Ode aan de sportschool

Het zou een raadseltje kunnen geweest zijn. In welke school studeer je bij voorkeur nooit af? Je leert er levenslang. Niemand maakt er een probleem van dat je om de haverklap van specialisme verandert. Je hoeft niet per se uit te blinken. En het is gewoon fijn om eens van alles te proeven. Nog leuk in deze door giftige polarisering gekleurde tijden: iedereen is er in principe gelijk, niemand wordt er uitgesloten. En wat meer is: je leert er mensen kennen die tot andere dan je gebuikelijke omgangssferen behoren. Hun verhalen raken je. Je schrijft er je eigen levensverhaal aan de hand van experimenteren met en uitproberen van wat je lijf je nog te bieden heeft binnen de telkens weer veranderende context van het eigen levensverhaal. Ziekte, kwetsuren, een jaartje ouder worden, zijn er niet langer obstakels, maar vriendelijke uitdagingen om op een andere manier aan de slag te gaan.  

Ik weet het, dit is al een veel te lange inleiding – raadseltjesgewijs – om een antwoord te bekomen dat al in de titel staat. De sportschool. In Nederland is dat de gebruikelijk term voor wat in schoon Vlaams doorgaans ‘de fitness’ wordt genoemd. Waarom een ode aan de sportschool?

Een maand of twee geleden maakte ik mij de bedenking dat ik nog nooit zo goed had gefietst als op dat moment. Snelheid zegt niet noodzakelijk alles, maar het viel me toch op dat de gemiddeldes die ik haalde hoger lagen dan wat ik mij kon herinneren. Hoe dan ook maakte mijn fietscomputertje, zes jaar jong, mij duidelijk dat ik in de periode van ons altijd weer fijne avonturen samen, niet eerder zo snel dezelfde afstanden had afgelegd aan de snelheid waar ik plots toe in staat bleek. Ik moest niet eens diep gaan. En ik had nergens pijn. So what?, zal u zeggen. Gewoon al goed getraind in die nog prille periode van het wielerseizoen. Neen dus. Het ging om mijn derde fietstochtje dit jaar en dat liep al meteen over iets meer dan honderd kilometer. 

Dat ik het gevoel had nooit eerder zo goed gefietst te hebben was opmerkelijk om enkele redenen. De eerste is evident: als ik mijn volgende verjaardag vier, zal dat de zestigste zijn. Normaliter ga je het dan fysiek en sportief wat minder goed doen dan in minder rijpe periodes van je leven. De tweede reden is echter dat ik die – naar mijn aanvoelen en in volstrekte consensus met mijn fietscomputertje – straffe fietsconditie had opgebouwd zonder of met nauwelijks pedalen beroerd te hebben. Alles was te danken aan die vele verschillende toestellen die ik in de sportschool met mijn overvloedige zweet laat kennismaken. En de derde reden: ruim drie jaar geleden liep ik enkele ingedeukte en gebarsten ruggewervels op. Dat maakte fietsen moeilijk. Ik dacht zelfs lange tijd dat het nooit meer zou lukken. Osteoporose bleek mijn benige carrosserie tamelijk overtuigend aangetast te hebben. Dat is ook de reden waarom ik hier in mijn vorige column schreef dat het drie jaar geleden voor mij plots niet meer hoefde om enthousiasmerende stukjes te schrijven over sport als levenskunst. En over het welbevinden en zelfs de euforie die sportacitiviteiten als vergoeding voor gutsend zweet kunnen opleveren. Maar kijk: het is allemaal weer terug. En beter dan ooit, zo blijkt.

Nooit opgeven dus, beste lezer. Vorige keer verwees ik hier al naar die mooie uitspraak van triatleet Marc Herremans dat het leven is als een kaartspel. Zelfs met slechte kaarten probeer je nog het best mogelijk spel te spelen. Herremans deed die uitspraak in een gesprek dat ik in 2006 met hem had voor De Morgenwaarin hij het had over zijn comeback, maar nu als rolstoelatleet. Mijn bewondering voor die man is immens groot. Mijn eigen kwaaltjes stellen niks voor in vergelijking met wat hem is overkomen. Maar dat beeld van slechte kaarten en een zo goed mogelijk spel is voor mij altijd richtinggevend geweest sedertdien. 

De belangrijkste les die ik heb geleerd in die drie jaar knutselen en wrikken en wringen in dat kaartspel van het sporten is dat het zo immens belangrijk is oog te hebben voor de complexiteit en volledigheid van ons lijf. Niet eerder had ik gedacht dat ik met groeiend enthousiasme met gewichten aan de slag zou gaan tussen (meestal) heren met imposantere spieren en betere looks dan de mijne. Ik heb in die drie jaar echter ook dat eenzijdige beeld zien veranderen. In de sportschool waar ik mijn zweeturen slijt, bestaat er iets als eGym. Acht toestellen vormen een cirkel en van toestel tot toestel wordt een andere van je spiergroepen bijgetrimd, van benen over romp tot schouders. Even je armbandje scannen en het toestel weet wie je bent en past zich meteen aan qua positie en qua gevraagde belasting. Mijn geteisterde wervelkolom houdt zich nu stil tussen beter getunede rugspieren. Ik loop rechter en steviger. Dat geeft zelfs een beter zelfbeeld. Echt waar.

Stel dat ik tante Kaat zou heten en u goede raad mocht geven, dan was het deze: laat al die spiergroepen ruim aan het woord. Eenzijdige belasting is voor niemand goed en al zeker niet al u een jaartje ouder wordt en als gewrichten wat minder kloek worden. 

Opmerkelijk is alvast dat in het klassement dat online wordt bijgehouden van de eGym-scholieren twee dames de rangschikking aanvoeren die beiden ouder zijn dan ik. Dat beeld typeert ook de sportschool en is ook één van de redenen voor deze ode. Ik kan er niet zo meteen een exact getal op plakken, maar het (grote) publiek in ‘mijn’ sportschool bestaat voor een aanzienlijk groot deel uit dames op pensioengerechtigde leeftijd. Dat lijkt mij een relatief nieuw fenomeen. Charmant zijn ook de nog oudere koppels. Tachtigers, man en vrouw die elkaar liefdevol met een handdoek staan gade te slaan of een handje helpen. De sportschool is een plek van emancipatie. Een slechtziende man en zijn blinde vrouw komen met de tandem, de blindegeleidehond in een kar meetrekkend. De man vertelde mij in de kleedkamer dat zijn partner tot haar 34steover een normaal gezichtsvermogen beschikte. ‘En ze keek graag in de spiegel’. Ze vindt haar weg tussen de toestellen en fietst, stapt op de loopband of op het steptoestel. Als ze uit de kleedkamer komt, gaat haar hond meteen blaffen aan de andere kant van de zaal. ‘Hier ben ik!’ 

Een jongeman gaat enkel op zondagmorgen niet aan de slag. Alle andere dagen is hij er pakweg twee uur bezig met krachttoestellen. Hij is aan één kant deels verlamd. Hij vertelde me tijdens zijn studententijd, nog niet zo gek lang geleden, een zwaar ongeval gehad te hebben met de auto. Op enkele tientallen plekken vertonen zijn hersenen daar sporen van. Een job hebben is niet mogelijk voor hem. Maar hij zegt zich zot te lezen over sport en over trainen. Het best mogelijke spel met die weinig benijdenswaardige kaarten, weet u. Zijn levenskunst. 

