Survival of the fittest

Zijn visie is wel eens omschreven als een ‘universeel zuur’ dat zich door heel onze manier van denken heen zou heen vreten en dat ons wereldbeeld op revolutionaire wijze zou veranderen. Tweehonderd jaar na zijn geboorte en honderd vijftig jaar na de publicatie van zijn magistrale werk On the Origin of Specieslijkt Charles Darwin dezer dagen niet weg te branden uit kranten- en weekbladbijlagen en wordt hij in academische en wetenschappelijke milieus volop gefêteerd. Het is wel eens anders geweest. Zijn ideeën over natuurlijke selectie en over de afstamming van de mens kregen immers decennialang een wat kwalijk odeur mee. Godsdienstig geïnspireerde mensen zagen door hem namelijk God als oorsprong van alles van de troon gestoten, maar ook door vrijzinnigheid gedreven humanisten bezorgde hij menige kriebel. Het beeld van de mens als centrum van de natuur en als autonome zingever kreeg bij Darwin immers ook al een forse opdonder te verwerken. 

Het gaat er mij hier niet om Darwins ‘gevaarlijke idee’ nog eens uit de doeken te doen. Maar vermits dat zuur van de evolutietheorie universeel mag heten, kan het niet anders dan dat het ook implicaties heeft voor de manier waarop we omgaan met ons lichaam en hoe we dat aan het werk zetten. En ik vind dat ik daar een zeer vrolijke boodschap mag aan vastknopen: we zijn – vanuit evolutionair perspectief gezien – tot veel meer in staat dan we plegen te bevroeden, vooral als het om duursport gaat.

Ergens in de loop van januari maakte ik tijdens een fietstocht kennis met een man die ik eerder al had ‘gesproken’ via een internetforum voor wielertoeristen (www.wielertoerist.be). In de loop van 2008 had hij liefst 38.430 kilometer bij elkaar gefietst. Dit jaar wordt hij er vijftig en hij werkt in een drieploegensysteem. ‘Dat is passie hé’, zei hij me tijdens die (toevallige) fietstocht samen. Dat was overigens op zo’n dag waarop je tamelijk alleen onderweg bent als fietser. Ik begreep het waarom daarvan toen ik na afloop de tintelende pijn voelde in mijn ijsvoeten onder een nochtans zeer welgekomen warme douche. 

Enkele dagen later vertelde ik tijdens een etentje over de esbattementen van deze verwoede randonneur. Een reactie luidde: ‘Dat kan toch niet gezond zijn’. Kijk, dat zou Darwin dus nooit gezegd hebben. Zelfs integendeel. De evolutietheorie leert ons immers dat onze lichamelijke interactie met de wereld nu nog altijd mee bepaald wordt door honderdduizenden jaren voorgeschiedenis van de mens als jager-verzamelaar. Onze zeer verre voorouders waren geen liefhebberige duursporters die met Sporta naar de Ventoux wilden, maar uithoudingsspecialisten die te overleven hadden in een niet-sportieve betekenis van dat woord. Vervang bijvoorbeeld de Ventoux door een dagenlange jacht op een mammoet. En denk dan vooral de bevoorradingsposten onderweg niet mee. 

Wie zich verdiept in de evolutietheorie begrijpt dat onze hedendaagse levensstijl eigenlijk helemaal in conflict is met onze biologische erfenis. De tijd gedurende dewelke we als sedentaire wezens onze dagen zijn gaan slijten, pakweg de laatste tienduizend jaar – sedert de opkomst van de agricultuur met name -, stelt niks voor gezien vanuit onze hele ontwikkelingsgeschiedenis als soort. Van onze soort – bekend onder de roepnaam ‘Homo’ – zijn immers al sporen teruggevonden van 2,5 miljoen jaar oud. De evolutietheorie kan ons nu leren dat die verre erfenis nog niet weggeveegd is. Evolutie gaat daarvoor nu eenmaal te traag. En omdat ze zo traag gaat, leven wij onbewust nog grotendeels vanuit wat onze innerlijke jager-verzamelaar ons influistert. Dat vetten opslaan goed is bijvoorbeeld, want we hebben ze nodig als we op jacht gaan en niet kunnen uitkijken naar de bevoorradingsposten van Sporta onderweg. Uit studies blijkt dat (mannelijke) jagers-verzamelaars per dag voor hun fysieke activiteiten zowat twintig kilocalorieën verbruikten per kilogram lichaamsgewicht. Zelfs iets meer. Wie vandaag een kantoorjob heeft, komt nog niet aan vijf kcal per kilogram lichaamsgewicht per dag voor de benodigde fysieke inspanningen (waarmee wordt bedoeld: bovenop wat je sowieso nodig hebt om te functioneren zondermeer). Pas bij activiteiten van het niveau van een duurloop van twaalf kilometer op een uur, komen we in de buurt van wat verre bompa Homo verbruikte. En die duurloop zouden we dan dagelijks moeten op onze agenda zetten. Bovendien waren onze voorouders van toen grotendeels vegetariërs. Staar u dus vooral niet blind op het vergaarde vlees na die jacht op mammoets. Al lijken velen wel blind voor de hoeveelheden van de hedendaagse variant daarvan op hun bord. 

Waar blijft nu het vrolijke element in mijn verhaal, vraagt u zich inmiddels af. Wel, net omdat evolutie zo traag gaat en omdat die jagers-verzamelaars van toen zo’n respectabel potentieel hebben opgebouwd aan uithoudingscapaciteiten, kunnen wij daar nu nog altijd profijt van ondervinden. Natuurlijk heeft niet iedereen onder ons de mogelijkheid om een marathon te lopen in minder dan 2u10 of zo. Maar: we hebben nagenoeg zeker allen de mogelijkheid om er eentje te lopen überhaupt. Ons lijf draagt dat vermogen in zich, we moeten het enkel tijdig wakker schudden. Doen we dat niet, dan lopen we het risico geconfronteerd te worden met de neveneffecten van onze leefstijl (eetstijl) die in disbalans is geraakt met wat we evolutionair gezien nog onder de leden hebben. Ik voel me nu niet zo meteen geroepen om hier alle goeie raadgevingen ter zake nog eens op te dissen. U kent ze ongetwijfeld wel. En die 38.000-en-zoveel kilometers zijn heus niet nodig om opnieuw die balans te vinden.    

Wat mij als filosoof hieraan vooral interesseert is dat dit leven in overeenstemming met onze evolutionaire erfenis zowel een bron kan zijn van betekenis- en zingeving aan je leven, als een manier om wat als ‘het goede leven’ wordt beschreven na te streven. Gooi voor mijn part alles wat hier boven staat beschreven gewoon weg. Of: lees het vooral niet als iets wat je moet doen, of als een plicht. Het gaat hier immers simpelweg om genot en plezier. Zelfs dat is evolutionair verklaarbaar. Wat wij inmiddels kennen als de zogeheten runner’s highhad bompa uit het Cro-Magnontijdperk nu eenmaal nodig om te blijven doorgaan als die beenhouwerswinkel op reuzenpoten de eerstkomende dagen niet van wijken leek te willen weten. Zo ingenieus zit ons lijf in elkaar. Het lekkere endorfinegevoel maakt van fysieke grenzen een bron van genot. 

En denk nu vooral niet dat het te laat kan zijn. 

In een boek met dezelfde titel als deze column nu beschrijft de Britse arts en ultraduursporter Mike Stroud zijn deelname aan de Eco-Challenge, een meerdaagse wedstrijd in teams van vijf over een afstand van om en bij de vijfhonderd kilometer. Zowel lopen, mountainbiken, kajakken als paardrijden staan er op het menu. Het vijftal dient samen de aankomst te bereiken. Eén van Strouds teamgenoten was Helen Klein, een dame van toen 72. Pas op haar 55steis Helen Klein beginnen trainen om te kunnen deelnemen aan marathons samen met haar echtgenoot. En ze heeft de aankomst gehaald in die Eco-Challenge. Een jaar later trouwens nog eens. 

Nog een voorbeeld om het goed te maken dat ik het hierboven enkel over bompa’s heb gehad. Toen diezelfde Mike Stroud na een deelname aan de marathon van London richting metro strompelde, werd hij ingehaald door een flukse dame. De fitheid die ze uitstraalde, noopte hem meteen tot enige bescheidenheid over het eigen kunnen. De dame bleek er 68 te zijn. Stroud informeerde naar haar tijd. ‘Viel best mee’, klonk het antwoord. ‘Minder snel dan vorig jaar, maar ik bleef toch nog onder de drie uur.’ 

Maak daar voor mijn part vijf uur of meer van, kijk vervolgens naar hoe uw gepensioneerde, zetelgekluisterde ex-collega het ervan afbrengt en denk aan genot in plaats van plicht. Als u dan nog niet de motiverende kracht hiervan voelt, heeft u dit blad misschien wel compleet per abuis in handen gekregen.    

Sport als levenskunst

Onlangs mocht ik als spreker fungeren op een congres van de British Philosophy of Sport Associationin het Schotse Dundee. Eén van de andere sprekers boog zich in zijn lezing over de vraag of het überhaupt wel mogelijk is om tot een filosofie van de sport te komen. Ik bespaar u de filosofische spitsvondigheden waarmee de man tot een bevestigend antwoord kwam. Wat mij echter opviel in zijn vertoog was het gegeven dat sport er benaderd werd als een schijnbaar op zich staand fenomeen: een besloten wereld, naast de andere (echte?) wereld. Dat schijnt een niet ongebruikelijke invalshoek te zijn. Zo las ik ter voorbereiding van een gespreksavond in Nijmegen waar ik samen met Rik Van Walleghem, directeur van het Centrum Ronde van Vlaanderen, te gast was, diens boek over Johan Museeuw. Ook daar zie je door Museeuw het beeld geschetst van de wereld van het topwielrennen als een in zichzelf gekeerd universum waar de onderlinge strijd bikkelhard is, maar waar het hele wereldje (zowat vierhonderd man sterk zegt Museeuw) zich meteen van de buitenwereld afschermt zodra één van de eigen wereldbewoners in de problemen dreigt te komen. 

In zijn Ten geleidein het vorige nummer van dit blad, gaf Sporta-voorzitter Toon Claes al op treffende wijze aan hoe wij er een ander beeld van sport zouden kunnen op nahouden. We zouden proper moeten gaan fietsen. Dat gaat dan niet alleen over het bannen van doping, maar ook over hoe fietsers zich in die ‘echte’ wereld begeven. Of dat zouden moeten doen: met zin voor respect en verantwoordelijkheid naar anderen en naar de natuur toe. IK FIETS PROPER! Uiteraard. IK SPORT PROPER! Nog uiteraarder. 

