vaak metaforen gebruiken die verwijzen naar onze lichamelijke manier van in de wereld zijn. Wat is een metafoor? Het is een beeldspraak waarbij een vergelijking wordt gehanteerd die letterlijk genomen nergens op slaat, maar die in figuurlijke zin veelzeggend is en die we allemaal begrijpen. Als we het hebben over ‘de weg naar wijsheid’, dan zal geen kat zich een beeld van die weg proberen voor de geest halen (een kasseibaantje, een snelweg?…), maar we snappen toch allemaal wat hier gezegd wordt. Je moet iets doen, je moet in beweging komen om die wijsheid te bereiken. Ze ligt niet hier en nu voor het rapen. De koersfiets van Peter Terrin, de weg naar wijsheid waar in het Boeddhisme wordt naar verwezen of de wandelingen van Aristoteles met zijn leerlingen: er is iets met wegen en wijsheid, met kennis zelfs. Lees De oude wegen, een schitterende bundel essays van Robert MacFarlane. Ik citeer: ‘Het pact tussen lopen en schrijven is bijna zo oud als de literatuur zelf – een wandeling is maar één stap verwijderd van een verhaal, en elk pad vertelt’.

Ik kende de naam van George Borrow niet voor ik het boek van MacFarlane las. Borrow legde in de jaren twintig van de negentiende eeuw duizenden kilometers te voet af. De man leerde op zijn tochten vele talen kennen. Naar verluidt sprak hij er op zijn achttiende al twaalf. Dat zouden er in de loop van zijn leven om en bij de veertig worden, waaronder het Nahuatl en het Tibetaans. In de winter van 1832 vroeg de British and Foreign Bible Societyhem om een onderhoud over de mogelijkheid de bijbel in enkele minder gebruikelijke talent te vertalen. Hij vertrok, te voet, vanuit Norwich en legde in zevenentwintig uur ongeveer honderdtachtig kilometer af. Zijn bevoorrading bestond uit een groot glas bier, een glas melk, een broodje en twee appels. Hij aanvaardde de opdracht het Nieuwe Testament in het Mantsjoe te vertalen, maar verzweeg daarbij wijselijk dat hij die taal niet kende. De man schafte zich een aantal boeken aan, reisde terug per koets en bleek drie weken later in staat aan de vertaling te beginnen. Ik schrik er niet van als ik lees dat Borrow de lange wandelingen ook gebruikte om zijn depressies te boven te komen. In 1867 wandelde ene John Muir ruim vijftienhonderd kilometer van Indianapolis neer de Florida Keys. Vijfentwintig jaar later werd The Sierra Clubopgericht. De clubleden werden geïnspireerd door Muirs overtuiging dat het lichamelijke contact van de wandelaar met de ongerepte wereld zowel wereld als wandelaar te goede kwam. Wandelen, op weg gaan, hebben van oudsher alle uitstaans met kennis in het algemeen en zelfkennis in het bijzonder. Wallace Stevens, een Amerikaanse modernistische dichter: ‘Misschien hangt de waarheid af van een wandeling rond een meer’. De Deens filosoof Sören Kierkegaard meende dat de geest optimaal functioneert bij een wandeltempo van 4,5 kilometer per uur. In zijn dagboek schrijft hij dat hij tijdens een zwerftocht zo door ideeën overweldigd raakte dat hij bijna niet meer kon lopen. Wandelen is dus niet zozeer een middel om tot kennis te komen, het is het voertuig van de kennis zelf. Een Apache-stam noemde alle vormen van nagedachtenissen, bijvoorbeeld verhalen of liedjes, gewoonweg ‘voetafdrukken’. Het Klinchon-volk uit Noord-Canada heft slechts één woord voor zowel kennis als voetafdruk. We denken met onze voeten, schreef Friedrich Nietzsche. Charles Darwin had door het bos en de akkers rond zijn huis een kronkelig zandpad laten aanleggen. Dagelijks wandelde hij daar en hij noemde dat zijn denkwerk. 