Mijn laatste bekentenis: ik ga nu zo graag naar school dat zelfs mijn fietsuren in polders en langs vaarten er dreigen bij in te schieten. Het gevoel van aan mijn hele lijf te werken en daar fantastisch mooie vruchten van te plukken, dat is wat ik nu mijn sportieve levenskunst laat bepalen. En dat het fietsen nu beter gaat dan ooit, is een zeer fijn neveneffect daarvan. Pure Sensesheet overigens de sportschool waar ik samen met alle andere de vlijtigste van de klas ben. Alleen al voor die titel zou je het doen. 

De esthetica van de sport

Dat ik met mijn VUB-collega Jean Paul Van Bendegem nog eens schrijvenderwijs in debat zou gaan over sport, laat staan over een wereldrecord per velo, ik had het nooit of te nimmer durven verwachten. Jean Paul schreef een blog onder de titel De maakbare fietser, https://www.humanistischverbond.be/blog/127/de-maakbare-fietser/.

Hij formuleerde er een aantal bedenkingen bij het werelduurrecord dat de Belgische hardfietser Victor Campenaerts een paar dagen eerder had gevestigd in Mexico. Ik ga hier niet in op die bedenkingen om de tamelijk eenvoudige reden dat ik het er nagenoeg helemaal mee eens ben.
Op het einde van zijn blog verwijst Jean Paul Van Bendegem naar een opiniestuk dat hij pas na het neerschrijven van zijn sportbeschouwingen onder ogen had gekregen. Dat opiniestuk was mij gevraagd door een redacteur van De Standaard en zou ik nooit hebben geschreven als die vraag er niet was gekomen. Ik heb namelijk niks met records en ik vind recordjacht zelfs een giftig aspect binnen wat ik als een mij sympathieke benadering van het sportgebeuren beschouw. Dat heb ik eerder al uiteengezet in mijn boek Sport als levenskunst. In dat boek probeer ik een visie op sport te formuleren die niet uitgaat van berekenbaarheid en meetbaarheid, dus niet van kwantitatieve elementen, maar van de kwaliteit van de beleving. Records hebben daar geen uitstaans mee.
In mijn opiniestuk in De Standaard wou ik iets schrijven dat wel mijn appreciatie uitdrukte voor wat die besnorde jongeling daar had gepresteerd op Mexicaanse hoogten, zonder daarmee in tegenspraak te komen met mijn eigen kritische bedenkingen bij sport als jacht op de beste of hoogste cijfers. Ik schreef dus iets over de esthetica van een record, intussen ook te lezen op mijn website: https://www.marcvandenbossche.be/category/sportblog/. Jean Paul Van Bendegem had het over een humanistische kijk op de sport. Zo zou ik mijn benadering ook willen omschrijven. Waarom?
In mijn werk als filosoof ga ik uit van het primaat van onze lichamelijkheid. Wij zijn vooreerst als lichamelijke en emotionele wezens in de wereld. De ratio komt pas in tweede instantie en vormt eigenlijk het topje van een ijsberg die voor ons bewuste denken grotendeels opaak is. Ons lichaam denkt vaak voor ons, we worden even vaak lichamelijk en emotioneel gestemd door omgevingsfactoren. Evolutietheoretische overwegingen spelen daar een eminente rol. Als ik nog een boek van mij mag noemen: in De zinnen van het leven ga ik van dit primaat van de lichamelijkheid uit om iets te kunnen vertellen over hoe wij als mensen tot zin en betekenis komen in dat eindige bestaan van ons. Geen enkele hogere, laat staan goddelijke instantie, heeft daar een rol.
Die benadering bestempel ik, met de Amerikaanse filosoof Mark Johnson, als bottom up, wat staat tegenover het top down perspectief dat uitgaat van een verticaal boven ons te situeren instantie. God bijvoorbeeld of een transcendentale Rede. Dat perspectief mag ook nog het predicaat ‘esthetisch’ krijgen, dat in dit geval de plaats inneemt van het predicaat ‘kentheoretisch’. We zijn in de eerste plaats op een esthetische wijze in de wereld, het kentheoretische of epistemologische aspect komt daar pas in tweede instantie bovenop.
Wat heeft dat nu met de sport te maken? Ik vergelijk sport hier graag met kunst. De kunstenaar doet allerlei zeer crteatiefs en innovatiefs met materialen allerhande, maar doet daarbij eigenlijk niet veel anders dan wij wij met z’n allen voortdurend doen in ons alledaagse reilen en zeilen en in confrontatie met de vragen die de wereld ons stelt. Kunst is in die zin een op de spits drijven van ‘gewone’ vaardigheden. Zoals ook bijvoorbeeld poëzie dat doet met ons ‘gewone’ taalgebruik. Voortdurend bedenken wij metaforen, maar poëten bedenken er betere.
Dat zie ik dus ook in de sport. Sportmensen doen dingen die wij vaak doen in onze gebruikelijke praktische omgang met de wereld. Lichamelijk bedenken wij constant een respons op de vragen die uitgaan van de omgeving waarin wij ons bewegen. Net als alle diersoorten dat doen. Als ik het had over de ‘esthetica van een record’, dan bedoelde ik ook dat. Wat Jean Paul Van Bendegem ‘de maakbare fietser’ noemt, is de fietser die zich zo goed mogelijk afstemt op een omgeving. Lucht- en rolweerstand, zithouding, het juiste aanvoelen van de eigen reserves, dat alles wordt afgestemd op dat ene doel: zoveel mogelijke kilometers bollen op een uur tijd. Kwestie van het zoeken naar een optimale efficiëntie. Dat is op zich niet anders dan hoe ik onlangs een lange wandeling maakte bij hevige wind en regen en mij met de paraplu wou beschermen tegen de – in dat geval – ongure elementen. Ook daar zoek je het beste antwoord op de uitdaging waarvoor de omgeving je stelt. En wetenschap en techniek maken voor Campenaerts nu inderdaad heel wat meer mogelijk dan voor Eddy Merckx zoveel jaar geleden. Campenaerts haalt nu betere en hogere cijfers, maar vanuit kwalitatief en esthetisch opzicht deed Merckx natuurlijk niet onder. Beiden kwamen tot dat moment van voldoening en vervulling: een lang aangehouden voorbereiding die resulteert in een esthetisch te smaken hoogtepunt. Zoals ik ook nog net mijn trein haalde na die doorregende wandeling.
En wat collega Van Bendegem doet met zijn wandelingen in Gent beschouw ik als een fijne invulling van die visie van sport als levenskunst.