Dat is dan voor mij ook het antwoord op de vraag van die Britse collega in Dundee. Een filosofie van de sport is mogelijk, maar dan in een veel bredere zin opgevat. Sportfilosofie zou voor mij een bezinning moeten zijn op hoe wij ons lichamelijk in de wereld bevinden. Wat we met dat lichaam doen. Hoe wij er vorm aan geven in die dialoog met andere mensen en met de omgeving die wij met hen delen. Daarom wordt het dus hoog tijd dat we dat beeld van een sportwereld naast een andere wereld achter ons laten. Dat zou dan bijvoorbeeld kunnen betekenen dat ook beleidsmensen, maar evengoed sportwetenschappers hun eigen evidenties eens van de nodige vraagtekens gaan voorzien. Het gaat misschien wat kort door de bocht, maar ik denk dat ze daar om allerlei redenen niet tot een blik op het geheel kunnen of willen komen. Sportcultuur gaat er te weinig over het grote plaatje van de lichaamscultuur in zijn totaliteit. Wat we over sport vernemen, zegt nagenoeg altijd iets over de vraag hoe we prestaties kunnen verbeteren of optimaliseren. Natuurlijk is dat van belang, maar ik vind dat dit niet het allerbelangrijkste moet zijn en zeker niet het enige belangrijke. Net dat leidt immers tot genoemd beeld van een sportwereld, bevolkt door individuen die quasi bovenmenselijke dingen doen (en dan misschien een sporthemel zou kunnen heten, met de hel als dreigement voor wie niet meer presteert), naast of boven de andere wereld, de wereld van mensen met een nine to fivejob (bestaat dat nog?), die de moed – noem het voor mijn part: het kritische bewustzijn – opbrengen om ’s avonds nog te start to run-en, te gaan fietsen of fitnessen of wandelen. Die mensen, en het zijn er gelukkig meer en meer, hoeven toch niet wakker te liggen van een minuutje meer of minder en of een kilometer vandaag langer is dan gisteren en korter dan morgen? Ik stel voor dat we het hier hebben over sport als levenskunst. Wat bedoel ik daarmee?

De levenskunst is recent in de filosofie aan een stevige opmars bezig. Je kan het ook een comeback noemen, na bijna tweeduizend jaar vergeten geweest te zijn. De oude Grieken wisten al dat de Grote Vragen van de filosofie draaien om de queeste naar een goed en betekenisvol leven. Dat hing dan samen met het idee van jezelf de maat te kunnen stellen. Lees dat als: wat is goed voor mij, hoe kom iktot dat goede, bevredigende, evenwichtige leven. Ik denk dat die vraag nu meer dan ooit urgent is geworden. Onze hoogtechnologische cultuur heeft namelijk enkel voorheen onbekende en onbevraagde consequenties met zich meegebracht. De eerste is evident: nogal wat technologieën lijken ervoor geschapen onze lijfelijkheid uit te sluiten. We springen in de auto om ons naar de bakker te spoeden, we nemen de lift om op de tweede verdieping acht uur lang op een bureaustoel te gaan zitten en we kopen een of ander trildinges omdat het dan niet veel moeite kost om iets aan onze o zo verwaarloosde spieren te doen. Makkelijk zat. Anderzijds stelt die technische omgeving ons ook in staat om ons lijf de gekste dingen te laten doen. Beantwoorden aan het utopische model van het perfecte lichaam bijvoorbeeld. Of ons biotechnologisch laten prepareren om ‘boven ons zelf uit te stijgen’. Waarna ooit wel de diepe put volgt. En ontgoocheling en afhaken. 

Oké, ik geef toe dat ik overdrijf. Een beetje toch. Sta me toe het even over mezelf te hebben. Ik train ook wel graag met een bepaald doel voor ogen. Trainingstechnisch is dat makkelijk en veilig. Je bouwt op, neemt rust op de gepaste momenten en je vergroot de kans er te ‘staan’ op het ogenblik dat dit nodig is. Mijn grote doel voor de eerste helft van dit jaar zijn de examens van de maand juni. Ik kan u verzekeren dat dit voor profs niet de leukste tijd van het jaar is. Een kleine vijfhonderd studenten zullen in een bestek van drie weken hun filosofische spitsvondigheden of hun spijtig genoeg van buiten geblokte wijsheden door mij hebben laten beoordelen in de komende zittijd. ’s Morgens om negen uur beginnen ondervragen en hopen dat je om zeven uur ’s avonds de trein kan nemen om dan om half negen nog wat te gaan hollen of bollen, dat kan natuurlijk. Maar het leidt tot stress. En tot prikkelbaarheid. Niemand wil graag die ene student zijn die me de trein van rond zevenen doet missen waardoor het eigenlijk al een beetje te laat wordt om nog zwetend en lichtjes kreunend fysiek aan de slag te gaan. Wat is er dan een mooier doel dan drie weken lag, vijf of zes dagen op rij van Dendermonde naar onze Vrije Universiteit in Etterbeek te fietsen? Ik zal dan heen en terug zowat vierentachtig kilometer hebben getweewield, weliswaar  aan een niet spectaculair hoog gemiddelde, gezien het gewicht van mijn trekkingfiets-met-tassen-met-boeken. En gezien mijn eigen gewicht. Dat neemt enige tijd in beslag, maar eigenlijk nauwelijks meer dan met de trein reizen en zeker niet meer dan met de motoraangedreven vierwieler. Daar kijk ik nu eens naar uit zie. Weken van meer dan vierhonderd kilometer in het zadel. Dagelijks de Lambermontlaan naar boven. Echt waar: op de meeste uren van de dag sneller dan die vierwielers. En op dat moment genoeg hormonaal verzadigd om al te opdringerige automobilisten zo overtuigend boos aan te kijken dat ze mij overal voorrang geven. Ongeveer toch.

Gelukzalig berustend in mijn ondervragerslot van die dag zal ik vervolgens de studentenwijsheden tot mij laten komen. Ik verontschuldig mij hierbij officieel bij de academische overheid omdat mijn puntengemiddelde dan enige procenten hoger zou kunnen liggen dan wellicht bij NMBS-verwensende of fileleed lijdende collega’s het geval is. Maar dit bedoel ik dus met sport als levenskunst en als onderdeel van onze wereld. De enige wereld.   

          

Zelftransformatie

De voorbije jaren heeft zich een fundamentele verandering voltrokken in ons denken over het denken. Een veel te groot deel van het filosofenkorps heeft dat nog niet gezien. Of wellicht niet willen zien, want te bedreigend voor diep ingesleten benaderingen van hoe de mens zich als denkend wezen in het leven situeert. Die fundamentele verandering hebben we in de eerste plaats te danken aan de neurologie en neuropsychologie. Het nieuwe inzicht dat daar de voorbij tien tot vijftien jaar gegroeid is, heeft het over de plasticiteit van ons brein. De titel van een boek van de Nederlandse neurologe Margriet Sitskoorn vat netjes samen wat hier zoal in het geding is. Dat boek heeft Het maakbare brein. Gebruik je hersens en word wie je wilt zijn. Dat is straffe klap. Vooral het tweede deel van de titel zet een aantal zelden betwijfelde evidenties op de helling. Of er is het boek van de Franse neurofilosofe Cathérine Malabou, Wat te doen met ons brein? 

Voor alle duidelijkheid: geen van beide dames heeft het hier over het gebruik van de hersenen in de zin van beter of dieper te gaan nadenken. Dat is misschien een deel van het verhaal, maar de eigenlijke revolutie heeft met andere bevindingen te maken. Tot voor kort waren de meeste wetenschappers er namelijk nog van overtuigd dat de werking van de hersenen en de vorm ervan een paar jaar na onze geboorte al definitief vastlag. Trad er toch verandering op, dan was dat enkel het gevolg van negatieve toestanden. Verwoeste hersencellen door overmatig drankgebruik, of hersenbeschadiging door ongewenst gebeuk met het hoofd tegen iets minder buigzame objecten bijvoorbeeld. En dan was er natuurlijk ook nog het verval door ouderdom.

Dat beeld van een al op jonge leeftijd voltooid brein houdt nu echter niet langer stand. Dat hebben we te danken aan allerlei nieuw scantechnieken die aan wetenschappers toelaten de werking van de hersenen veel nauwkeuriger in kaart te brengen dan ooit het geval is geweest. Als filosoof word ik daar een klein beetje wild enthousiast van. En eigenlijk is het goed nieuws voor ons allemaal. Waarom? 

Die nieuwe onderzoeksresultaten tonen aan dat er iets als een plasticiteit van het brein bestaat. Ons brein, dus de vorm en werking van onze hersenen, kan nu beschreven worden als een levenslang werk in uitvoering. Het brein blijft zich ons hele leven door aanpassen aan nieuwe prikkels, aan nieuwe omgevingsfactoren, aan andere gewoontes die we ons aankweken. Dat is meteen het goeie nieuws: we kunnen er zelf iets aan doen. Worden wie je wilt zijn, om de titel van Sitskoorns boek nog eens aan te halen. Een boek van de Amerikaanse Sharon Begley over The Plastic Mindheeft het bijvoorbeeld ook over de nieuwe wetenschap die ons buitengewone potentieel toont to transform ourselves. Wat is hier nu aan de hand dat een filosoof er op een hoger toerental gaat van draaien? 

Wel, als ons brein al zou vastliggen van in de prille jeugdjaren, dan zou dit meteen een stevige beperking inhouden van onze vrijheid. Bovendien lijkt het sommigen onder ons dan op te zadelen met een soortement noodlottige voorbestemming. ‘Ik ben nu eenmaal zo’. ‘Dat is mijn natuur’. Of het is hun karakter waar ze ook niks kunnen aan doen. Zo makkelijk komen we er nu dus niet meer van af. U zal mij zeker niet horen beweren dat iedereen van zichzelf een radicaal ander mens kan maken. Wel lijkt het me duidelijk dat we in staat mogen worden geacht bepaalde hobbelige wegen in ons leven beter bewandelbaar te maken. Veel beter zelfs. Het brein is geen op zich staande entiteit. Natuurlijk bepalen onze hersenen ons gedrag, maar dat gedrag bepaalt ook onze hersenen. Wie zich een nieuwe attitude aanmeet, brengt daarmee op relatief korte tijd al veranderingen op gang in de hersenen. Voortdurend ontstaan daar nieuwe verbindingen tussen de hersencellen. Die nieuwe verbindingen resulteren in een ander gedrag, in andere reacties. Dingen die we heel vaak doen, maken die verbindingen bovendien alsmaar sterker. 

Ik heb het hier eerder al gehad over zelfzorg en over levenskunst. Dat had dan in beide gevallen te maken met een goeie zorg voor het lichaam. De boodschap die de recente neurowetenschappen ons nu nalaat, is dat dit ook een zorg voor ons brein zou moeten inhouden. We verzorgen zowat alle lichaamsdelen, van spieren, over pezen en gebit tot onze huid. Wel, het brein is ook zo’n lichaamsdeel dat die zorg erg nodig heeft. Wellicht nu meer dan ooit. Langdurige stress, depressiviteit of slaapstoornissen hebben altijd schadelijke gevolgen voor de hersenen. We laten onszelf allerlei kwaaltjes en angsten aankweken die uiteindelijk zichzelf nog gaan versterken. Dat is de negatieve kant van die plasticiteit: we adapteren ons bijvoorbeeld aan een losgeslagen maatschappij waar flexibiliteit eigenlijk een synoniem is voor ‘meer doen op minder tijd’. 