Wandelen, het afleggen van een weg, leidt tot inzicht. Ja, goed. Ik bedacht dat tijdens mijn verblijf aan de Mont Ventoux. Het idee om iets over het fenomeen van ‘de weg’ te gaan schrijven begon te rijpen op de flanken van de ‘Kale Berg’. Ik wou te voet naar de top, maar niet langs de geijkte wegen waar ook auto’s hun ding kunnen komen doen. Ik zocht dus een weg door de bossen, zij het eerst tussen uitgedroogde struiken langs zanderige wegen met onaangenaam te bewandelen stenen. Ik vond de weg niet. De ideeën vonden mij wel. Ruw. Onafgewerkt. Uitdagend. Ik dacht aan soorten wegen. Er is de weg op de Ventoux die ik eerder al was opgefietst, zoals zovele anderen al. Het is de gebaande weg, de geijkte weg. De weg die je niet moet zoeken. De Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer verwijst naar de oorsprong van ons woordje ‘methode’. Dat is afgeleid van het Griekse methodosen betekent iets als ‘de weg van het nagaan’. Nagaan kan slaan op het ‘nog eens afleggen’, maar ook op het ‘controleren’. De weg van het nagaan is de weg die is vastgelegd, de weg die geen verrassingen meer biedt, die voorspelbaar is. We hebben die weg soms nodig. Stel dat die vele fietsers ook nog eens zouden moeten gaan zoeken op de flanken van de ‘Kale’. Een andere Duitse filosoof, Martin Heidegger, noemde een bundel essays van hem Holzwege. Hij kwam tot dat woord tijdens zijn wandelingen in het Zwarte Woud. Holzwege zijn weggetjes die door houthakkers worden gemaakt. Ze leiden naar nergens. Ze getuigen enkel van het zoeken naar hout. 

Verschillende wegen, verschillende soorten van denken. Maar de weg heeft dus iets met denken. Denken heeft iets met een manier van bewegen. Ik zit hier een beetje te stotteren. Zie de weg niet duidelijk genoeg. Ik wil iets zeggen, maar kan er niet de hand opleggen. Zoals al gezegd: het idee om dit te schrijven rijpte tijdens een wandeling op de Ventoux. En dat ik er de weg niet vond. Geeft u me nog een paar wandelingen tijd?

Grenzen verleggen

Ik gaf onlangs een lezing aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, ter opening van het academiejaar. Locatie was de Janskerk, die ondanks het verlies van voorvoegsel Sint- nog altijd een gewijde sfeer blijft uitstralen. Op voorhand had ik al bij wijze van opdracht meegekregen dat mijn lezing het thema van de menselijke eindigheid diende te behandelen, maar dan met de uitdrukkelijke vraag daar ook een wending van optimisme aan te geven. Dat kwam er zo ongeveer op neer: oké, we gaan allemaal dood, maar toch heeft ons leven zin. Misschien,dacht ik, kunnen we die vraag naar zin zelfs enkel stellen net omdat we eindig zijn. Stel dat je eeuwig zou blijven leven, dan doet het er eigenlijk niet zoveel toe wat je hier zoal uitspookt op deze eindige aardkluit. Je hebt dan altijd alle tijd om een nieuw startschot te geven ter verbetering van dat weliswaar vleselijke, maar in dit geval niet gestaag uitdovende leven van ons. 

We weten beter. We zijn eindige wezens en op een dag worden we daar mee geconfronteerd. Dat is hier echter niet mijn punt. Er is nog een andere dimensie aan dat eindige aspect van ons leven: we worden ouder. Dat weten we altijd. Er zijn zelfs fases in het leven waar we daarnaar verlangen: was ik maar een paar jaar ouder, dan zou ik… Vul maar in. Met die eindigheid van ons gaat echter ook altijd een ander keerpunt gepaard. Dat is het moment waarop je zucht: was ik maar een paar jonger, dan zou ik… Vul maar in.

Voor ons, sportomhelzende wezens, is die invulling tamelijk voorspelbaar. Onze hoogstpersoonlijke zucht zal dan altijd iets laten meeklinken van hoe het een paar jaar geleden nog sneller, harder, hoger ging. En daar in één adem aan toegevoegd: en dus beter. 