De esthetica van een record

Ik geef toe: naar het einde van dat fabelachtige wieleruur van Victor Campenaerts schoof ik ook – door lichte nervositeit bevangen – iets meer naar voren in de zetel, hopende dat niet enkel het record van Wiggins aan diggelen ging, maar ook de grens van de 55 kilometer. Dat klinkt anders en beter dan als de besnorde jongeman pakweg negentig meter minder onder de wielen had laten wegrollen. We zijn zo ontzettend veel en graag met cijfers bezig en sport is daarin niet veel anders dan ons maatschappelijke reilen en zeilen in het algemeen. Cijfers maken dingen uniform en vergelijkbaar. In de sport brengt dat een ontkenning van onze eindigheid met zich mee. Op records jagen heeft in die zin iets pervers. We ontkennen fysieke grenzen: waar houdt de recordjacht op? Als we die grenzen al niet op artificiële en zelfs ontoelaatbare wijze pogen te verleggen.
Een record drukt de kwantiteit van een sportieve prestatie uit. We moeten meten en berekenen om een atleet de beste te kunnen noemen. Prestaties worden op die wijze objectiveerbaar. Dat is best oké. Het zorgt er wel voor dat sport louter met interne maatstaven wordt beoordeeld. Maar misschien valt er wel wat meer over te zeggen, bijvoorbeeld over de existentiële en zelfs esthetische dimensie van sport in het algemeen en het neerzetten van records in het bijzonder?
Bekijk nog eens die beelden van Campenaerts, daar op Mexicaanse hoogten. In een sfeer van quasi gewijde stilte jaagt de man quasi metronomisch de pedalen rond in een zo consequent mogelijk volgehouden lijn. Een keer per ronde van 250 meter tilt hij licht het hoofd op om de aanwijzingen van de coach te monsteren. Hoe hij op de fiets zit klopt tot in de kleinste details, zoals in een schilderij elke penseelstreek die plek moet krijgen en geen andere. Ik stel me in zijn plaats en hoor het gezoem van het ritme dat hij aan de piste ontlokt. Dat moet een flow geven: iemand gaat op in een activiteit van opperste concentratie. En van versmelting met een omgeving. Wie intensief aan sport doet, en zeker bij het wielrennen is dat het geval, weet dat het individu niet te scheiden valt van het tuig dat hij bestuurt. Fiets en renner zijn één. Renner en omgeving zijn één. We bewegen ons in een wereld en antwoorden voortdurend op de vragen of eisen die van een omgeving uitgaan. Renners of andere sporters spitsen dat op bijwijlen extreme wijze toe. Sport is een beeld van onze dagdagelijkse manier van in de wereld zijn, maar dan aangescherpt en uitgepuurd. Sport is een existentie op de grens. Die grens kleurt de kwaliteiten waarmee we een leven vorm en betekenis geven.
Maandenlang heeft Campenaerts naar deze prestatie toegeleefd. Van een stage in Namibië tot drie weken acclimatiseren in Mexico, elk van zijn activiteiten werd gedragen door die hoop op het voltooien van dat kunstwerk dat hij zou neerzetten op 16 april. We kennen dat gevoel van voltooiing ook wel van minder spectaculaire handelingen. Een taak voltooien, iets af maken, geeft vaak een gevoel van esthetische voldoening. We hebben naar iets toegeleefd dat ons een tijdlang heeft gestuurd, dat betekenis gaf aan wat we ondernamen, alleen of met anderen. Dat toeleven naar het moment van esthetische voldoening geeft zin aan een leven. Sport toont dat ook weer op uitvergrote wijze, al zal het zelden zo beschreven worden. Het gaat er niet om cijfers, niet om kwantiteit, maar om kwaliteit, om de vorm die een leven krijgt, om de zin waardoor het gedragen wordt. Dat is wat mij als filosoof in het sportgebeuren aantrekt. Dat is wat Victor Campenaerts hier een uur lang meesterlijk in de verf heeft gezet. Dat uur vormde het moment van esthetische voldoening en voltooiing van een minutieus voorbereid werk.
We ervaren veel in ons leven, maar er zijn ervaringen die eruit springen, ervaringen die een leven tekenen en die de uitkomst zijn, de voltooiing, van een reeks opeenvolgende ‘gewone’ ervaringen. Die ene ervaring geeft betekenis aan al wat voorafging en kleurt wat daarop volgt. Een kunstwerk geeft betekenis aan alle losse elementen waarmee het is opgebouwd en die op zich niet noodzakelijk zin- of betekenisvol zijn. Als sport een beeld van het leven kan opleveren dan zou het voor mijn part dat mogen zijn: het geduldige knutselen aan een proces dat uitmondt in esthetische voldoening. Dat is wat Campenaerts hier zeer scherp heeft getoond. Dat is wat sport ook kan doen in ons leven. Als filosoof boeit mij dat meer dan die grens van de 55 kilometer. Al zou ik die momenten van vervoering en empatisch opgewekte extase natuurlijk niet willen missen. Zelfs al gaat het dan om een weg te vegen cijfer.


Grenzen verleggen (bis)

Sportmensen en filosofen hebben minstens één vraag, lees: probleem, gemeen. Het gaat om een vraag of een probleem waar geen eensluidende oplossing voor bestaat. Je kan er alleen maar in het reine mee komen, je telkens opnieuw afstemmen op de onvermijdelijkheid ervan. Laten we het misschien eerder een uitdaging noemen dan een probleem of een vraag: de uitdaging die ons wordt gesteld door de eindigheid van ons lijf. Voor filosofen houdt die uitdaging in de euvele moed toch te durven gewagen van iets als een zinvol leven. Oké, we vertrekken dan ooit wel eens naar de eeuwige jachtvelden, maar ondanks dat nooit te vermijden vertrek, maken we er hier en nu, op deze ook al eindige aardkluit het beste van en we noemen dat zinvol of betekenisvol. En voor mijn part zwijgen filosofen er vervolgens best zoveel mogelijk over hoe je dat zinvolle accent op het verhaal van je leven kan neerpoten. Ieder zoekt de eigen maat.
Voor sportmensen geldt iets gelijkaardigs. Hun eindigheid is op het eerste gezicht minder dramatisch dan dood gaan, maar we weten allemaal zeer goed dat het daar bijwijlen minstens de schijn van heeft. Wat als ik niet meer kan sporten? Hoe zinloos zou dat leven er dan plots uitzien? In de filosofische verhalen die ik vertel heb ik het graag over datgene waardoor wij gedragen worden in het leven. Iets is onderliggend aan het overgrote deel van onze manier van denken en handelen. Sport en de zelfzorg die ermee gepaard gaat kan die dragende dimensie aanbrengen. Wie goed en fijn en bewust wil sporten laat zich sturen door wat daarvoor nodig is: oefening, voeding, rust, evenwicht… We laten toe dat sport zin en betekenis geeft aan ons leven, ook al gebeurt dit vaak op een onbewuste, quasi organische manier. Ons lijf heeft een eigen verstand.
Ik heb lange tijd niet meer over sport geschreven. Mijn laatste column voor deze pagina’s hier dateert van 8 oktober 2016. Dat is althans de dag waarop ik ze schreef. Ik probeerde daar – inderdaad – in het reine te komen met een hakkelend en tegenpruttelend lijf. Sport is fantastisch tof en leuk en boeiend, maar het kan ook wel eens gebeuren dat pijn al dat positiefs gaat overstemmen. Dan lijkt een grens bereikt. In die laatste column – die dezelfde titel had als de huidige, maar dan zonder (bis) – pleitte ik ervoor grenzen niet te zien als iets waar we een einde bereiken, maar integendeel als een plek waar iets nieuws begint. Kwestie van een ander perspectief te hanteren. Mijn column had toen wellicht iets therapeutisch’. Ik zocht een filosofisch doekje voor het bloeden. Existentiële EPO. Maar eigenlijk was ik een beetje afscheid aan het nemen. U vergeve mij dat ik mijn medische problematiek hier niet meteen open en bloot beschrijf, maar het nieuws dat ik in enkele weken tijd te verwerken had gekregen over de toestand van mijn botten en gewrichten en van mijn hart, maakten me toendertijd moedeloos. Het zou nooit meer worden als voorheen. Hardlopen zou ik niet meer kunnen. Fietsen zou blijven pijn opleveren en ging om cardiologische redenen liever bergaf dan bergop. En zelfs als ik mijn vrouw te diep in de ogen keek, begon ik mij al af te vragen of mijn hartfrequentie niet te lang in het rood ging.