Het boek dat ik hierboven al vermeldde, The Plastic Mind van Sharon Begley, kreeg een inleiding mee van de Dalaï Lama. De ‘boeddhistenpaus’ had namelijk een grote belangstelling opgevat voor de nieuwe evolutie binnen de neurowetenschappen en stemde toe in een samenwerkingsverband (zie www.mindandlife.org). Uit die samenwerking resulteerde ondermeer onderzoek naar de hersenwerking van boeddhistische monniken. Daaruit blijkt ondermeer dat de lange meditaties ingrijpende gevolgen hebben voor het brein. In positieve zin. Aandacht en mildheid zorgen voor een andere bedrading in de hersenen. En zo ook voor een anders in de wereld staan. Het succes van een hier vooral voor stressreductie gebruikte therapie als mindfulness is daar niet vreemd aan. De grondlegger daarvan Jon Kabat-Zinn, is neurowetenschapper en boeddhist overigens, net zoals bij ons Edel Maex.

U bent nu al 925 woorden lang aandachtig en geduldig, wachtend op het verband van dit alles met sportactiviteit. Wel, wetenschappelijk onderzoek toont dat sport een positief effect heeft op de hersenen. Het verval ervan wordt tegengegaan, het leren bevorderd (een grotere openheid voor nieuwe prikkels dus) en het heeft uiteraard een positief effect op de stemming, wat dan weer te maken heeft met een vlotter verkeer van boodschapperstoffen in de hersenen. Ouderen die sporten verliezen bijvoorbeeld ook minder hersenweefsel in die gebieden van het brein die verantwoordelijk zijn voor alles wat met plannen en met het bedenken van strategieën te maken heeft. Voor velen is het ongetwijfeld ook herkenbaar dat sportactiviteit angstreducerend werkt. En angst is nu net een emotie die vaak op onbewuste wijze onze gedragingen bepaalt. Nog eentje: onderzoek aan Duke University bij depressiepatiënten tussen de 50 en de 77 heeft aangetoond dat drie keer per week snel wandelen na vier maanden precies hetzelfde effect had als het nemen van een antidepressivum. Wat meer is: na een jaar toont de vergelijkende studie aan dat een derde van de patiënten die een antidepressivum had gekregen en niet was gaan sporten, terug hervallen was. Bij het sportende en medicatievrije deel van de andere onderzochte groep, bleek dat 92% van hen zich nog goed voelde na een jaar. Als de aloude vraag van de filosofie naar het goede leven geactualiseerd mag worden, dan moet ze met dit alles grondig rekening houden, lijkt me. Levenskunst en zelfzorg richten zich dan ook op het brein.        

Toen een neurowetenschapper in het kader van hoger genoemd samenwerkingsverband aan een groep boeddhistische monniken vroeg naar de hun fysieke activiteiten, wreven enkelen onder hen mild over hun ronde buik. Ik wil maar zeggen: niemand is perfect hoor.

Gewoon gelukkig zijn

Een tijdje geleden werd ik in een ziekenhuis opgenomen voor een wat grondiger onderzoek van mijn hart. Dat is een nogal merkwaardig geval, dat hart van mij. Zeer groot. In letterlijke zin toch. En heel erg traag. Zak ik onder de dertig tikken per minuut, dan moet ik dringend iets opwindends gaan doen. Sporten bijvoorbeeld. Zo niet voel ik me moe en futloos.   

Mijn vraag was geweest: kan ik aan sport doen zonder mezelf al te veel beperkingen te moeten opleggen. Eén van de cardiologen die ik sprak, een Zwitser, liet zich tijdens het onderzoek iets veelzeggends ontvallen in zijn gebroken Engels: ‘Waarom zoveel aan sport doen? U bent toch professor?’. Hij bedoelde: wie aan een universiteit werkt als prof, in mijn geval in de filosofie, heeft toch geen behoefte aan dat minder verheven gedoe van het zwoegen met een racefiets of met loopschoenen. En ik geef toe dat ik soms ook wel eens ga twijfelen. Tijdens die drie en een half uur fietsen gisteren had ik ook even lang Nietzsche kunnen lezen bijvoorbeeld. Is het wel zinvol om dan te kiezen voor de twee wielen? Ik ken maar één remedie om mij van die twijfels te verlossen, en die bestaat er in kort terug te blikken op mijn eigen levensloop en op hoe mijn leven er nu uitziet.

Zo had ik onlangs in de late voormiddag een nogal stevige training afgewerkt. Met de racefiets op rollen. Hoge weerstand, zware versnelling en dan de pedalen zo’n vijftig keer per minuut blijven rondtrappen. Acht keer drie minuten, met telkens twee minuten rust. Mijn vrije – ik geef toe: wat overdreven – variatie op een trainingsschema dat ik ergens vond. Op het einde van elke sessie van drie minuten gaat mijn hartfrequentie dan flink de hoogte in. Net ‘in het rood’, dat punt waar je min of meer in ademnood komt. 

Die zware training had ik doelbewust in de voormiddag gepland omdat ik ’s avonds nog een lezing moest geven. Dergelijke training geeft me dan energie voor de rest van de dag. Ooit verliepen mijn avondlezingen wat moeizaam. Ik voelde me dan vaak een tikje uitgeblust na al een dag werken. Wat voor een filosoof doorgaans betekent: veel lezen en schrijven. Sport is op die momenten quasi een soort van doping: je wekt allerlei stimulerende stoffen op in je bovenkamer. Die lezing verliep dan ook schitterend. Vond ik toch. Woorden en gedachten stroomden vrijelijk. Van vermoeidheid of van een uitgeblust gevoel was totaal geen sprake.

Lichtjes euforisch nam ik me tijdens de treinrit naar huis voor om nog die avond een eindje te gaan joggen. Alleen maar wielrennen vind ik een wat eenzijdige bedoening. Alleen maar lopen ook trouwens. Beter lijkt het me ook andere spiergroepen aan te spreken. Of dezelfde spiergroepen anders aan het werk te zetten. Zowat vijftig minuten heb ik nog gelopen. Niets zo heerlijk als de dag eens te kunnen overpeinzen terwijl je door avondlijk verlaten straten loopt. Om elf uur was ik ermee klaar. Blijvend bruisend van energie. Nog een uurtje of twee  sprankelideetjes op papier zetten en er mijn dagelijkse portie romanliteratuur doordraaien, was totaal geen probleem.

Slapen lukt dan – uiteraard zou ik zeggen – bijzonder goed. ’s Morgens dus lekker kwiek uit bed gewipt. Loopschoenen aangetrokken en zonder ontbijt al een veertigtal minuten gaan lopen. Mijn ochtendgebed. Na het ontbijt een half uurtje in de zetel. Wat liggen mijmeren. Nadenken over wat ik zou kunnen schrijven die dag.  

Een lichte gêne overvalt mij. Waarom die persoonlijke ontboezemingen? Kan dit iets betekenen voor de lezers hier? Is dit geen aanstellerij? Ik geef toe: ik ben er een beetje fier op dat ik dit allemaal aankan. En ik hoop u in wat hieronder volgt duidelijk te kunnen maken waarom.

Binnen een klein half jaar word ik er vijftig. Volgens bepaalde normen zit ik nog wat te goed in het vet. Maar ik heb totaal geen competitieve bedoelingen met die mix van hardlopen en wielrennen die de meeste van mijn dagen kleurt. Het gaat mij om levenskwaliteit, om een goed leven.

Ik hoop dat u mij toestaat het nog even over mijn eigen leven te hebben. Eind jaren tachtig van vorige eeuw had ik een zwaar ongeval met de auto. In die tijd was ik nog cultuurredacteur bij het dagblad De Morgen. Energie en schrijfinspiratie meende ik toen te kunnen halen uit vele sigarettentrekken. En als het slapen niet lukte, vond ik wel hulp bij wat glazen wijn. Roofbouw heet dat. Dat ongeval was dan ook niet meer dan een logisch gevolg van die quasi constante toestand van stress en overwerktheid waarin ik mezelf had gemanoeuvreerd. Soms beweer ik wel eens dat ik die dag om het leven ben gekomen. Beter: ik heb toen een bepaald soort leven achter mij gelaten. Na een comateuze toestand van bijna drie weken en een revalidatie van vele veel te lange maanden kon ik proberen mijn leven opnieuw op de sporen te krijgen. Dat viel niet mee. Wie in coma is geweest, voelt zich als een soort van leeggelopen batterij. Die batterij opnieuw opladen vraagt veel tijd en veel geduld. Fysieke inspanningen waren dus helemaal niet zo evident. Dat had zo ook zijn mentale weerslag. Jarenlang heb ik moeten vechten tegen depressiviteit, daarbij een tijdlang geholpen door medicatie. Antidepressiva hebben ook die uitwerking op de hormonale huishouding die ik hierboven beschreven heb. Angsten verdwijnen, het humeur klaart grotendeels op, werken lukt beter. Dat heeft mij een tijdlang geholpen. Alleen: dat spul werkt sowieso verslavend en heeft altijd wel ergens vervelende neveneffecten. 

Toen al wist ik dat sport mij beter zou kunnen helpen. Evident was dat echter niet. Mijn lichaamsgewicht was schrikbarend toegenomen na dat ongeval en ik had er ook een lichtjes misvormde linkervoet aan overgehouden. Een arts zei me toen zelfs dat ik nooit meer normaal zou kunnen lopen. Dat was trouwens één van de eerste dingen waar ik aan dacht, toen ik in november 2006 de natuurmarathon in Kasterlee heb uitgelopen. Daar had ik meer dan viereneenhalf uur voor nodig. Maar de finish heb ik wel gehaald. Als ik u een raad zou mogen geven: vergeet die fixatie op de chronometer. Niet hoe snel je loopt of fietst, maar dát je het doet is van tel. 

Nu heb ik wel een paar stappen overgeslagen in mijn levensverhaal. Begin 2001 kwam ik terug uit het Californische San Diego, waar ik op een congres was gaan spreken. Daar had ik gemerkt hoe mensen hun conditie op peil brachten door wat in het Engels powerwalking heet, een stevige manier van stappen, te snel om het wandelen te noemen, te traag om van hardlopen te kunnen gewagen. Zo ben ik toen ook herbegonnen, 108 kilogram zwaar.