Ik vertaal mijn opdracht in die Utrechtse kerk naar dit gegeven: hoe dan nog optimistisch te blijven? Anders geformuleerd: hoe behoud ik de goesting in sport nu ik geconfronteerd word met lijfelijk verval en alzeker met de niet meer te loochenen vastelling dat het voortaan noch hoger, noch sneller, noch verder zal gaan. Stoutmoedigheid fluistert mij nu in: maar toch beter. En dan zet ik daar een uitroepteken achter. Maar toch beter! 

Hoe komt die man daar bij?, vraagt u zich af. Misschien zelfs denkt u: wat zou zo’n filosoof daar over te vertellen hebben? Wel, bekijk het inderdaad misschien eens filosofisch. In een boek dat ik op dit moment aan het voltooien ben, getiteld De zinnen van het leven,pleit ik voor een zeer down-to-earth benadering, waarin zingeving ondermeer ook te maken heeft met de verhalen die we onszelf over onszelf vertellen. Narratieven heet dat in duur filosofisch Nederlands. Het zeer grote voordeel van verhalen is dat ze altijd kunnen herschreven worden. Ik denk dat we dat eigenlijk ook wel voortdurend moéten doen. Kwestie van survival. Wie zijn verhaal niet kan aanpassen aan nieuwe uitdagingen, problemen of vragen die opduiken op de eigen levensweg, dreigt wat makkelijker op de existentiële bek te gaan, dan wie dat wel kan.

Ik dacht zo dat we misschien de woordenschat die we gebruiken om iets over onze onderliggende drijfveren bij ons aller sportactiviteit zouden kunnen bijschaven. Bijvoorbeeld op het moment dat je gaat bedenken dat het een paar jaar geleden toch sneller en hoger en verder ging. We spreken af dat u voortaan niet meer zegt: en dus beter. Want met wat had dat ‘beter’ te maken? De kans is groot dat dit in je eigen narratief vervat zat waarin je het had over ‘mijn grenzen verleggen’. Waar leg je dan die grens? Een beetje hoger, een beetje verder, een beetje sneller. Dat doe je tot die grens zichzelf oplegt. Hij doet dat op het moment van je net-iets-teveelste verjaardag of hij doet dat via het strenge oordeel van een dokter waar je gaan klagen bent over een fysiek mankement. ‘Ken uw limieten, mevrouw, mijnheer’. Limieten? Waren dat niet die dingen waarvan we in de eerste plaats vonden dat ze moesten verlegd worden?

Als u mij toelaat even in het pluraliste spreken: wat is nu eigenlijk ons probleem met die grens? Met ‘ons’ bedoel ik: het verzamelde sportgild aan wie die grens zich geheel spontaan en even onontkoombaar heeft aangediend. En als u nog niet tot dat compartiment van het sportgild behoort: eens komt hij toch, die grens.

Hoe zien we gebruikelijkerwijs dat fenomeen? Ik vermoed, maar ben er eigenlijk nogal straf van overtuigd: de grens zien we als datgene waar iets ophoudt. De grens is altijd die plek waar we niet meer verder kunnen. We stuiten op limieten. Zelfs na noeste trainingsarbeid houdt het daar op nogal onverbiddelijke wijze op met dat hoger, verder en sneller. De grens is een eindpunt. Verlegbaar. Dat zeker. Maar even zeker: beperkt verlegbaar.

Maar moeten we het zo zien? Neen. Het kan ook anders. Laten we vooral uitgaan van dat misschien soms vervelende, maar nooit te vermijden fenomeen van de menselijke eindigheid. Als je het goed bekijkt zit die grens gewoon ingebakken in ons leven. Altijd. 