Sportmensen en filosofen hebben minstens één vraag, één probleem gemeen. Het gaat om een vraag of een probleem waar geen eensluidende oplossing voor bestaat. Je kan er alleen maar in het reine mee komen, je telkens opnieuw afstemmen op de onvermijdelijkheid ervan. Wat hen verder verenigt, of dat althans zou kunnen, is dat ze die vraag blijven stellen, dat ze telkens nieuwe antwoorden bedenken, nieuwe oplossingen zoeken en zien, zich telkens opnieuw afstemmen op de onvermijdelijkheden die ’s mensen existentiële en sportieve wegen kruisen. Elke nieuwe grens biedt altijd en onvermijdelijk een nieuw perspectief, een nieuw uitzicht op een toekomst die je weliswaar anders invult, maar even zinvol, even betekenisvol. Ik citeerde in die colum van 8 oktober 2016 een fragmentje uit een gesprek dat ik tien jaar eerder met Marc Herremans had voor de krant De Morgen. Hij zei dat ons leven op een kaartspel lijkt. Soms krijg je goeie kaarten. Soms slechte. Maar met de kaarten die je krijgt, tracht je altijd het beste spel te spelen. Dat vind ik nog altijd een ongelooflijk schone wijsheid. Herremans heeft dat zelf fantastisch knap aangepakt.
Pas recent ben ik gaan beseffen dat ik ook ben blijven spelen met die kaarten die weinig goeds beloofden ondanks mijn initiële onheilsstemming na alle medische wanklanken. Ik las een tekstje van een oud student van mij. Hij beschreef hoe hij zich op zijn veertigste nu stukken beter voelt dan op zijn twintigste. Mede omdat hij beginnen sporten is. In de dromerige bui die volgde op het lezen van dat stukje tekst, stotterde ik – stilletjes in gedachten – iets gelijkaardigs: als ik verder ga als nu voel ik mij volgend jaar op mijn zestigste stukken beter dan eerder op mijn dertigste. Kwestie van afgeronde getallen te gebruiken. Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik nog zo goed en leuk en fijn kon sporten als nu. Ondanks de hoger beschreven carrosseriële en anderssoortige problemen.
En de zin om te schrijven kwam ook terug. Filosofen moeten dan misschien wel niet té expliciet aan anderen uitleggen, laat staan voorschrijven, hoe zij tot een betekenisvol en goed leven komen, maar ik mag misschien toch wel het verhaal doen over hoe ik tot deze grens-met-fantastisch-vergezicht hier en nu gekomen ben? En welk perspectief ik zie.
Dus dacht ik: schrijf aan de hoofdredacteur een vriendelijk bericht met de vraag of je terug je filosofisch-sportieve hersenspinsels kwijt kan op zijn virtuele pagina’s. Zeg dat je mensen wil tonen dat elke grens een nieuw begin kan zijn. Dat opgeven misschien niet hoeft ook al lijkt dat zo en ook al wordt je dat niet letterlijk aangeraden, maar je begrijpt het wel zo. Vraag hem of je een reeks sportblogs mag schrijven over je klauterpartij vanuit de peilloos lijkende diepte van de spreekwoordelijke lappenmand. Hoe je over het randje van de mand al na enkele maanden opnieuw de wenkende verte zag van veel en fijn en leuk sporten. Hoe dat misschien een beetje inspirerend kan werken voor de lezers hier. Beloof er gratis en voor niks wat levensfilosofie aan toe te voegen, dat is tenslotte je job. Als die hoofdredacteur die reeks nu liever ‘sportief dagboek van een koppige ezel’ noemt, zeg je dat dit ook goed is. Het verhaal gaat hoe dan ook over het leren luisteren naar een lijf. Hoe dat lijf vraagt: probeer dat eens of dat. En hoe dat wellicht afwijkt van de gebruikelijke regeltjes. Koppig. Eigenzinnig. Zeg maar. Ik ben geen toptrainer, maar een geschoold en professioneel werkzaam filosoof. Van een filosoof kan je leren dat de werkelijkheid altijd maar een mogelijkheid is. En dat er meerdere mogelijkheden zijn die je werkelijkheid kunnen kleuren.

De weg

In een interview in Knack Focus vertelde Peter Terrin eens over zijn bezigheden naast of buiten het schrijven. Hij blijkt een voorliefde te hebben voor het ‘verzamelen’, in casuhet verzamelen van oude schrijfmachines. Daarnaast, en hier gaat het mij natuurlijk om, zegt hij iets opmerkelijks: ‘Kilometers, dat verzamel ik op middelbare leeftijd ook, met mijn koersfiets, een schitterende machine, en dat zo veel en zo vaak als ik maar kan. Woorden en kilometers, ze wisselen elkaar af; ik ga elke dag op zoek naar buit’. 

Ik scheur het interview uit het tijdschrift en leg het op het stapeltje documentatie dat ik – nou ja – verzamelde om er uiteindelijk deze column uit te destilleren. Mijn fascinatie gaat al enkele weken uit naar het fenomeen van ‘de weg’. Elders in dit nummers begin ik mijn relaas over ‘mijn’ Ventoux met de opmerking dat wij in ons spreken vaak metaforen gebruiken die verwijzen naar onze lichamelijke manier van in de wereld zijn. Wat is een metafoor? Het is een beeldspraak waarbij een vergelijking wordt gehanteerd die letterlijk genomen nergens op slaat, maar die in figuurlijke zin veelzeggend is en die we allemaal begrijpen. Als we het hebben over ‘de weg naar wijsheid’, dan zal geen kat zich een beeld van die weg proberen voor de geest halen (een kasseibaantje, een snelweg?…), maar we snappen toch allemaal wat hier gezegd wordt. Je moet iets doen, je moet in beweging komen om die wijsheid te bereiken. Ze ligt niet hier en nu voor het rapen. De koersfiets van Peter Terrin, de weg naar wijsheid waar in het Boeddhisme wordt naar verwezen of de wandelingen van Aristoteles met zijn leerlingen: er is iets met wegen en wijsheid, met kennis zelfs. Lees De oude wegen, een schitterende bundel essays van Robert MacFarlane. Ik citeer: ‘Het pact tussen lopen en schrijven is bijna zo oud als de literatuur zelf – een wandeling is maar één stap verwijderd van een verhaal, en elk pad vertelt’.

Ik kende de naam van George Borrow niet voor ik het boek van MacFarlane las. Borrow legde in de jaren twintig van de negentiende eeuw duizenden kilometers te voet af. De man leerde op zijn tochten vele talen kennen. Naar verluidt sprak hij er op zijn achttiende al twaalf. Dat zouden er in de loop van zijn leven om en bij de veertig worden, waaronder het Nahuatl en het Tibetaans. In de winter van 1832 vroeg de British and Foreign Bible Societyhem om een onderhoud over de mogelijkheid de bijbel in enkele minder gebruikelijke talent te vertalen. Hij vertrok, te voet, vanuit Norwich en legde in zevenentwintig uur ongeveer honderdtachtig kilometer af. Zijn bevoorrading bestond uit een groot glas bier, een glas melk, een broodje en twee appels. Hij aanvaardde de opdracht het Nieuwe Testament in het Mantsjoe te vertalen, maar verzweeg daarbij wijselijk dat hij die taal niet kende. De man schafte zich een aantal boeken aan, reisde terug per koets en bleek drie weken later in staat aan de vertaling te beginnen. Ik schrik er niet van als ik lees dat Borrow de lange wandelingen ook gebruikte om zijn depressies te boven te komen. In 1867 wandelde ene John Muir ruim vijftienhonderd kilometer van Indianapolis neer de Florida Keys. Vijfentwintig jaar later werd The Sierra Clubopgericht. De clubleden werden geïnspireerd door Muirs overtuiging dat het lichamelijke contact van de wandelaar met de ongerepte wereld zowel wereld als wandelaar te goede kwam. Wandelen, op weg gaan, hebben van oudsher alle uitstaans met kennis in het algemeen en zelfkennis in het bijzonder. Wallace Stevens, een Amerikaanse modernistische dichter: ‘Misschien hangt de waarheid af van een wandeling rond een meer’. De Deens filosoof Sören Kierkegaard meende dat de geest optimaal functioneert bij een wandeltempo van 4,5 kilometer per uur. In zijn dagboek schrijft hij dat hij tijdens een zwerftocht zo door ideeën overweldigd raakte dat hij bijna niet meer kon lopen. Wandelen is dus niet zozeer een middel om tot kennis te komen, het is het voertuig van de kennis zelf. Een Apache-stam noemde alle vormen van nagedachtenissen, bijvoorbeeld verhalen of liedjes, gewoonweg ‘voetafdrukken’. Het Klinchon-volk uit Noord-Canada heft slechts één woord voor zowel kennis als voetafdruk. We denken met onze voeten, schreef Friedrich Nietzsche. Charles Darwin had door het bos en de akkers rond zijn huis een kronkelig zandpad laten aanleggen. Dagelijks wandelde hij daar en hij noemde dat zijn denkwerk. 