Een cliché zegt dat je eens voorbij de veertig er vrede moet mee nemen dat je er conditioneel niet echt meer zal op vooruitgaan. Dat heb ik sedertdien van maand tot maand en steeds krachtdadiger tegengesproken. Het gaat mij daarbij zeker niet om het fysieke element op zich. Wat mij zo boeit zijn de emotionele en psychische effecten daarvan. Die eens gedeprimeerde en pillenslikkende filosoof heeft zichzelf een tweede leven geschonken dankzij een langzaam opgebouwd trainingsregime. De voorbije zomer heb ik, vanwege nog te veel werk, op twee dagen na (toen moest ik van mijn lief) geen vakantie genomen. Wel heb ik in de loop van juli een veertigtal keer aan sport gedaan. Soms dus twee keer per dag. In 2001 moest ik me nog beperken tot drie, maximum vier keer per week. 

Uit hoger vermeld onderzoek was dan ook gebleken dat ik nog stevig tekeer mag blijven gaan met racefiets of loopschoenen. En die ongetwijfeld goedbedoelende cardioloog zal me niet meer aan het twijfelen brengen. Ik zal hem in mijn gebroken Engels iets toefluisteren over gelukkig zijn. Bijvoorbeeld als ik straks in november een tweede keer die marathon in Kasterlee uitloop. Ik word daar een klein beetje weemoedig van. Toen ik daar drie jaar geleden in Kasterlee, betekende dat voor mij dat ik hersteld was van dat ongeval. Dat heb ik toen niet luidop durven zeggen, na zeventien jaar. Als filosoof maakt mij dat wel een beetje bescheiden: zo begin je dus ook een leven opnieuw. 

Romantiek in de hel

Al dagen loop in naar woorden te zoeken om een min of meer coherent verhaal te kunnen vertellen over mijn ‘sportexploten’ (sic) van de voorbije tijd. Titel na titel passeerde de revue, wisselend met mijn stemming van het moment. Ik nodig u uit even mee te kruipen in mijn met woorden worstelende brein en hoe dat zich in een soms fijne, soms ruwe, beetje wrede dialoog met mijn lijfelijke wedervaren in bochten en kronkels wringt. Euforie, hoop, wanhoop, defaitisme… Het is maar een greep aan wat ik hier zou willen zeggen. Object van die emotionele wervelwinden is de marathon van Kasterlee. 

Op 14 november, de dag voor het Gebeuren, wist ik het zeker. Ik zou een verhaal vertellen over pure romantiek. Het regende en waaide snoeihard. Die Kasterleese bossen – krakende boomstammen in een bed van modder – zouden ons een warm onthaal gaan bezorgen. Zij het wel in een zeer spreekwoordelijke zin van het woord.

Met die romantiek heb ik altijd wel iets gehad. Dem Schnee, dem Regen, dem Wind entgegen… Dat is een vers van Goethe. Het gedicht gaat eigenlijk over de liefde en hoe rusteloos die kan zijn, maar voor mij is het een vers dat kracht uitstraalt en kracht geeft. Immer zu immer zu, ohne Rast und Ruh… Blijven doorgaan, geen rust, noch qua lijf, noch qua gemoed. En dan verder zegt hij nog zich liever door het lijden heen te worstelen dan de vreugden van het leven te moeten verdragen. Goethe was een flandrienvan het hart. 

Romantici hadden iets met het sublieme. Dat iets subliem is, betekent in de filosofie of de kunst niet gewoonweg dat het om iets heel erg fantastisch, schitterend of wonderbaarlijk straf gaat. Bekijk de vergelijking met momenten waarop we het over schoonheid hebben. Die roepen associaties op met rust, sereniteit, iets waar je kan bij verwijlen. Dat soort dingen. Het sublieme echter schopt nogal fors tegen schoonheidsschenen. Het sublieme gaat over genot, maar evenzeer over pijn. Het trekt je aan, maar je wordt er ook krachtig door afgestoten. Het sublieme fascineert en doet ons tegelijkertijd huiveren. Een overweldigende natuur, nooit eindigende woestijnvlakten, kolkende zeeën met opspattend schuim… De bossen van Kasterlee op 15 november. Ziet u mij daar staan aan de start? Noem het voor mijn part een mentaal opwarmertje. Het zal daar woest worden. Oké. Maar dat zal ik dan wel op een haast extatische manier ondergaan. Een beter, voller, meer gehard individu zou ongetwijfeld die aankomstlijn overschrijden. (Ironie was trouwens ook niet ver weg in de Romantiek.)   

Dat ik halfweg drie minuten sneller doorkwam dan mijn eindtijd op de halve marathon in Brussel een maand eerder mag natuurlijk niet belangrijk zijn. Zo vaak heb ik al een verhaal verteld over sport als levenskunst en dat chronometercijfertjes daar eigenlijk niks mee te maken hebben. Het gaat om de ervaring en om de performance. Lopen doe je om het lopen. Dat is mijn uitgangspunt. Ik blijf daar achter staan en zal het blijven herhalen. Maar – hoe moet ik dat zeggen –, het vlees is zwak als het zich sterk waant. Ergens behoort het blijkbaar ook tot mijn natuur om lichtjes opgewonden te raken bij het vooruitzicht van wat dan een scherpe tijd wordt genoemd. In mijn geval zou die net beneden de vier uur te situeren zijn. Bij die passage halfweg veranderde deze levenskunstsporter in een chronometervolgeling. Een kilometer of vijf verder is gebleken dat God echt bestaat en dat Hij mij niet zo graag zag op dat moment. Dat ik prestatiehonger even liet primeren op levenskunstig lopen heeft Hij bestraft met de halvering van het sublieme gehalte van mijn ervaring daar. Het element genot blonk vanaf dan alleen nog maar uit door afwezigheid, dat van de pijn daarentegen door veel te nadrukkelijke aanwezigheid. Alleen een onzichtbare hand, autoritair dirigerend vanuit hemelse hoogten, kan een mens zo tot knielen dwingen. Ik had gezondigd tegen mijn eigen prestatiedrangvrije sportbijbel en moest daar nu voor boeten. Dit is hier mijn biecht. Ik geef toe: God bestaat. Zij heet Sciatica. En ik heb op haar zenuw gewerkt.

Ik kan mij zeer goed voorstellen dat u mij niet gelooft, maar zelfs tijdens het lopen van een marathon denk ik aan het schrijven van teksten. Over het verhaal dat ik ga vertellen of over een mogelijke titel. Nog iets schever dan die eenzame boom daar in het veld, onbeschaamd kreunend in mijn eenzame geworstel met de wind, dacht ik opnieuw aan Goethe. De man kreeg grote schrijversfaam na het publiceren van zijn roman over het lijden van de jonge Werther. Typisch product van de Sturm und Drang. Een hopeloze liefde, een getormenteerde ziel, een fatale afloop. Ziet u mij nog lopen? De titel die ik onderweg bedacht, luidde ‘Beschouwing over het werkwoord O’. Ik zou u hier een verhaal vertellen over het werkwoord O dat niet in mijn woordenboek staat. En dat ik daar heel erg van overtuigd was. Zo beantwoordde ik perfect aan het clichébeeld van sportmartelaars allerhande: ‘ik had mijn twee polsen gebroken, maar ben blijven doorfietsen’; ‘het bloed stroomde over mijn voorhoofd, maar aan O heb ik geen moment gedacht’; ‘mijn neus zag wit, maar voor O haalde ik hem op’. U kent dat soort verklaringen wel. We hebben daar meestal heel erg devote bewondering voor. Daar in Kasterlee kon het werkwoord O voor mij dan ook alleen maar een holle klank blijven, zonder betekenis. De boer ploegde dus voort. Zowat 34 à 35 kilometer ver. Alsmaar krommer, alsmaar manker, tot zelfs nog maar het overwegen van een stap verder een priem door mijn stilaan moedeloos wordende lijf joeg, van lage rug tot linkerkuit. Werthers fatale afloop heette dan maar O. De slotzinnen van dit schrijfsel moesten dan maar worden: ‘Ik heb voor alle veiligheid toch eens mijn Van Dale opengeslagen ’s avonds. En kijk, het werkwoord O staat er wel in. Het komt na ‘opgetopt’. Leuk woordje, al bevond ik mij die avond wel in een andere positie dan dat. Maar goed, mijn daad was dus perfect in overeenstemming met de Van Dale. En het Woord van den Dikkenspreek ik niet tegen’. Voilà, zoiets kan toch tellen als verantwoording voor mijn Sturmdie met niet al te veel Drangeindigde?

Dat knielen echter, dat ga ik toch nog eens herbekijken. 

Back to basics

Van de vijftig jaar dat ik onze aardkluit versier met mijn aanwezigheid, hang ik zo ongeveer dertig jaar de intellectueel uit. Enkele momenten van grote luciditeit tijdens mijn puberjaren niet te na gesproken. Ik schat dat ik in die dertig jaar om en bij de drieduizend boeken moet hebben gelezen. In mijn job mag dat. De voorbije jaren heb ik me wel eens vaker oververzadigd gevoeld. Niet dat het lezen mij begon tegen te steken, wel dat die boeken het wat moeilijk kregen nog voor nieuwe intellectuele prikkels te zorgen. Teveel déjà lu

Mijn goede voornemen om het op deze bladzijden nooit over mijn leven als boekenmens te hebben, kreeg dan ook een tamelijk forse knauw toen ik enkele maanden geleden een boek las dat zondermeer mijn kijk op mens en wereld een verfrissende injectie gaf. Dat boek heeft het niet over een of andere nieuwe spiritualiteit of over utopie nr. zoveel. Neen, het boek gaat over hardlopen. En hoe dat hardlopen de fundamenten heeft gelegd voor de ontwikkeling van de wetenschap en voor onze hele evolutie als soort. Straf, niet?

De titel van het boek luidt in het Nederlands ‘De geboren renner’, al vind ik de Engelse titel in zekere zin krachtiger: ‘Born to Run’. De auteur, Christopher McDougall, een Amerikaans journalist en hardloper, vertelt er een spannend en meeslepend verhaal en doorspekt dit met bevindingen uit wetenschappelijk onderzoek allerhande, gaande van biologie over evolutietheorie tot culturele antropologie.