Volgende vraag: hoe knoop ik daar een bundeltje optimisme aan vast? Mijn voorstel: door die grens te zien als een begin en niet als een einde. Mijn grens, dat wil zeggen mijn altijd aanwezige beperktheid ten gevolge van leeftijd of de mij kenmerkende fysieke potentie, dat is waar ik bij begin, niet waar ik eindig. Dat ik altijd een grens heb, bepaalt de mogelijkheden van wat ik doe. In dit geval: als sportomhelzend wezen. In 2006, had ik voor De Morgeneen gesprek met triatleet Marc Herremans. We hadden het uiteraard over de limieten die hem waren opgelegd na zijn zware ongeval. Hoe hij dat existentieel kaderde, ben ik nooit vergeten. ‘Het leven is als een kaartspel’, zei hij. ‘Je speelt met de kaarten die je krijgt’. Soms zijn dat goeie kaarten, soms minder goeie. Maar altijd speel je het best mogelijke spel. In mijn terminologie: de grenzen van onze fysieke toestand krijgen we altijd opgelegd, maar we zien die niet als een beperking, maar als mogelijkheid. De ons eigen mogelijkheid. Nog in mijn voorstel: die mogelijkheden maken de kern uit van mijn vrijheid. Hoe ik mijn ding doe, mag dan wel altijd en onontkoombaar een bepaalde limiet kennen, toch speel ik mijn spel met die kaarten. Het is op die wijze dat ik mijn vrijheid geniet. En die is altijd relatief. Maar ze is er wel. Omarm ze.

Wat kan dat verder nog betekenen?

Stel dat een prijs wordt uitgereikt voor de top drie van motivaties die mensen opdiepen om hun sportactiviteiten van enige uitleg te voorzien, dan zou het wel eens kunnen dat ‘mijn grenzen’ verleggen podiumambities kan koesteren. Ik vind een boek terug dat de titel Hardlopen. Met succes je grenzen verleggen draagt. In interviews komt dat mantra zowat even vaak terug als de wens voor de gezondheid te zorgen, stress even efficiënt te verminderen als het lichaamsgewicht, het sociaal aspect van sportevenementen en het verlangen thuis af en toe weg te kunnen. Dat laatste dan stilzwijgend of hooguit tegen zichzelf gemompeld. Maar die grenzen verleggen – bedoeld wordt: die van jezelf – daar willen we allemaal wel mee aan de slag. Het klinkt een beetje stoer. Het geeft een drive. Basketlegende Michael Jordan gaf er in een straffe uitspraak nog een bijkomende dimensie aan. Hij meende dat die grenzen, net als angst, niet meer dan een illusie zijn. Lees: negeren die dingen. Op naar verder, langer, meer. Daar zit nu net het probleem. Verder, langer en meer, zijn fenomenen die we op kwantitatieve wijze kunnen uitdrukken. Ze zijn meetbaar en in getallen uit te drukken. Ik heb daar niks op tegen. De competitieve sportwereld drijft er op. Maar het zijn natuurlijk ook net die fenomenen die ooit, eens, altijd op een grens zullen stuiten. Een topsportcarrière eindigt dan daar of doet nog wat in een flauwe afschaduwing van weleer verder. Maar daar hebben wij niet noodzakelijk een boodschap aan. Met wij bedoel ik nu de sportomhelzende recreatievelingen die hun boterham op andere wijzen verdienen dan door hoger, sneller en beter te gaan dan al die anderen die hetzelfde willen. Wat willen wij? (Met nogmaals excuus voor de misschien ongewenste meervoudsvorm.) Wij willen een goed leven. Wij willen kwaliteit in dat leven. Die kwaliteit meten we niet. We voélen ze. Om die kwaliteit gaat het ons in onze sportesbattementen. We streven die na in dialoog met wat ons gegeven is en dus beginnend bij de grenzen die we altijd meedragen. Kan ik die grenzen verleggen? Ja, maar niet blijvend. Vooral: ze verleggen zichzelf. Mezelf verstaan, is mezelf verstaan vanuit die gegevenheid. Daar ga ik mee aan de slag. Daar ben ik vrij. Omdat ik vrij ben, zal ik altijd evenveel goesting blijven hebben en misschien zelfs alsmaar meer. Hoe dan ook is er dan geen reden meer om ermee op te houden. Kaarten om mee te spelen, krijg je altijd. En in mijn voorstel win je eigenlijk ook altijd. 