Wandelen, het afleggen van een weg, leidt tot inzicht. Ja, goed. Ik bedacht dat tijdens mijn verblijf aan de Mont Ventoux. Het idee om iets over het fenomeen van ‘de weg’ te gaan schrijven begon te rijpen op de flanken van de ‘Kale Berg’. Ik wou te voet naar de top, maar niet langs de geijkte wegen waar ook auto’s hun ding kunnen komen doen. Ik zocht dus een weg door de bossen, zij het eerst tussen uitgedroogde struiken langs zanderige wegen met onaangenaam te bewandelen stenen. Ik vond de weg niet. De ideeën vonden mij wel. Ruw. Onafgewerkt. Uitdagend. Ik dacht aan soorten wegen. Er is de weg op de Ventoux die ik eerder al was opgefietst, zoals zovele anderen al. Het is de gebaande weg, de geijkte weg. De weg die je niet moet zoeken. De Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer verwijst naar de oorsprong van ons woordje ‘methode’. Dat is afgeleid van het Griekse methodosen betekent iets als ‘de weg van het nagaan’. Nagaan kan slaan op het ‘nog eens afleggen’, maar ook op het ‘controleren’. De weg van het nagaan is de weg die is vastgelegd, de weg die geen verrassingen meer biedt, die voorspelbaar is. We hebben die weg soms nodig. Stel dat die vele fietsers ook nog eens zouden moeten gaan zoeken op de flanken van de ‘Kale’. Een andere Duitse filosoof, Martin Heidegger, noemde een bundel essays van hem Holzwege. Hij kwam tot dat woord tijdens zijn wandelingen in het Zwarte Woud. Holzwege zijn weggetjes die door houthakkers worden gemaakt. Ze leiden naar nergens. Ze getuigen enkel van het zoeken naar hout. 

Verschillende wegen, verschillende soorten van denken. Maar de weg heeft dus iets met denken. Denken heeft iets met een manier van bewegen. Ik zit hier een beetje te stotteren. Zie de weg niet duidelijk genoeg. Ik wil iets zeggen, maar kan er niet de hand opleggen. Zoals al gezegd: het idee om dit te schrijven rijpte tijdens een wandeling op de Ventoux. En dat ik er de weg niet vond. Geeft u me nog een paar wandelingen tijd?

Grenzen verleggen

Ik gaf onlangs een lezing aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, ter opening van het academiejaar. Locatie was de Janskerk, die ondanks het verlies van voorvoegsel Sint- nog altijd een gewijde sfeer blijft uitstralen. Op voorhand had ik al bij wijze van opdracht meegekregen dat mijn lezing het thema van de menselijke eindigheid diende te behandelen, maar dan met de uitdrukkelijke vraag daar ook een wending van optimisme aan te geven. Dat kwam er zo ongeveer op neer: oké, we gaan allemaal dood, maar toch heeft ons leven zin. Misschien,dacht ik, kunnen we die vraag naar zin zelfs enkel stellen net omdat we eindig zijn. Stel dat je eeuwig zou blijven leven, dan doet het er eigenlijk niet zoveel toe wat je hier zoal uitspookt op deze eindige aardkluit. Je hebt dan altijd alle tijd om een nieuw startschot te geven ter verbetering van dat weliswaar vleselijke, maar in dit geval niet gestaag uitdovende leven van ons. 

We weten beter. We zijn eindige wezens en op een dag worden we daar mee geconfronteerd. Dat is hier echter niet mijn punt. Er is nog een andere dimensie aan dat eindige aspect van ons leven: we worden ouder. Dat weten we altijd. Er zijn zelfs fases in het leven waar we daarnaar verlangen: was ik maar een paar jaar ouder, dan zou ik… Vul maar in. Met die eindigheid van ons gaat echter ook altijd een ander keerpunt gepaard. Dat is het moment waarop je zucht: was ik maar een paar jonger, dan zou ik… Vul maar in.

Voor ons, sportomhelzende wezens, is die invulling tamelijk voorspelbaar. Onze hoogstpersoonlijke zucht zal dan altijd iets laten meeklinken van hoe het een paar jaar geleden nog sneller, harder, hoger ging. En daar in één adem aan toegevoegd: en dus beter. 

Ik vertaal mijn opdracht in die Utrechtse kerk naar dit gegeven: hoe dan nog optimistisch te blijven? Anders geformuleerd: hoe behoud ik de goesting in sport nu ik geconfronteerd word met lijfelijk verval en alzeker met de niet meer te loochenen vastelling dat het voortaan noch hoger, noch sneller, noch verder zal gaan. Stoutmoedigheid fluistert mij nu in: maar toch beter. En dan zet ik daar een uitroepteken achter. Maar toch beter! 

Hoe komt die man daar bij?, vraagt u zich af. Misschien zelfs denkt u: wat zou zo’n filosoof daar over te vertellen hebben? Wel, bekijk het inderdaad misschien eens filosofisch. In een boek dat ik op dit moment aan het voltooien ben, getiteld De zinnen van het leven,pleit ik voor een zeer down-to-earth benadering, waarin zingeving ondermeer ook te maken heeft met de verhalen die we onszelf over onszelf vertellen. Narratieven heet dat in duur filosofisch Nederlands. Het zeer grote voordeel van verhalen is dat ze altijd kunnen herschreven worden. Ik denk dat we dat eigenlijk ook wel voortdurend moéten doen. Kwestie van survival. Wie zijn verhaal niet kan aanpassen aan nieuwe uitdagingen, problemen of vragen die opduiken op de eigen levensweg, dreigt wat makkelijker op de existentiële bek te gaan, dan wie dat wel kan.

Ik dacht zo dat we misschien de woordenschat die we gebruiken om iets over onze onderliggende drijfveren bij ons aller sportactiviteit zouden kunnen bijschaven. Bijvoorbeeld op het moment dat je gaat bedenken dat het een paar jaar geleden toch sneller en hoger en verder ging. We spreken af dat u voortaan niet meer zegt: en dus beter. Want met wat had dat ‘beter’ te maken? De kans is groot dat dit in je eigen narratief vervat zat waarin je het had over ‘mijn grenzen verleggen’. Waar leg je dan die grens? Een beetje hoger, een beetje verder, een beetje sneller. Dat doe je tot die grens zichzelf oplegt. Hij doet dat op het moment van je net-iets-teveelste verjaardag of hij doet dat via het strenge oordeel van een dokter waar je gaan klagen bent over een fysiek mankement. ‘Ken uw limieten, mevrouw, mijnheer’. Limieten? Waren dat niet die dingen waarvan we in de eerste plaats vonden dat ze moesten verlegd worden?