De ‘sterren’ van het boek zijn de Tarahumara indianen uit Mexico. Zij leven ergens in het Mexicaanse hooggebergte en ze doen dat zo onopvallend mogelijk. Moderne technologie kennen ze niet of nauwelijks. Ze leven verscholen tegen de rotsflanken en het blijkt best mogelijk te zijn hun ‘dorp’ te passeren zonder ook maar iemand bespeurd te hebben. Nu is het er mij hier zeker niet om te doen een pleidooi te houden voor een primitief leven of een bestaan zonder materiële luxe, laat staan comfort. Maar het verhaal van McDougall zorgt toch voor meer dan één kanttekening bij het hoogontwikkelde leven dat wij leiden in onze consumptie- en productiedriftige maatschappij. Ik citeer McDougall: ‘Met rust gelaten in hun geheimzinnige schuilplaats in de canyons had deze kleine geïsoleerde stam vrijwel elk probleem dat de mensheid kende opgelost. Noem een categorie – geest, lichaam, ziel – en de Tarahumara streefden naar perfectie. Het was alsof ze stiekem hun grotten hadden omgebouwd tot broedmachines voor Nobelprijswinnaars, die allemaal zwoegden om een eind te maken aan haat, hartziekten, scheenspalken en broeikasgassen’. Geen corruptie, zwaarlijvigheid, drugsverslaving, hebzucht, vrouwen- of kindermishandeling. Het percentage Tarahumara dat kanker krijgt, is minimaal. Depressiviteit is er een exotische ziekte. Hoe ze dat doen? Door te Lopen. Met hoofdletter. Vijftigjarigen kunnen er harder lopen dan tieners. Tachtigjarigen leggen marathonafstanden af over de berghellingen. Vriendelijk, gelukkig en quasi bovenmenselijk taai, zo zitten ze daar in elkaar. Hun sereniteit blijkt ongezien. Behalve als ze hun lechuguillagaan drinken, een zelfgemaakte tequila, gebrouwen van dode ratelslangen en cactussap. Volgens een buitenstaander die het eens had mogen meemaken werden die immer hardlopende indianen zo ladderzat dat echtgenotes elkaars bovenkleding afscheurden en met blote borsten worstelden, terwijl een krijsende oude man probeerde een maïskolf in hun achterste te steken. Op die manier werd een ganse nacht feest gevierd. Voor wie nu een kater krijgt bij de gedachte daaraan alleen al: ’s anderendaags kwamen de Tarahumara uit hun bed voor een hardloopwedstrijd. Die ging niet over een paar kilometer of over een paar uur, maar over twee volle dagen. Een Mexicaanse historicus wist te vertellen dat één van hen ooit 696 kilometer aan een stuk liep. Andere Tarahumara-lopers deden het iets bescheidener en hadden het over onafgebroken duurlopen van om en bij de 450 kilometer. Hun favoriete sportvoeding bestaat uit gemalen maïs, op smaak gebracht met wat hun favoriete lekkernij blijkt te zijn: muis van de barbecue.

Dat klinkt allemaal leuk en spannend en merkwaardig, maar aan ons is dat natuurlijk niet meer besteed. (Ik verontschuldig mij uiteraard bij wie zich nu miskend voelt.) De hardlopers onder ons kunnen hier echter wel een paar – voor mijn part niet te veronachtzamen – lessen uit trekken. Die lessen strijken tegen de haren in van al wie hier prestatiegericht sporten als streefdoel heeft. Bij de Tarahumara gaat het om lopen met een glimlach op het gelaat. Zie deze anekdote. Een Amerikaanse atletiekcoach wou het ‘geheim’ van de Tarahumara doorgronden. Hij volgde hen tijdens één van de weinige ‘echte’ wedstrijden waartoe men hen had kunnen overhalen, de beruchte Leadville trail, honderd mijl lang op grote hoogte in de Rocky Mountains. In 1992 won een 52-jarige Tarahumara de race, gevolgd door een 41-jarige dorpsgenoot. Tientallen kilometers lang hadden ze behoedzaam achter gevestigde waarden uit de ultramarathonwereld gelopen. De nieuwsgierige coach had zich aan een zware helling geïnstalleerd. De koplopers kreunden er zich naar boven. Het geheim van de Tarahumara bleek hierin te bestaan dat ze liepen te lachen tijdens die beklimming. En ze wonnen dus. Na een tweede deelname, in 1994, met opnieuw winst, weigerden ze echter later nog terug te keren. Sponsors hadden namelijk ruzie gemaakt over wie hen zou kunnen ‘inlijven’. Dat doe je dus niet met de Tarahumara. Zij lopen om te lachen en om samen te zijn, nooit om geld.

Een uitspraak van hen, die ik vanaf mijn lectuur van dit boek altijd meedraag: ‘Als je op de aarde hardloopt en metde aarde hardloopt, kun je altijd blijven hardlopen’. Of Caballo Blanco, een Noord-Amerikaan die de indiaanse leef- en loopstijl ging delen: Verzet je niet tegen het pad. Neem wat het je geeft. Zijn tweede les geef ik helemaal weer: ‘Makkelijk, Licht, Soepel en Snel. Je begint met “makkelijk”, want als dat alles is wat je bereikt is het zo gek nog niet. Dan werk je aan “licht”. Zorg dat het geen inspanning kost, alsof het je niets kan schelen hoe hoog de helling is of hoe ver je nog moet. Als je dat lang genoeg geoefend hebt om te vergeten dat je oefent, ga je eraan werken het “soepel” te maken. Over het laatste hoef je je geen zorgen te maken – als je de eerste drie onder de knie hebt, word je vanzelf snel’.    

Sedert ik deze loopfilosofie in de praktijk breng, kom ik van elke training ontspannen thuis. Wie het gevoel heeft te moeten werken tijdens de training, is op weg naar blessures, zo leer ik hier. En wie is dat het dure sportschoeisel dat wij dragen wellicht een van de belangrijkste oorzaken is van die blessures? We voelen de aarde niet meer. Het loopcomfort van ons schoeisel doet ons te snel gaan. Wat zich uiteindelijk wel eens wreekt. Een volgende stap zou nu moeten zijn een wedstrijd te lopen alsof het er geen is. Oké, competitielopers hebben hier wellicht geen boodschap aan. Ik wel. Waarom zou sport een bron van stress moeten zijn in onze zo al genoeg opgefokte samenleving? Mag ik er rust en ontspanning vinden? En de glimlach behouden? 

Mijn trainingsschema’s heb ik weggegooid. Ik loop volgens de goesting en de ingeving van de dag. Waar mij dat gaat brengen? ‘k Zou het niet weten.       

Morgen, 21 februari, vertrek ik naar het Mexicaanse Puebla. Ik ga er een lezing geven op een congres aan de plaatselijke universiteit. De titel van mijn lezing stelt de vraag naar het statuut van lichamelijkheid in de zogeheten virtuele realiteit. De lichamelijkheidsbeleving van de Taramahura vind ik alvast een stuk boeiender.   

Als u hier de komende maanden geen bevlekt ontvangen columns meer vindt, weet u waar ik zit. Of loop.

Lijden

Dat vinden wij wel tof hé, dat lijden. Afzien hoort er bij. We doen het er zelfs voor. Bekijk boektitels: Pijn is genotvan Jan Siebelink, voor mijn part één van de beste boeken over wielrennen ooit geschreven. Of van Peter Smink,  De cultus van het lijden, waarvan de lectuur mij wel in genoemde toestand bracht (als lezer dan), maar dat wellicht niet schrijvers bedoeling was. En recent verscheen van Louise Cornelis, mijn lievelingscolumniste in het maandblad Fiets, een opmerkelijk boek over haar deelname aan de onwezenlijk zware Tour d’Afrique. Tienduizend kilometer op twee wielen gedurende vier maand. Lees het en u zal nooit nog zeggen dat de Koppenberg iets onmenselijks heeft. Het boek van Louise Cornelis heet Afzien voor beginners(zie www.afzienvoorbeginners.nl). 

Dat ‘wij’ van hierboven slaat op het gild van duursporters. Of dat nu hardlopers of fietsers zijn doet hier niet ter zake. Het is een compartimentje binnen de bonte verzameling wezens die deze aardbol bevolkt dat op die aardbol elke kilometer alleen maar ziet als een klein schepje bovenop al de vorige. Hoe meer schepjes er bovenop hoe liever. En elk extra schepje mag pijn doen. Excuus: moet pijn doen. Want pijn is dus genot. 

Toen ik het boek van Louise Cornelis boek las, besefte ik iets te overhaast te zijn geweest bij het schrijven van een kort stukje over mezelf, waar ik het ook had over lijden en afzien. Dat stukje was bestemd om iets te vertellen over een gelegenheidswielerteam van de Vrije Universiteit Brussel waar ik deel van uitmaak. Van 13 tot 16 mei nemen we met dat team deel aan de 1000 kilometer vanKom op tegen Kankerzie (www.vub.ac.be/1000km/). Om te mogen starten zamelt een team eerst €5000 in voor kankeronderzoek en maakt vervolgens vier ritten van 250 kilometer rond. Onze rector begint, zelf neem ik rit vier voor mijn rekening. Nooit eerder heb ik zo ver gefietst en ik was/ben er ook niet zo meteen van overtuigd dat ik voldoende tijd heb of had om mij terdege voor te bereiden. Mijn conclusie was dus duidelijk: ik ga afzien, ik ga lijden. Maar goed, dat stelt niks voor in vergelijking met mensen die aan kanker lijden. Zo schreef ik het op in dat introductietekstje. En al nuanceerde ik op die wijze mijn eigen te verwachten afzien op 16 mei, toch maakte ik de vergelijking: kankerpatiënten lijden, ik ga die dag ook lijden. Maar is dat lijden dan wel te vergelijken? Uiteraard niet. Dat wist ik eigenlijk wel, maar ik had toch het boek van Louise Cornelis nodig om dat een beetje bewuster te beseffen.

Zij definieert afzien als ‘zelf verkozen lijden van enige duur’. Daar ging mijn tekstje dan meteen, want ik had het daarin over de machteloosheid en zelfs woede van twee studentes van mij bij wie kanker was vastgesteld. ‘Waarom ik?’, was hun vraag. Plots krijg je daar een nieuwe verhaallijn opgedrongen in je leven en dat verhaal wordt voor jou geschreven. Je pen wordt gevoerd door een ander. Je ondergaat. Dat is dan ook de echte betekenis van lijden: iets wat je wordt aangedaan. Louise Cornelis onderscheidt het zelf verkozen lijden daarom van andere ellende, zoals de ervaring van iemand die doodziek is. Wij duursporters creëren ons afzien zelf. Hebben we er genoeg van, dan laten we het gewoonweg ophouden. En ja, Louise heeft afgezien, daar in Afrika, maar korte tijd nadien was dat al vergeten. Ze had namelijk ook genoten. 

Vandaar ook het grote contrast met het bericht dat ze bij haar aankomst in Kaapstad ontving. Haar moeder zou twee dagen later al geopereerd worden vanwege een vergevorderde kanker. De enige keuzen die de dame moeder toen nog restten waren diegene die over het mogelijke beïnvloeden van haar lijden gingen. Maar ook dat is weer relatief, want na een half jaar stond de letterlijk definitieve uitkomst al vast. 