Olympisch denken

Bekijken we even het grote veld van wat er zoal bestaat aan sportcompetities. Provinciale kampioenschappen, nationale kampioenschappen, Europese kampioenschappen, wereldkampioenschappen… We vinden ze in die opgaande lijn belangrijk. We weten ook tamelijk goed wat er in die evenementen op het spel staat. Goed getrainde meisjes, jongens, dames en heren komen er hun best mogelijke ding doen. Ze oefenen daar veel en lang voor. Een niet onaanzienlijk aantal onder hen verdient er een bijwijlen goed belegde boterham mee. Allen, met of zonder pecuniaire voordelen, kennen echter ook het fenomeen van de passie voor wat ze doen. Voor hen is sport een activiteit die hun dagen en nachten kleur, vorm en betekenis geeft gedurende een groot deel van het actieve leven. 

Hogervermeld reeksje kampioenschappen figureert vanuit een duidelijke achterliggende gedachte: ze heten competities te zijn en in een competitie wil je het zo goed mogelijk doen. Beter dan anderen. Soms beter dan jezelf een vorige keer. Winnen kan er doorgaans maar één. Maar het is ook wel de al dan niet natte droom van velen om dat zelf te doen. Deelnemen is tof. Maar winnen, dat is toch wel het allertofste.

Behalve blijkbaar als we het over de Olympische Spelen hebben. Deelnemen heet daar volgens een hardnekkig standhoudende wijsheid belangrijker te zijn dan winnen. Maar is dat zo? En zou het die gedachte zijn – de Olymische gedachte –  die maakt dat we dat vierjaarlijkse evenement toch nog een stevig tikje hoger lijken in te schatten dan het hele lijstje kampioenschappen hierboven, daarbij inbegrepen wereld- en andere mondiaal ingevulde sportevenementen? Tenslotte verlaat Fabian Cancellara vroeger de Tour om beter voorbereid naar Rio te kunnen vertrekken. En hij is niet de enige topsporter die verklaart er bij te willen zijn op de Spelen, ook al heeft hij of zij in principe daar niets meer te bewijzen. Of bekijk deze simpele vraag: wanneer gaat u voor tv zitten om een potje kleiduifschieten te bekijken? Dat doet u tijdens de Olympische Spelen als een landgenoot kans maakt op een medaille. Alleen maar dan.

Voor alle duidelijkheid: dat motto van deelnemen dat belangrijker is dan winnen, vormt helemaal niet de kern van de Olympische gedachte of het Olympisme. Het Olympisch charter maakt er op geen enkele wijze gewag van. Maar, bekijk die woorden nog eens goed, dàt die OS een charter hebben, dat er iets als een Olympische gedachte bestaat, dat we het over het Olympisme kunnen hebben, net dat maakt het zo verschillend van provinciale, nationale of wereldkampioenschappen. De Olympische Spelen zouden de Sport dus vierjaarlijks moeten etaleren als een fenomeen met een missie. 

Het Olympisch charter pretendeert dan ook een levensfilosofie onder zeer verheven woorden te willen brengen. Het charter op zich, althans de laatste herwerkte versie van augustus 2015, omvat 105 pagina’s, waarvan het grootste deel eerder saaie, maar uiteraard noodzakelijke, juridische materie omvat. Het filosofische licht van de Olympiër staat gans in het begin, nog voor het eerste hoofdstuk op gang komt, onze sportieve hemel aan duisternis te onttrekken en doet dat bij monde van zes principes. Eigenlijk zijn het er zeven, maar het laatste zegt gewoon dat je de zes eerdere daadwerkelijk ter harte moet nemen.

Wat vinden we in die zes principes? Het eerste heeft het over het Olympisme als een levensfilosofie die zich richt op het verbeteren van lichaam, wil en geest. Dat dient op een evenwichtige manier te gebeuren en in onderlinge harmonie van deze drie vermogens. Bovendien zou sport in een hechte relatie met cultuur en educatie dienen te verkeren. 