Als u mij toelaat even in het pluraliste spreken: wat is nu eigenlijk ons probleem met die grens? Met ‘ons’ bedoel ik: het verzamelde sportgild aan wie die grens zich geheel spontaan en even onontkoombaar heeft aangediend. En als u nog niet tot dat compartiment van het sportgild behoort: eens komt hij toch, die grens.

Hoe zien we gebruikelijkerwijs dat fenomeen? Ik vermoed, maar ben er eigenlijk nogal straf van overtuigd: de grens zien we als datgene waar iets ophoudt. De grens is altijd die plek waar we niet meer verder kunnen. We stuiten op limieten. Zelfs na noeste trainingsarbeid houdt het daar op nogal onverbiddelijke wijze op met dat hoger, verder en sneller. De grens is een eindpunt. Verlegbaar. Dat zeker. Maar even zeker: beperkt verlegbaar.

Maar moeten we het zo zien? Neen. Het kan ook anders. Laten we vooral uitgaan van dat misschien soms vervelende, maar nooit te vermijden fenomeen van de menselijke eindigheid. Als je het goed bekijkt zit die grens gewoon ingebakken in ons leven. Altijd. 

Volgende vraag: hoe knoop ik daar een bundeltje optimisme aan vast? Mijn voorstel: door die grens te zien als een begin en niet als een einde. Mijn grens, dat wil zeggen mijn altijd aanwezige beperktheid ten gevolge van leeftijd of de mij kenmerkende fysieke potentie, dat is waar ik bij begin, niet waar ik eindig. Dat ik altijd een grens heb, bepaalt de mogelijkheden van wat ik doe. In dit geval: als sportomhelzend wezen. In 2006, had ik voor De Morgeneen gesprek met triatleet Marc Herremans. We hadden het uiteraard over de limieten die hem waren opgelegd na zijn zware ongeval. Hoe hij dat existentieel kaderde, ben ik nooit vergeten. ‘Het leven is als een kaartspel’, zei hij. ‘Je speelt met de kaarten die je krijgt’. Soms zijn dat goeie kaarten, soms minder goeie. Maar altijd speel je het best mogelijke spel. In mijn terminologie: de grenzen van onze fysieke toestand krijgen we altijd opgelegd, maar we zien die niet als een beperking, maar als mogelijkheid. De ons eigen mogelijkheid. Nog in mijn voorstel: die mogelijkheden maken de kern uit van mijn vrijheid. Hoe ik mijn ding doe, mag dan wel altijd en onontkoombaar een bepaalde limiet kennen, toch speel ik mijn spel met die kaarten. Het is op die wijze dat ik mijn vrijheid geniet. En die is altijd relatief. Maar ze is er wel. Omarm ze.

Wat kan dat verder nog betekenen?

Stel dat een prijs wordt uitgereikt voor de top drie van motivaties die mensen opdiepen om hun sportactiviteiten van enige uitleg te voorzien, dan zou het wel eens kunnen dat ‘mijn grenzen’ verleggen podiumambities kan koesteren. Ik vind een boek terug dat de titel Hardlopen. Met succes je grenzen verleggen draagt. In interviews komt dat mantra zowat even vaak terug als de wens voor de gezondheid te zorgen, stress even efficiënt te verminderen als het lichaamsgewicht, het sociaal aspect van sportevenementen en het verlangen thuis af en toe weg te kunnen. Dat laatste dan stilzwijgend of hooguit tegen zichzelf gemompeld. Maar die grenzen verleggen – bedoeld wordt: die van jezelf – daar willen we allemaal wel mee aan de slag. Het klinkt een beetje stoer. Het geeft een drive. Basketlegende Michael Jordan gaf er in een straffe uitspraak nog een bijkomende dimensie aan. Hij meende dat die grenzen, net als angst, niet meer dan een illusie zijn. Lees: negeren die dingen. Op naar verder, langer, meer. Daar zit nu net het probleem. Verder, langer en meer, zijn fenomenen die we op kwantitatieve wijze kunnen uitdrukken. Ze zijn meetbaar en in getallen uit te drukken. Ik heb daar niks op tegen. De competitieve sportwereld drijft er op. Maar het zijn natuurlijk ook net die fenomenen die ooit, eens, altijd op een grens zullen stuiten. Een topsportcarrière eindigt dan daar of doet nog wat in een flauwe afschaduwing van weleer verder. Maar daar hebben wij niet noodzakelijk een boodschap aan. Met wij bedoel ik nu de sportomhelzende recreatievelingen die hun boterham op andere wijzen verdienen dan door hoger, sneller en beter te gaan dan al die anderen die hetzelfde willen. Wat willen wij? (Met nogmaals excuus voor de misschien ongewenste meervoudsvorm.) Wij willen een goed leven. Wij willen kwaliteit in dat leven. Die kwaliteit meten we niet. We voélen ze. Om die kwaliteit gaat het ons in onze sportesbattementen. We streven die na in dialoog met wat ons gegeven is en dus beginnend bij de grenzen die we altijd meedragen. Kan ik die grenzen verleggen? Ja, maar niet blijvend. Vooral: ze verleggen zichzelf. Mezelf verstaan, is mezelf verstaan vanuit die gegevenheid. Daar ga ik mee aan de slag. Daar ben ik vrij. Omdat ik vrij ben, zal ik altijd evenveel goesting blijven hebben en misschien zelfs alsmaar meer. Hoe dan ook is er dan geen reden meer om ermee op te houden. Kaarten om mee te spelen, krijg je altijd. En in mijn voorstel win je eigenlijk ook altijd. 

Olympisch denken

Bekijken we even het grote veld van wat er zoal bestaat aan sportcompetities. Provinciale kampioenschappen, nationale kampioenschappen, Europese kampioenschappen, wereldkampioenschappen… We vinden ze in die opgaande lijn belangrijk. We weten ook tamelijk goed wat er in die evenementen op het spel staat. Goed getrainde meisjes, jongens, dames en heren komen er hun best mogelijke ding doen. Ze oefenen daar veel en lang voor. Een niet onaanzienlijk aantal onder hen verdient er een bijwijlen goed belegde boterham mee. Allen, met of zonder pecuniaire voordelen, kennen echter ook het fenomeen van de passie voor wat ze doen. Voor hen is sport een activiteit die hun dagen en nachten kleur, vorm en betekenis geeft gedurende een groot deel van het actieve leven. 

Hogervermeld reeksje kampioenschappen figureert vanuit een duidelijke achterliggende gedachte: ze heten competities te zijn en in een competitie wil je het zo goed mogelijk doen. Beter dan anderen. Soms beter dan jezelf een vorige keer. Winnen kan er doorgaans maar één. Maar het is ook wel de al dan niet natte droom van velen om dat zelf te doen. Deelnemen is tof. Maar winnen, dat is toch wel het allertofste.

Behalve blijkbaar als we het over de Olympische Spelen hebben. Deelnemen heet daar volgens een hardnekkig standhoudende wijsheid belangrijker te zijn dan winnen. Maar is dat zo? En zou het die gedachte zijn – de Olymische gedachte –  die maakt dat we dat vierjaarlijkse evenement toch nog een stevig tikje hoger lijken in te schatten dan het hele lijstje kampioenschappen hierboven, daarbij inbegrepen wereld- en andere mondiaal ingevulde sportevenementen? Tenslotte verlaat Fabian Cancellara vroeger de Tour om beter voorbereid naar Rio te kunnen vertrekken. En hij is niet de enige topsporter die verklaart er bij te willen zijn op de Spelen, ook al heeft hij of zij in principe daar niets meer te bewijzen. Of bekijk deze simpele vraag: wanneer gaat u voor tv zitten om een potje kleiduifschieten te bekijken? Dat doet u tijdens de Olympische Spelen als een landgenoot kans maakt op een medaille. Alleen maar dan.