Afzien heeft voor duursporters ook een functie: het verlegt grenzen. Louise Cornelis geeft aan dat zij rond haar 35stebesloot aan die eigen grenzen te gaan sleutelen na lectuur van het verhaal van Lance Armstrong over hoe hij zijn kanker heeft overwonnen. Ik ben dat boek, Door de pijngrens, nog eens gaan lezen. Armstrong raakt daar een diep filosofische thematiek aan. De vraag luidt voor hem niet hoe zijn ziekte hem veranderd heeft, maar hoe ze hem nietveranderd heeft. ‘Toen ik ziek was, zag ik iedere dag meer schoonheid, grootsheid en waarheid dan me tijdens een wielerrace ooit is overkomen – maar het waren menselijkemomenten, geen wonderen’. De Amerikaan zegt over zijn sportprestaties dat hij die eerder volbrengt voor het afzien dan voor het plezier. Vijf uur lijden om dan met een opgeruimd gevoel thuis te komen. Hoe meer hij er tijdens zijn ziekte over nadacht, hoe meer kanker op een wedstrijd ging lijken. Dan toch? In beide gevallen gaat het om een gevecht tegen de tijd, met steeds opnieuw informatie over de stand van zaken, steeds nieuwe cijfers die al dan niet iets goeds voorspellen. Maar toch: het belangrijke verschil was dat zijn ziekte nog meer van hem vergde dan ooit op de fiets het geval was geweest. Toen hij in Sestrière de loodzware bergrit won en zo als ex-kankerpatiënt definitief op weg ging naar zijn eerste Tourzege, schrijft Armstrong dat het zwaar is om in een wedstrijd te lijden. ‘Maar het is niets vergeleken met het liggen in een ziekenhuisbed terwijl er een katheter uit je borst hangt en er chemo door je aderen schroeit en je vijf dagen per week 24 uur lang overgeeft’. Naar het einde van zijn boek toe geeft Armstrong aan dat hij liever wil gezien worden als overwinnaar van kanker dan als winnaar van de Tour. Hij heeft aan dat eerste immers meer gehad als mens. 

Toen ik aan Paul De Knop, onze rector, voorstelde om met een team deel te nemen aan die 1000 km van Kom op tegen kanker, was dit ook wat mij dreef als filosoof. Het afgelopen jaar was ik met zeven gevallen van kanker geconfronteerd in mijn nabije omgeving. Filosofen hebben – vind ik – altijd veel te weinig oog gehad voor wat zoiets kan betekenen voor het mens zijn. Dat gevoel van machteloosheid, het weten dat je niet meer zelf je eigen verhaal kan schrijven, de onzekerheid over de uitkomst, de pogingen om het leven toch nog zoveel mogelijk te omarmen. En wij filosofen dan maar boeken volpennen over levenskunst, over autonomie, zelfbeschikking, de queeste naar een zinvol leven… Of hoe ik in mijn eigen onderzoek voortdurend hamer op de lichamelijkheid als onze primaire wijze van in de wereld zijn. Ik schrijf daar doorgaans over op een enthousiasmerende manier. Maar hoe zou dat mijn schrijven veranderen als ik zelf levensbedreigend ziek zou worden? Daar had ik niet eerder bij stilgestaan.

De Franse filosoof Michel Onfray, auteur van boeken over levenskunst en hedonisme, heeft het mogen ervaren toen bij zijn vrouw kanker werd vastgesteld. Hij schreef er een boek over, Het lichaam, het leven en het lijden. Ik geef een citaat mee: ‘Wat is het belang van de bekrompen kleingeestigheden van het dagelijkse leven, de manipulaties van relatiedelinquenten, de levens die worden geofferd op het altaar van ficties van nul en generlei waarde, als de deur achter je dichtvalt na de uitspraak van een arts die je net in bedekte termen heeft laten weten dat je je weerloos en snel in de richting van je graf beweegt?’ Later in het ziekenhuis kijken de Franse filosoof en zijn vrouw naar de Tour. Ze zeggen het elkaar niet, maar beiden wachten ze op het succes en de overwinning van Lance Armstrong als evenveel bemoedigende tekens dat er een leven na de kanker bestaat. 

Ga ik nu afzien op 16 mei? Lijden? Nee, ik weiger dat. Louise Cornelis heeft natuurlijk wel gelijk als ze in een van de laatste paragrafen van haar boek zegt dat afzien tot die zo vaak geroemde ervaring van flowleidt en bovendien nog persoonlijke groei oplevert. Csikszentmihaly, de bekende auteur over ervaringen van flow, schrijft dat mensen ten onrechte denken dat ze het gelukkigst zijn als ze met een zak chips in de zetel tv zitten te kijken. Zijn onderzoek toont nu net dat we het gelukkigst zijn als we worden uitgedaagd het beste van onszelf te geven in sport, werk of hobby. Het zal wel mijn beroepsmisvorming zijn als filosoof en ethicus, maar ik wil me op 16 mei verdomme niet uitgedaagd voelen. Ik wil geen flow. Ik wil die dag niet groeien. Ik wil daar niets presteren. Op een ingetogen wijze wil ik de Antwerpse Grote Markt oprijden na die 250 kilometer. Deelnemen drukt uit wat ik in woorden zo moeilijk te vatten vind. Deel-nemen.    

Nooit aankomen

Ik leg momenteel de laatste hand aan een boek dat na de zomer zal verschijnen. Sport als levenskunstis de titel en de inhoud bestaat voor een groot deel uit de columns die ik hier op deze pagina’s heb mogen schrijven. Wat ik in dit blad kwijt kon, heeft voor mij gefungeerd als een soort sportdagboek. Dat ik sedert eind 2007 vijf keer per jaar mijn bevlekt ontvangen hersenspinsels wereldkundig mocht maken, heeft mij gedwongen (vriendelijk, maar beslist) na te denken over wat sport nu eigenlijk voor mij, academisch werkzaam filosoof, betekent. En vooral: wat ik er wil mee bereiken. 

Ik zal dan nu een historische uitspraak doen (gratis en voor niks, inbegrepen in uw abonnement): sport dient niet om iets te bereiken. Voilà. Daar heb ik zeer diep over nagedacht en ik nodig u uit om dat ook eens te doen. Maar laat me u daarbij toch een handje helpen. Wat bedoel ik daar dan wel mee?

Om te beginnen: ik wil zeker niet beweren dat dit de essentie is van sport. Of dat sport zo moet zijn en niet anders. Alleen is het voor mij een mogelijk perspectief op sportactiviteit. Ik vind dat perspectief interessant, boeiend, zinvol, vriendelijk, vreedzaam. En fijn. Vooral fijn. 

Laat me beginnen met twee tegenvoorbeelden. Hoe het dus – vanuit dat perspectief – niet zou moeten. Het eerste vind ik in een gesprek dat ik onlangs had met een man van halverwege de veertig. (Als je dit leest L, excuus, maar ik zal je hierom niet anders gaan behandelen. Laten we rustig van mening verschillen. Wel vind ik je aanpak ten gronde fout.) De man was ergens rond zijn veertigste tot de vaststelling gekomen dat hij te goed in het vet zat en te slecht in de adem (slecht Nederlands, ik weet het). Hij zou gaan sporten. Liefst wou hij zo snel mogelijk een marathon kunnen lopen. Dat heeft hij de daarop volgende jaren enkele keren gedaan. Zijn eindtijd was telkens beter dan de vorige. Inmiddels is hij gestopt. De reden: ‘ik heb het nu wel gezien en wil iets anders’. Dat ‘anders’ is dan geen andere sport. Tussendoor vertelde L me nog dat hij tijdens een marathon zeker zou opgeven indien hij zou merken dat er geen goeie eindtijd in zat. Ik heb hier al eerder beschreven hoe we volgens mij in onze westerse (prestatie)cultuur een overmatig belang hechten aan het kunnen objectiveren van ervaringen. Door ze in naakte cijfers te gieten. Die van een chronometer bijvoorbeeld. Wie daarop gefixeerd is, stapt er dan uit eens er geen objectieve verbetering meer in zit. Het is hun goed recht, maar ik heb niets aan dat verhaal.

Het tweede voorbeeld vind ik bij mezelf. Eventjes was de verleiding groot om als slot van het boek in wording mijn eigen ‘vooruitgang’ te beschrijven in termen van ‘kijk eens wat ik intussen allemaal kan’. Dat ‘intussen’ is dan de periode tussen mijn vorige sportboek, uit 2005, en nu, zomer 2010. Dat zou makkelijk zijn. In 2005 was mijn langste fietstocht er eentje van 120 kilometer, weliswaar in erbarmelijke weersomstandigheden en met nogal wat Vlaamse Ardennenkuitenbijters onderweg. Mijn gemiddelde lag maar net boven de 20 km/u. Vijf jaar later, intussen de vijftig gepasseerd, fietste ik meer dan het dubbele van die afstand aan een gemiddelde dat ongeveer 10 km/u hoger lag. (Zie je, ik kan niet aan de verleiding weerstaan om het toch maar eens te zeggen.) Objectief gezien heb ik dus ongetwijfeld vooruitgang geboekt. Maar ik beweer: hier gaat het niet om. Waar is het dan wel om te doen in die levenskunstige benadering van sport? 

Ik wil er sport niet zien als afspiegeling van een maatschappij waarin gejaagdheid, stress, prestatiedrang, hyperconsumptie en gebrek aan respect voor onze omgeving tot nog maar zelden bevraagde ordewoorden zijn verheven. Wat meer is: sport kan voor mij net het omgekeerde daarvan belichamen: rust, onthechting, dialoog met de omgeving. Sport kent er geen aankomst, maar is een voortdurend onderweg zijn.

Een Duitse filosoof, Eugen Herrigel, trok in de jaren dertig van vorige eeuw naar Japan om er te gaan doceren. Zijn wens om van die gelegenheid gebruik te maken zich te verdiepen in het zenboeddhisme werd op enige scepsis onthaald. Om min of meer toegang te kunnen krijgen tot die oosterse denkwijze diende hij zich eerst te bekwamen in een van de Japanse kunsten die met Zen te maken hebben: bloemschikken, schilderen of boogschieten bijvoorbeeld. Herrigel opteerde voor het boogschieten. In zijn boek Zen in de kunst van het boogschietenuit 1953 vertelt hij over de zes jaar waarin hij onder leiding van een leermeester trachtte zich te bekwamen in die kunst. Die blijkt eigenlijk te gaan om een geestelijke oefening, waarvan het doel dan ook een geestelijk treffen is. De schutter moet uiteindelijk zichzelf treffen, wat betekent: zichzelf transformeren. Boogschieten zou er dan toe leiden dat de beoefenaar meester wordt over zichzelf. 

Goed, zal u nu zeggen, Tom Boonen of Lance Armstrong zijn toch ook meester over zichzelf. Wat is dan het punt? Dat valt te begrijpen via een omweg. Bij Zen is met name een leermeester onontbeerlijk. En voor zijn beoordeling kijkt die meester niet naar de roos, maar naar de leerling. Niet de pijl of de boog vertellen hem meer, maar de schutter zelf. Het gaat er om de samenhang van de innerlijke en de uiterlijke houding van de leerling. 