Het Olympisme hoopt een manier van leven te kunnen promoten dat uitgaat van het plezier van de inspanning en dit verzoent met een gevoel van sociale verantwoordelijkheid en respect voor fundamentele ethische principes. In het tweede principe wordt de focus verlegd van het eerder individuele naar het sociale en krijgt de Olympische sporter de vraag voorgelegd een vreedzame samenleving voor ogen te houden en bekommerd te zijn om het behoud van de menselijke waardigheid. Uit het derde principe blijkt dat deze ethisch, filosofische en politieke aspiraties een uitgesproken mondiaal karakter hebben en zich richten op alle continenten wereldwijd. Het hoogtepunt van al dit streven is dan uiteraard het vierjaarlijkse sportfestival, waarbij de vijf ringen van de vlag ook de vijf continenten symbolizeren en zo het beeld vormen van gewenste solidariteit en vreedzaam streven. Verder staat nog te lezen dat het beoefenen van sport als een mensenrecht geldt. Even belangrijk, in het zesde principe: de rechten en vrijheden die in dit Olympisch charter worden beschreven dienen voor iedereen te gelden, wat betekent dat discriminatie omwille van ras, kleur, taal religie, politieke overtuiging of seksuele voorkeur als ontoelaatbaar wordt beschouwd. 

Dat lijkt nu misschien allemaal tamelijk evident, maar dat was het zeker niet op het moment dat baron Pierre de Coubertin in de late jaren negentig van de negentiende eeuw de Spelen van de Griekse oudheid liet herleven. In een tekst uit 1908 waarin hij uitlegt waarom hij de OS vanonder het historische stof had gehaald, staat letterlijk te lezen dat het hem te doen was om het verder tot perfectie brengen van de sterke, hoopvolle jeugd van het blanke ras om zo de verbetering van de samenleving te kunnen nastreven. Die uitspraak over deelnemen dat belangrijker zou zijn dan winnen heeft hij overigens nooit gedaan in die woorden. Wel klonk het bij hem dat niet winnen het belangrijkste is, maar wel dat men gevochten heeft. Goed gevochten of gestreden. Mooi gestreden. Een wedstrijd moest iets vertellen over de deugden van de deelnemers volgens De Coubertin. Hij had daar overigens ook wel het Franse nationale belang mee op het oog. De Franse jeugd leek hem wat te mak geworden. Zijn voorbeeld was de Engelse lichaamscultuur van dat ogenblik. Aristocratische idealen waren niet ver weg.

De hooggestemde idealen van het huidige Olympisch charter mogen dan wel van ernstige ethische en politieke bekommernissen getuigen, wat Pierre de Coubertin toen voor ogen had zou nu ternauwernood nog kunnen gerechtvaardigd worden. Zogenoemde ‘professionals’ konden niet toegelaten worden tot de Spelen. Met die term werd echter – en dat klinkt wat eigenaardig voor ons – verwezen naar de arbeidersklasse. Enkel een niet-werkende klasse, de rentenierende elite zeg maar, kon meedoen. Dat had ondermeer te maken met het ideaal van fair play. Volgens een bepaalde zich oerdegelijk wanende traditie waren arbeiders daar niet toe in staat, vanwege niet verfijnd genoeg. Bovendien diende sport beoefend te worden omwille van de sport zelf en niet als bezoldigde activiteit. Arbeiders konden zich dat niet veroorloven en konden dus geen ‘amateur’ zijn in de ware zin van het woord. Geld verdienen als sporter is een tijdlang als een ernstiger misstap gezien dan doping te gebruiken. Geldgewin als drijfveer verloochende pas echt de ware spiritvan het sportgebeuren. Jim Thorpe, goud op de vijfkamp en de tienkamp in 1912, werd een jaar later zijn medailles ontnomen omdat hij voor deelname aan honkbalwedstrijden in 1909 en 1910 vijfentwintig dollar op zak had mogen steken. The times, they are a-changing, zou Bob Dylan zeggen. 