Voor alle duidelijkheid: dat motto van deelnemen dat belangrijker is dan winnen, vormt helemaal niet de kern van de Olympische gedachte of het Olympisme. Het Olympisch charter maakt er op geen enkele wijze gewag van. Maar, bekijk die woorden nog eens goed, dàt die OS een charter hebben, dat er iets als een Olympische gedachte bestaat, dat we het over het Olympisme kunnen hebben, net dat maakt het zo verschillend van provinciale, nationale of wereldkampioenschappen. De Olympische Spelen zouden de Sport dus vierjaarlijks moeten etaleren als een fenomeen met een missie. 

Het Olympisch charter pretendeert dan ook een levensfilosofie onder zeer verheven woorden te willen brengen. Het charter op zich, althans de laatste herwerkte versie van augustus 2015, omvat 105 pagina’s, waarvan het grootste deel eerder saaie, maar uiteraard noodzakelijke, juridische materie omvat. Het filosofische licht van de Olympiër staat gans in het begin, nog voor het eerste hoofdstuk op gang komt, onze sportieve hemel aan duisternis te onttrekken en doet dat bij monde van zes principes. Eigenlijk zijn het er zeven, maar het laatste zegt gewoon dat je de zes eerdere daadwerkelijk ter harte moet nemen.

Wat vinden we in die zes principes? Het eerste heeft het over het Olympisme als een levensfilosofie die zich richt op het verbeteren van lichaam, wil en geest. Dat dient op een evenwichtige manier te gebeuren en in onderlinge harmonie van deze drie vermogens. Bovendien zou sport in een hechte relatie met cultuur en educatie dienen te verkeren. 

Het Olympisme hoopt een manier van leven te kunnen promoten dat uitgaat van het plezier van de inspanning en dit verzoent met een gevoel van sociale verantwoordelijkheid en respect voor fundamentele ethische principes. In het tweede principe wordt de focus verlegd van het eerder individuele naar het sociale en krijgt de Olympische sporter de vraag voorgelegd een vreedzame samenleving voor ogen te houden en bekommerd te zijn om het behoud van de menselijke waardigheid. Uit het derde principe blijkt dat deze ethisch, filosofische en politieke aspiraties een uitgesproken mondiaal karakter hebben en zich richten op alle continenten wereldwijd. Het hoogtepunt van al dit streven is dan uiteraard het vierjaarlijkse sportfestival, waarbij de vijf ringen van de vlag ook de vijf continenten symbolizeren en zo het beeld vormen van gewenste solidariteit en vreedzaam streven. Verder staat nog te lezen dat het beoefenen van sport als een mensenrecht geldt. Even belangrijk, in het zesde principe: de rechten en vrijheden die in dit Olympisch charter worden beschreven dienen voor iedereen te gelden, wat betekent dat discriminatie omwille van ras, kleur, taal religie, politieke overtuiging of seksuele voorkeur als ontoelaatbaar wordt beschouwd. 

Dat lijkt nu misschien allemaal tamelijk evident, maar dat was het zeker niet op het moment dat baron Pierre de Coubertin in de late jaren negentig van de negentiende eeuw de Spelen van de Griekse oudheid liet herleven. In een tekst uit 1908 waarin hij uitlegt waarom hij de OS vanonder het historische stof had gehaald, staat letterlijk te lezen dat het hem te doen was om het verder tot perfectie brengen van de sterke, hoopvolle jeugd van het blanke ras om zo de verbetering van de samenleving te kunnen nastreven. Die uitspraak over deelnemen dat belangrijker zou zijn dan winnen heeft hij overigens nooit gedaan in die woorden. Wel klonk het bij hem dat niet winnen het belangrijkste is, maar wel dat men gevochten heeft. Goed gevochten of gestreden. Mooi gestreden. Een wedstrijd moest iets vertellen over de deugden van de deelnemers volgens De Coubertin. Hij had daar overigens ook wel het Franse nationale belang mee op het oog. De Franse jeugd leek hem wat te mak geworden. Zijn voorbeeld was de Engelse lichaamscultuur van dat ogenblik. Aristocratische idealen waren niet ver weg.

De hooggestemde idealen van het huidige Olympisch charter mogen dan wel van ernstige ethische en politieke bekommernissen getuigen, wat Pierre de Coubertin toen voor ogen had zou nu ternauwernood nog kunnen gerechtvaardigd worden. Zogenoemde ‘professionals’ konden niet toegelaten worden tot de Spelen. Met die term werd echter – en dat klinkt wat eigenaardig voor ons – verwezen naar de arbeidersklasse. Enkel een niet-werkende klasse, de rentenierende elite zeg maar, kon meedoen. Dat had ondermeer te maken met het ideaal van fair play. Volgens een bepaalde zich oerdegelijk wanende traditie waren arbeiders daar niet toe in staat, vanwege niet verfijnd genoeg. Bovendien diende sport beoefend te worden omwille van de sport zelf en niet als bezoldigde activiteit. Arbeiders konden zich dat niet veroorloven en konden dus geen ‘amateur’ zijn in de ware zin van het woord. Geld verdienen als sporter is een tijdlang als een ernstiger misstap gezien dan doping te gebruiken. Geldgewin als drijfveer verloochende pas echt de ware spiritvan het sportgebeuren. Jim Thorpe, goud op de vijfkamp en de tienkamp in 1912, werd een jaar later zijn medailles ontnomen omdat hij voor deelname aan honkbalwedstrijden in 1909 en 1910 vijfentwintig dollar op zak had mogen steken. The times, they are a-changing, zou Bob Dylan zeggen. 

In studies over de evolutie van de OS wordt ook wel eens gewezen op het etnocentrische karakter van De Coubertins onderneming. De universaliteit die hij bepleitte was niet meer dan een veralgemenen van lokale gevoeligheden en overtuigingen over het mens zijn. Zijn universalisme droeg een vooruitgangsoptimisme in zich, maar die vooruitgang zou er enkel komen als het westerse model algemeen werd overgenomen. Zin voor diversiteit stond toen nog zo ongeveer op niemands agenda. Iedereen is kind van haar of zijn tijd natuurlijk en het is dus maar goed ook dat het Olympisch charter intussen de eigen tijdsgeest mede weet te verwerken. 

De vraag die er echt toe doet is voor mijn part nu die naar de geplogendheden binnen de bevoegde Olympische organen en binnen de sportwereld in ruimere zin. Denk aan Russische toestanden nu, denk aan de manier waarop de organisatie eerder aan steden werd toegewezen, denk aan boycots van soms niet de geringsten, denk aan het geweld in München ’72. En denk dan nog eens aan die zes principes en hoe mooi idealistisch ze ogen.

In 2020 zal Tokio het Olympische festival organiseren. Naar verluidt zouden meerdere kandidaat-organisatoren in spezich intussen al teruggetrokken hebben voor het feestje in 2024. Uit de pan swingende kosten zijn wellicht niet de enige, maar ongetwijfeld wel de zwaarstwegende reden. Het getuigt misschien van een slecht karakter, maar misschien zou een crisis – geen enkele stad die zich nog kandidaat wil stellen – meteen de welkome prikkel geven voor enige organisatorische herbezinning, geïnspireerd door het eigen ethische charter. Tenslotte is het dat wat van de Spelen Olympische spelen maakt. Een competitie met hoofdletter en met een ethische boodschap. Sport met een missie. Lekker ouderwets en actueler dan ooit. 