Wat blijkt vervolgens? Na een jaar oefenen bakt de Duitse filosoof er nog niets van. Telkens opnieuw faalt hij, ook al doet hij zo erg zijn best. Op zijn vraag wat hij dan wel fout doet, antwoordt zijn leermeester dat dit nou net het probleem is. ‘Dat u uw best doet, dat u er steeds aan denkt. Concentreert u zich uitsluitend op de ademhaling, alsof u helemaal niets anders te doen heeft’. Het leren boogschieten verloopt dan ook via andere stadia. Eerst gaan de oefeningen over het juiste ademhalen en de goeie manier om tot concentratie te komen. Bedoeling is ten langen leste te komen tot een toestand van ontspannen inspanning. Na jaren oefenen lukt het Herrigel om de roos te raken. Zijn uitgelaten stemming daarover kan echter niet op een gedeeld enthousiasme van de leermeester rekenen: ‘Zet u het treffen toch uit het hoofd! U kunt een meester in het boogschieten worden ook zonder dat ieder schot doel treft. De treffers in de schijf daar zijn slechts uiterlijke proeven en bevestigingen van uw in hoge mate gestegen onopzettelijkheid, ik-loosheid, verzonkenheid, of hoe u dit niveau ook maar noemen wilt’. 

Ik leer hieruit dat je wel kan raak schieten, maar tegelijkertijd toch mis als de goede houding ontbreekt. Herrigel leert dat het Japanse boogschieten niet gaat om het raken van een roos, maar om een manier van zijn. Technische kennis is daar helemaal niet voldoende. Het doel raken is uiteindelijk niet meer het gevolg van een bewuste act, maar verloopt eerder vanuit een onbewuste, quasi organisch verworven houding. Herrigel nog eens: ‘Dit alles: boog, pijl, doel en ik raken zo met elkaar verstrengeld dat ik ze niet meer kan scheiden’. Boogschieten is er geen kunde, maar een vorm van zelfcreatie waarbij het individu tot een hoger mens-zijn komt.   

Kijk, als ik binnen een paar jaar nog eens een boek afscheidt, dan wil ik graag hierover kunnen getuigen. Hoe ik vanuit die houding heb leren hardlopen en wielrennen. Mijn dialoog met mezelf zal voortaan hierover gaan. Waar het mij zal brengen, weet ik nu nog niet. Maar misschien is dat ook al een verkeerde vraag. 

Is dit nu in tegenspraak met bovenstaande historische (sic) uitspraak? Neen. Zeker zal ik iets bereiken, maar dat iets ligt dan niet in een of andere externe beloning. En al helemaal niet in iets wat geobjectiveerd of berekend kan worden. Het gaat mij om een zijnswijze. Om hoe ik lichamelijk in de wereld wil staan. Hoe ik mijn eigen lichamelijkheid, en dus kwetsbaarheid, niet van de wereld en van anderen kan scheiden. Dat is een dialogisch zijn, waar niet het ik vooropstaat, maar het geheel waarin dat ik verweven zit. Voldoening over een prestatie krijgt dan een heel andere benadering. Respect staat daar voorop. Cijfers zijn er bijkomstig. 

Ik zeg u: ik heb nog een lange weg te gaan.

Tweewielers aller landen!

Ik ga het land een dienst bewijzen. De kersperiode leent er zich voor vind ik. Ministers en anderssoortig bewindsvolk doe ik hierbij het genoegen hen een goed voornemen te bezorgen. Het zal hen niet met een kater achterlaten en bovendien menig burger van dat kopkriebelende onding bevrijden. Ook zal ik taal- en andere grenzen overbruggen. In een en dezelfde beweging haal ik de loodzware lasten van de gezondheidszorg naar beneden. Werkgevers zullen mij spontaan in de armen sluiten wanneer al spoedig blijkt dat de bij hen loontrekkende dames en heren op tijd komen. Straffer nog: ze komen met de glimlach op tijd.

Met dit alles voeg ik mij bij de illustere schare filosofen die na noeste denkarbeid in besloten werkkamers een utopische blauwdruk voor het maatschappelijke reilen en zeilen ontvouwden. Ze zijn daar nagenoeg altijd in mislukt. Lukte het hen toch, dan had dit rampzalige gevolgen: terreur, uitsluiting, discriminatie van wie een ander kleurtje had dan uniform voorgeschreven.

Mijn utopie moet dit desastreuze effect omzeilen. Laten we er met een bocht omheen fietsen.

Inspiratie vind ik in het boekje Eloge de la bicyclettevan de Franse antropoloog Marc Augé. Zijn geschrift vorm een mix van politieke, sociologische en filosofisch essayistiek. De slotzin luidt: ‘Le cyclisme est un humanisme’. Dan denkt Augé niet aan Lance Armstrong of aan Alberto Contador, maar aan u en mij. Aan hoe wij allen samen onze wereld leefbaarder kunnen maken. Mijn utopie wil om die reden dan ook af van wat Augé in een ander boek van hem de non-lieuxnoemt, de non-plaatsen.Dat is de term die hij bedacht voor omgevingen zoals snelwegen, vliegvelden of fors uit de commerciële kluiten gewassen supermarkten, waar vooral uniformiteit heerst en zich alles behalve een sociale band met anderen laat voelen. Vluchtigheid is er het door allen aanvaarde, door niemand bevraagde dictaat. Voor Augé leven we in een periode die hij als de supermoderniteit bestempelt. In dat era neemt de hoeveelheid non-plaatsen schrikbarend toe. Uiteraard heeft dit zo zijn implicaties voor onze samenleving. Non-plaatsen maken nu eenmaal veel menselijke interactie overbodig. We worden eenzaam middenin alle drukte. 

Dat ga ik dus oplossen. Ik doe dat als voor de rest overigens bescheiden filosoof. Ik onderscheid mij echter van mijn utopieproducerende voorgangers door het merkwaardige fenomeen dat mijn werkkamer een oppervlakte omvat van – naar ik schat – ongeveer 7500 m2. Dat is de biotoop die ik al fietsend bestrijk, met het eigen huis als vertrek- en aankomstplek. Zo leert een mens zijn wereld kennen. Al wandelend trouwens ook.

Hoe gaan we dat nu voor elkaar krijgen? Ik zie geen andere mogelijkheid dan een heuse revolutie. Dat is nog eens lang geleden zie! Laten we in het klein beginnen en eerst Brussel aanpakken. Eén van mijn frequente tussenstops is mijn bureau op de Vrije Universiteit aldaar. Maar Brussel lijkt fietsers te haten. Ik voel mij er uitgesloten. Beetje marginaal zelfs. Pedalerend in de marge van het Echte Verkeer. Een initiatief als Villo!vind ik weliswaar van een zaligdoende creatieve en zachtjes-de-wereld-verbeterende ingesteldheid getuigen. Op diverse plekken in de stad kan je (tegen betaling) namelijk een fiets uit de rekken plukken en die elders in gelijkaardige rekken achterlaten. Prachtig. Maar verandert dat iets aan de fietsbaarheid (dwz de aaibaarheid met twee wielen) van de stad? Nee, daar valt geen decorverandering te bespeuren. 

Kijk dan eens naar de Deense hoofdstad Kopenhagen. Daar krijgen fietsers vanaf eind volgend jaar hun eigen snelweg. Liefst 36.000 fietsers maken nu elke dag gebruik van de zogeheten Noerrebrogade. Tijdens de spits levert dat wel eens een fietsfilepobleem op. De bouw van snelwegen aan weerszijden van de populaire weg moet daar gaan aan verhelpen. Het traject zal vijftien kilometer lang zijn, de weg vier meter breed. Leuk: zelfs ‘pitstops’ worden voorzien waar pechvogels hun banden kunnen oppompen of kleine reparaties uitvoeren. In 2012 volgt de aanleg van een tweede stuk snelweg, van twintig kilometer lang. Politici in de Deense hoofdstad hopen met die plannen ook meer mensen aan te zetten de wagen thuis te laten. Op dit moment gaat al 37 procent van de bewoners van de buitenwijken met de fiets naar het centrum. Over vijf jaar moet dat aantal vijftig procent bedragen. Zouden we Brussel zo eens kunnen bekijken? Ik vrees ervoor. Begin december las ik inKnacknog een dossier over de minder goeie groene prestaties van Vlaanderen en over plannen voor de aanpak van de mobiliteitsproblematiek alhier. Het weekblad voerde een Vlaams parlementslid, Irina De Knop, op dat het probleem van Brussel als dé filehoofdstad van Europa wil aanpakken. Nergens anders immers doen de pendelaars – 350.000 in aantal – er langer over om op hun werk te raken. Vorig jaar had deze politica ook al eens een resolutie ingediend over het mobiliteitsvraagstuk in Brussel en Vlaams-Brabant. Maar terwijl ze zich vorig jaar nog beperkte tot het bepleiten van een goed gekozen verbreding van de Brusselse ring, wil mevrouw de Knop het nu op een andere manier breed zien. Citaat uit Knack: ‘Ik heb veel geleerd uit de manier waarop mijn eerdere resolutie is behandeld. Vooral dan dat voorstellen die alleen rond de auto draaien, zoals de verbreding van de ring, gedoemd zijn om te verzanden in het traditionele debat tussen de Lijst Dedeckers van deze wereld, die desnoods dubbeldekssnelwegen willen bouwen, en de linkerzijde die alle heil verwacht van het openbaar vervoer. Daarom bepleiten we nu drie zaken: dat men oog heeft voor de mogelijkheden die de combinatie van auto en openbaar vervoer biedt, dat het Vlaams Gewest gaat samenwerken met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest én dat er duidelijke algemene doelstellingen komen. Kortom, we willen een masterplan voor Brussel, gedragen door alle betrokkenen’. Alle betrokkenen? En de fietsers dan? Waar passen die in het plan dat zogezegd ‘multimodaliteit’ als sleutelelement hanteert. Dat betekent blijkbaar dat je niet zomaar zowel in het openbaar vervoer als in wegen moet investeren, maar ook dat je oog moet hebben voor de aansluiting van het een op het ander. Het wondermiddel zou daar heten: meer parkeerplaatsen aan de stations in de gemeenten rond Brussel. Zou kunnen dat dit helpt. Zoals doekjes voor het bloeden helpen.

Geef mij dan maar de utopie van Marc Augé. Parijs zou hij enkel nog willen toegankelijk maken voor openbaar vervoer. Autobezitters parkeren hun vierwieler in garages aan de rand van de stad. Welkom in de marge. De rijstroken zijn er deels voor autobussen, maar grotendeels voor fietsers. Die ontdekken hun stad opnieuw. Ze ontdekken elkaar opnieuw. Laten we de Parijzenaars voor één keer te snel af zijn en maak van Brussel de stad van het flaneren op twee wielen. Of drie voor de fietstaxi’s. Werkplaatsen duiken op in elk stadsdeel. Creatievelingen winnen prijzen met de meest uitbundige fiets. De décapotablemet pedalen overwint herfst, winter, maartse buien en aprilse grillen. De zon maakt hij in de rest van het jaar nog een paar graden genietbaarder. Weg verzuring. Weg taalbarrières. We spreken één taal, die van de fiets. De Kopenhagen-norm zal ons doel worden. Vijftig procent van 350.000 is 175.000. En dan allen samen beginnen belrinkelen. 