In studies over de evolutie van de OS wordt ook wel eens gewezen op het etnocentrische karakter van De Coubertins onderneming. De universaliteit die hij bepleitte was niet meer dan een veralgemenen van lokale gevoeligheden en overtuigingen over het mens zijn. Zijn universalisme droeg een vooruitgangsoptimisme in zich, maar die vooruitgang zou er enkel komen als het westerse model algemeen werd overgenomen. Zin voor diversiteit stond toen nog zo ongeveer op niemands agenda. Iedereen is kind van haar of zijn tijd natuurlijk en het is dus maar goed ook dat het Olympisch charter intussen de eigen tijdsgeest mede weet te verwerken. 

De vraag die er echt toe doet is voor mijn part nu die naar de geplogendheden binnen de bevoegde Olympische organen en binnen de sportwereld in ruimere zin. Denk aan Russische toestanden nu, denk aan de manier waarop de organisatie eerder aan steden werd toegewezen, denk aan boycots van soms niet de geringsten, denk aan het geweld in München ’72. En denk dan nog eens aan die zes principes en hoe mooi idealistisch ze ogen.

In 2020 zal Tokio het Olympische festival organiseren. Naar verluidt zouden meerdere kandidaat-organisatoren in spezich intussen al teruggetrokken hebben voor het feestje in 2024. Uit de pan swingende kosten zijn wellicht niet de enige, maar ongetwijfeld wel de zwaarstwegende reden. Het getuigt misschien van een slecht karakter, maar misschien zou een crisis – geen enkele stad die zich nog kandidaat wil stellen – meteen de welkome prikkel geven voor enige organisatorische herbezinning, geïnspireerd door het eigen ethische charter. Tenslotte is het dat wat van de Spelen Olympische spelen maakt. Een competitie met hoofdletter en met een ethische boodschap. Sport met een missie. Lekker ouderwets en actueler dan ooit. 

En toch gewonnen


Laten we dit een beschouwing over het niet-deelnemen noemen. Verwacht u aan een hoop melancholie, het steunen en zuchten van een inspanningshongerige die zichzelf in de nasleep van een medisch kwaaltje tot ‘mental coach’ benoemt, maar in de praktijk niet verder komt dan nagelbijtend op bed of later wachtend in de auto de niet wijkende regenbuien plaatsvervangend te vervloeken. Al schrijvende wil ik deze donkerblauwe nevelen des levens plaats laten ruimen voor de keerzijde van de in dit geval donkergekleurde medaille. Zal dan volgen, als besluit, de sprankel licht, dat bundeltje op de toekomst gerichte energie dat het leven van tijdelijke kleurloosheid bevrijdt.

Niet vrij van enige zelfironie bedenk ik deze olijke beginzinnen, wachtend op een terras om een ‘menu vélo’ te bestellen. Voor €10 biedt een pizza-grill in het centrum van Bédoin een pasta bolognaise, een drankje en een koffie. Een bewijs van vélo-identiteit dient niet voorgelegd. Wellicht werd dat op 13 juli 1967 ook niet van Tom Simpson gevraagd toen hij in de bar hier enkele huizen verder de laatste pastis van zijn leven dronk. Althans zo luidt de sportlegende. Maar sportlegendes zijn uiteraard altijd waar. Was dit overigens dezelfde sport als wat we nu nog altijd wielrennen noemen? Zie je de camera’s al gericht op Christopher Froome die zich van de fiets laat glijden om in er in een bar nog eentje te gaan drinken? Of dat zijn sportbestuurder hem opnieuw op de fiets zou zetten na eerst compleet uitgeleefd te zijn gevallen? Wielrenners stierven ooit heroïsch. Al zou dat heroïsche nu wellicht anders heten. Simpsons monument dient om te herinneren, maar even nadrukkelijk staat het er definitief verleden te wezen.

Wat zou die dag in ’s mans hoofd gespeeld hebben? Zouden dat ook donkerblauwe nevelen geweest zijn? Of gele? Het geel van zonnebloemen. In dit geval hoe dan ook de zonnebloemen van Vincent Van Gogh. Twee jaar geleden wandelde ik hier enkele decakilometers verder nog langs reproducties van werk van hem in de achtertuinen van het psychiatrisch ziekenhuis in Saint-Rémy-de-Provence. Vincent zweette daar de blauwzwarte sterrenhemel in zijn hoofd uit. Vergeefs. Of misschien niet. Ik zweette er, in die achtertuinen, een hoofdstuk biografie uit, genre ‘starry starry night’ met veel te veel ongelukszwangere wolken. Dat kan ook gezien worden als een uitdaging om te herbeginnen. Mijn tweevoudige klim naar de top van de Mont Ventoux eerder dat jaar had daar symbool voor gestaan. Starry starry night met belofte van zon. 