Ik mag toch eens dromen in deze Kerstperiode?  

Liefde voor de wereld

De bedoeling is dat dit de recensie van een boek(je) zal worden (zie  https://www.humanistischverbond.be/kritisch-lezen/148/liefde-voor-de-wereld) maar de verleiding is bijzonder groot er een soort opiniestuk over een actuele problematiek van te maken. Ik tracht bedoeling en verleiding te combineren.

Als ik mij even een quasi misplaatste woordspeling mag permitteren: de titel van het boek van de Nederlandse filosofe en schrijfster Joke Hermsen, Het tij keren, staat als een dijk. Die titel zegt zoveel. Hij drukt een wens uit, strijdvaardigheid, het geloof dat iets anders kan. Maar hoe zou iets anders kunnen en anders moeten als het een wetmatigheid in zich lijkt te dragen? Hoe keer je het tij?

Die vraag hield ook de samenstellers van de reeks Nieuw Licht, waar dit boek in verschijnt, bezig. Frank Meester en Coen Simon zijn beiden voortrekkers van de publieksfilosofie in Nederland. Zij willen met deze reeks actuele vragen toetsen aan klassieke teksten die door een hedendaags auteur worden herlezen. Vandaar: Joke Hermsen mag een nieuw licht laten schijnen op de vraag die Meester en Simon haar stellen: ‘Heeft het zin om te hopen op een betere toekomst?’. Hermsen zal die vraag beantwoorden aan de hand van teksten van twee eminente filosofen, Hannah Arendt (1906-1975) en Rosa Luxemburg (1871-1919), de eerste veelvuldig vertaald in het Nederlands de voorbije jaren, de tweede grotendeels vergeten. Beiden deelden in hun werk de hoop op iets nieuws, een nieuw begin, door Arendt de ‘nataliteit’ genoemd. 

Ik had dit boekje al eerder dit jaar gelezen, nog voor de verkiezingen. Een tweede lectuur, met het oog op deze recensie, kwam er na de verkiezingen en de vele commentaren en opiniestukken die nadien wereldkundig werden gemaakt. De vraag die daar overheerste was die naar het waarom van de vele stemmen met opgestoken middenvinger. Is dat misschien ook een vraag naar het keren van het tij? En die vele klimaatbetogers de maanden voordien, wat vroegen zij dan? En waarom kwam hun stem minder overrtuigend naar boven in de verkiezingsuitslag? 

Toen Joke Hermsen aan dit pamflet begon te schrijven liet zij zich door nog een andere groep gebruikers van de middenvinger inspireren: de gele hesjes in Frankrijk. Zij verbleef daar toen de eerste protesten een aanvang kregen. Haar viel meteen ook de geringschatting op voor wat ze de ‘lagere klassen’ noemt. Dat klinkt hier alvast niet onbekend.

Hannah Arendt, over wie Hermsen het ook al uitgebreid had in haar boek Kairos. Een nieuwe bevlogenheid (2014), is één van de grootste politiek filosofen die de twintigste eeuw gekend heeft en die nauwelijks of niet aan relevantie heeft ingeboet. De kracht van Arendt is ondermeer dat zij niet zomaar in een politieke familie kan ondergebracht worden. Links, rechts, conservatief, progressief… het lijken elk termen die op haar geen vat hebben. Arendt is een denker van de democratie en van de noodzakelijke meerstemmigheid die een democratie doet leven. Zij is ook een denker van de menselijkheid. Hermsen citeert haar: ‘Hoe kunnen we in politiek duistere tijden ervoor zorgen dat menselijkheid niet opnieuw een hersenschim wordt?’ We moeten dan goed beseffen dat Arendt Duitsland is ontvlucht in 1933 na een arrestatie door de Gestapo. De dreiging van een totalitair denken is haar blijven drijven in haar verdere oeuvre. 

Wanneer leven we dan in duistere tijden? Hermsen schetst dat uitstekend: ‘Duister wordt de wereld als mensen er geen gezamelijke verantwoordelijkheid meer voor voelen, zich alleen om hun individuele belangen bekommeren en de politieke sfeer dusdanig wantrouwen dat zij deze de rug toekeren’. De opgestoken middenvinger dus. Arendt ziet hier het gevaar dreigen van wat zij ‘wereldloosheid’ noemt, een toestand die voor haar altijd dreigt uit te monden in barbarij. Mensen zijn wereldloos als ze niet langer uitgaan van de pluraliteit en meervoudigheid van de stemmen waarmee wij het over onze gemeenschappelijke wereld hebben. Bij Arendt gaan ‘wereld’ en ‘pluraliteit’ altijd hand in hand. 

Op het eerste gezicht lijkt het dan ook wat verwonderlijk dat Hannah Arendt zich liet inspireren door Rosa Luxemburg, ook wel eens ‘Rode Rosa’ genoemd. Luxemburg, opgegroeid in Polen en ook van joodse afkomst, staat echter mijlenver af van een ideologisch vastgeroest marxisme. Een nieuw begin kan er voor haar enkel spontaan komen en van onderaf. Bij Arendt verwijst het begrip nataliteit naar het menselijke vermogen om opnieuw te beginnen, om veronderstelde ketenen van noodzakelijkheid te doorbreken. Bij Luxemburg verwijst spontaniteit ook naar dit menselijke vermogen om neente zeggen tegen onrecht en ongelijkheid. Hermsen wijst op de voorwaarden voor dit verzet: kritisch bewustzijn, betrokkenheid bij de wereld en – mooi – enthousiasme. Enthousiasme én hoop. Want wie niet meer hoopt, heeft het eigenlijk al opgegeven, schrijft Hermsen nog. 

Hebben al die middenvingerstemmers dan geen hoop en betrokkenheid bij de wereld? Laten we even wachten met een antwoord. Eerst dit: Rosa Luxemburg mag dan wel een zeer militante dame zijn geweest, haar denken getuigt toch van veel meer dan dat. Laten we toch een goed en waardig leven blijven leiden, klonk het bij haar. ‘Ein guter Mensch zu sein’, schreef ze in een tijd dat dit nog niet als een scheldwoord klonk voor sommigen. Luxemburg pleitte voor protest en vond ook dat we daar de straat moeten mee opgaan, maar evengoed liet ze horen dat men in het maatschappelijk besteld alles moet nemen zoals in het privé-leven: rustig, grootmoedig en met een milde glimlach. Joke Hermsen wijst er op dat Luxemburg dit schreef na twee jaar verblijf in de gevangenis en tijdens de eerste wereldoorlog. Over hoop en grootmoedigheid gesproken.

Rosa Luxemburg werd in 1919 in Berlijn vermoord. Zij heeft niet de totalitaire ontaarding van het marxisme meegemaakt, noch die van het nationaal-socialisme. Die lessen heeft Hannah Arendt wel meegekregen. ‘Totalitaire ideologieën’, schrijft Hermsen, ‘proberen met behulp van propaganda, angst en bureaucratie de verscheidenheid van een volk om te smeden tot een gelijkvormige en volgzame massa en hebben daarvoor volgens Arendt altijd een zondeboktheorie en nationalistische mythen nodig’. Dat klinkt actueel. Joke Hermsen weet er nauwgezet bij Arendt de fragmenten uit te pikken die nu als alarmsignalen zouden mogen fungeren. Die nationalistische mythen in combinatie met het zondebokmechanisme zullen vooral mensen overtuigen die in isolement en angst voor anderen leven, citeert Hermsen uit Arendts boek over totalitarisme. En dat gebeurt op een gevaarlijk emotionele manier. Het is dan ook geen toeval schrijft Hermsen dat net uit dit boek van Arendt veelvuldig werd geciteerd na de overwinning van Donald Trump. Het ging dan wel eens om dezelfde passage: ‘Deze periode van bang afwachten lijkt op de stilte die intreedt nadat alle hoop verloren is. Hoe verschillend de omstandigheden ook zijn, we stellen de ontwikkeling van identieke fenomenen vast. Nooit is onze toekomst minder voorspelbaar geweest, nooit zijn we in die mate afhankelijk geweest van onbetrouwbare krachten, die de wetten van het gezond verstand met de voeten treden’. Een democratie komt pas echt in gevaar als mensen niet meer het onderscheid kunnen maken tussen feit en fictie. De termen fake newsen alternatieve feiten behoorden toen nog niet tot een veelgegebruikte woordenschat, maar de overeenkomst mag duidelijk zijn. Als mensen voortdurend leugens te horen krijgen, dan leidt dit ertoe dat ze uiteindelijk niets meer geloven, meent Hermsen. En dan citeert ze Arendt: ‘En als mensen niet langer iets kunnen geloven, dan kunnen ze zich ook geen mening meer vormen. Dan worden ze niet alleen beroofd van het vermogen te handelen, maar ook van het vermogen te denken en te oordelen. And with such a people you can do what you please’.  

Op wat stellen Luxemburg en Arendt dan hun hoop? Beide auteurs pleiten voor meer directe democratie. Mensen voelen zich niet meer vertegenwoordigd, actualiseert Hermsen dat. En ze verwijst dan naar het ‘democratisch vermoeidheidssyndroom’ waar David Van Reybrouck het over heeft in zijn pamflet Tegen de verkiezingen (2014).

Dat zou dan misschien opnieuw kunnen leiden naar een liefde voor de wereld. Want, besluit Hermsen mooi: ‘Zonder liefde en gedeelde verazntwoordelijkheid voor de wereld kan er onvoldoende tegengewicht geboden worden aan de amor sui, de zelfzucht, die als het primaat van het kapitalisme geldt. We worden niet alleen vrij, maar ook pas Mensch, als we onze privébelangen opzij durven zetten en ons richten op de politiek-culturele wereld die ons gemeenschappelijk verbindt’.

Dit alles staat ongetwijfeld mijlenver af van de haatopwekkende polarisering en de steriele fichebakmeningen van politici dezer dagen. Maar ik herhaal graag wat Hermsen in haar warme en mooie pamflet schrijft: wie de hoop opgeeft, heeft al bij voorbaat verloren. Ze citeert ergens ook nog Ernst Bloch uit zijn boek over het principe van de hoop: ‘Wees realistisch. Denk het onmogelijke’.    

Op het gevaar af als moraliserend weggezet te worden zou het hierboven nog niet gegeven antwoord kunnen luiden dat de middenvingerstemmers wellicht wel hoop en betrokkenheid voelen, maar dat ze toch de lessen van Arendt en Luxemburg, en zeker ook Hermsen, warm ter harte zouden moeten nemen: mildheid, liefde voor wat we gemeenschappelijk hebben, zin voor pluraliteit, wantrouwen voor een exclusief nationalisme met bijhorende zondebokken, hoop op inclusiviteit en meerstemmigheid. Menselijkheid dus.

Is het nog nodig dat ik zeg dit een sterk en inspirerend essay te vinden?

Joke J. Hermsen (2019), Het tij keren. Met Rosa Luxemburg en Hannah Arendt. Amsterdam: Prometheus.