We vertrokken deze morgen in pletsende regen. Ik als chauffeur en mezelf dus troostend met het idee ‘mental coach’ te zijn. Zij als Kannibaalhongerige heldin in spe, nerveuzer dan de verzamelde Rode Duivels samen, straks voor de aftrap tegen Ierland. Maar voetbal kent natuurlijk geen Mont Ventoux. 

De omroeper bestempelde hen allen als helden. Ongeveer drieduizend paar regenopspattende wielen dropen mij voorbij deze morgen. Ik bracht supporterend stotterend iets uit van ‘komaan schat’ en dan nog wat onduidelijk gebrabbel. Op het filmpje dat ik maakte van de start hoor ik mezelf. Ongeveer zo moet Tom Simpson hebben geklonken toen hij zichzelf moed insprak na die laatste pastis en voor zijn finale pedaalslagen. Ik fantaseer maar wat over Tom. Tommeke Tommeke Tommeke toch. Anders klinkend dan bij het verbaal in de armen sluiten van een coureur in regenboogtrui met dezelfde voornaam.

Enkele uren later. De tijd tikte trager weg dan anders. Omhelsende armen en warme handen had ik mijn vrouw beloofd per sms. Kleumkou had ze mij laten weten in Sault gearriveerd te zijn. Al een deelnameloze dag lang liep of lag ik emotioneel te overdrijven en ik bedenk dat ik de tranen niet zal kunnen bedwingen als ze de kamer binnen komt straks. Ik zie het al: la Beauté après le Ventoux. 

Uiteindelijk wordt het anderhalf uur door beregende autoruit staren op het plein voor het Centre Culturel van Bédoin. Wielrenners druipen voorbij. Niet één kijkt vrolijk. Per paar regentrotserende wielen stijgt mijn ongerustheid. Het rotgevoel over het niet kunnen deelnemen transformeert zich in treurnis niet naast haar te kunnen fietsen nu. Ze arriveert met een onverstoorde blik. Zoals wel vaker lijken – lijken – inspanningen haar niet te raken. We kijken elkaar in de ogen. Mijn melancholische bui wordt met haar zonnebloemkleurige glimlach weggepenseeld. Emotionele supercompensatie. Ik leef op bij het voelen van haar inspanningsvolgekladderde lijf. Ik ben de bloemenjongen die zich op het podium mee de overwinnaar waant. Deelnemer en niet-deelnemer arriveren samen. Ze zegt: ‘Dit nooit meer’. Ze bedoelt wellicht: ‘Volgende keer samen’. Fietsend gaat ze op zoek naar ons hotel. Ik snelwandel en jog haar achterna. 

Enkele uren eerder sloeg ik ook al rechtsaf de Chemin des Granges in en begon ik daar te joggen. Enkele maanden geleden hadden tot medische wijsheid opgeleide heren en een enkele dame mij gezegd dat beter niet en zelfs nooit meer te doen. Maar weet, heren en een enkele dame, weet dat de zon begon te schijnen toen ik al joggend de weg naar mijn hotel insloeg. Ze scheen op mijn hoofd en in mijn hoofd. Soms moeten wolken, vooral de donkere, weggelopen worden. Of donkere gedachten dienen enkel om uit de wielen gefietst te worden. Volgend jaar fiets ik naar die top. Volgend jaar zal ik wel wachten om dat ‘menu vélo’ te kunnen bestellen. Nu was ik er ijlings vandoor gegaan voor de kelner kwam. Zelfs op momenten van zich donkerblauwslecht voelen moet een mens oprecht blijven tegenover zichzelf. Vind ik. En zich voornemen nooit bij de pakken te blijven zitten. Zeker niet aan de voet van de Mont Ventoux.