En toch gewonnen


Laten we dit een beschouwing over het niet-deelnemen noemen. Verwacht u aan een hoop melancholie, het steunen en zuchten van een inspanningshongerige die zichzelf in de nasleep van een medisch kwaaltje tot ‘mental coach’ benoemt, maar in de praktijk niet verder komt dan nagelbijtend op bed of later wachtend in de auto de niet wijkende regenbuien plaatsvervangend te vervloeken. Al schrijvende wil ik deze donkerblauwe nevelen des levens plaats laten ruimen voor de keerzijde van de in dit geval donkergekleurde medaille. Zal dan volgen, als besluit, de sprankel licht, dat bundeltje op de toekomst gerichte energie dat het leven van tijdelijke kleurloosheid bevrijdt.

Niet vrij van enige zelfironie bedenk ik deze olijke beginzinnen, wachtend op een terras om een ‘menu vélo’ te bestellen. Voor €10 biedt een pizza-grill in het centrum van Bédoin een pasta bolognaise, een drankje en een koffie. Een bewijs van vélo-identiteit dient niet voorgelegd. Wellicht werd dat op 13 juli 1967 ook niet van Tom Simpson gevraagd toen hij in de bar hier enkele huizen verder de laatste pastis van zijn leven dronk. Althans zo luidt de sportlegende. Maar sportlegendes zijn uiteraard altijd waar. Was dit overigens dezelfde sport als wat we nu nog altijd wielrennen noemen? Zie je de camera’s al gericht op Christopher Froome die zich van de fiets laat glijden om in er in een bar nog eentje te gaan drinken? Of dat zijn sportbestuurder hem opnieuw op de fiets zou zetten na eerst compleet uitgeleefd te zijn gevallen? Wielrenners stierven ooit heroïsch. Al zou dat heroïsche nu wellicht anders heten. Simpsons monument dient om te herinneren, maar even nadrukkelijk staat het er definitief verleden te wezen.

Wat zou die dag in ’s mans hoofd gespeeld hebben? Zouden dat ook donkerblauwe nevelen geweest zijn? Of gele? Het geel van zonnebloemen. In dit geval hoe dan ook de zonnebloemen van Vincent Van Gogh. Twee jaar geleden wandelde ik hier enkele decakilometers verder nog langs reproducties van werk van hem in de achtertuinen van het psychiatrisch ziekenhuis in Saint-Rémy-de-Provence. Vincent zweette daar de blauwzwarte sterrenhemel in zijn hoofd uit. Vergeefs. Of misschien niet. Ik zweette er, in die achtertuinen, een hoofdstuk biografie uit, genre ‘starry starry night’ met veel te veel ongelukszwangere wolken. Dat kan ook gezien worden als een uitdaging om te herbeginnen. Mijn tweevoudige klim naar de top van de Mont Ventoux eerder dat jaar had daar symbool voor gestaan. Starry starry night met belofte van zon. 

We vertrokken deze morgen in pletsende regen. Ik als chauffeur en mezelf dus troostend met het idee ‘mental coach’ te zijn. Zij als Kannibaalhongerige heldin in spe, nerveuzer dan de verzamelde Rode Duivels samen, straks voor de aftrap tegen Ierland. Maar voetbal kent natuurlijk geen Mont Ventoux. 

De omroeper bestempelde hen allen als helden. Ongeveer drieduizend paar regenopspattende wielen dropen mij voorbij deze morgen. Ik bracht supporterend stotterend iets uit van ‘komaan schat’ en dan nog wat onduidelijk gebrabbel. Op het filmpje dat ik maakte van de start hoor ik mezelf. Ongeveer zo moet Tom Simpson hebben geklonken toen hij zichzelf moed insprak na die laatste pastis en voor zijn finale pedaalslagen. Ik fantaseer maar wat over Tom. Tommeke Tommeke Tommeke toch. Anders klinkend dan bij het verbaal in de armen sluiten van een coureur in regenboogtrui met dezelfde voornaam.

Enkele uren later. De tijd tikte trager weg dan anders. Omhelsende armen en warme handen had ik mijn vrouw beloofd per sms. Kleumkou had ze mij laten weten in Sault gearriveerd te zijn. Al een deelnameloze dag lang liep of lag ik emotioneel te overdrijven en ik bedenk dat ik de tranen niet zal kunnen bedwingen als ze de kamer binnen komt straks. Ik zie het al: la Beauté après le Ventoux. 

Uiteindelijk wordt het anderhalf uur door beregende autoruit staren op het plein voor het Centre Culturel van Bédoin. Wielrenners druipen voorbij. Niet één kijkt vrolijk. Per paar regentrotserende wielen stijgt mijn ongerustheid. Het rotgevoel over het niet kunnen deelnemen transformeert zich in treurnis niet naast haar te kunnen fietsen nu. Ze arriveert met een onverstoorde blik. Zoals wel vaker lijken – lijken – inspanningen haar niet te raken. We kijken elkaar in de ogen. Mijn melancholische bui wordt met haar zonnebloemkleurige glimlach weggepenseeld. Emotionele supercompensatie. Ik leef op bij het voelen van haar inspanningsvolgekladderde lijf. Ik ben de bloemenjongen die zich op het podium mee de overwinnaar waant. Deelnemer en niet-deelnemer arriveren samen. Ze zegt: ‘Dit nooit meer’. Ze bedoelt wellicht: ‘Volgende keer samen’. Fietsend gaat ze op zoek naar ons hotel. Ik snelwandel en jog haar achterna. 

Enkele uren eerder sloeg ik ook al rechtsaf de Chemin des Granges in en begon ik daar te joggen. Enkele maanden geleden hadden tot medische wijsheid opgeleide heren en een enkele dame mij gezegd dat beter niet en zelfs nooit meer te doen. Maar weet, heren en een enkele dame, weet dat de zon begon te schijnen toen ik al joggend de weg naar mijn hotel insloeg. Ze scheen op mijn hoofd en in mijn hoofd. Soms moeten wolken, vooral de donkere, weggelopen worden. Of donkere gedachten dienen enkel om uit de wielen gefietst te worden. Volgend jaar fiets ik naar die top. Volgend jaar zal ik wel wachten om dat ‘menu vélo’ te kunnen bestellen. Nu was ik er ijlings vandoor gegaan voor de kelner kwam. Zelfs op momenten van zich donkerblauwslecht voelen moet een mens oprecht blijven tegenover zichzelf. Vind ik. En zich voornemen nooit bij de pakken te blijven zitten. Zeker niet aan de voet van de Mont Ventoux.

Sport en de eros van het leven

De mens is een erotisch wezen. Het Griekse woordje erosverwijst naar wat wij verlangen of begeerte noemen. Vanuit een existentiefilosofisch standpunt gezien verlangen wij naar zin en betekenis. We worden geleid door de vraag, de zoektocht zelfs, naar een zinvol en betekenisvol leven. Kan ik dat bewijzen? Neen. Maar zet deze hypothetische vooronderstelling eens op z’n kop: wie zou zich tevreden stellen met een zinloos en betekenisloos leven? Of denk aan mensen die daar om bepaalde redenen niet kunnen boven uitstijgen, zelfs als – en misschien net omdat – ze er zelf niet de oorzaak van zijn. Ik kan me maar weinig acceptabele manieren bedenken om daar mee om te gaan. 

Mijn hypothese wordt toch maar best gehanteerd bij het inrichten van ons leven en samenleven lijkt me. Ik meen zelfs dat een maatschappij de plicht heeft haar leden de kansen te bieden, deze zoektocht, deze queeste naar zin en betekenis een eigen invulling te kunnen geven. 

Maar wat heeft dit nu met sport te maken? We kennen allen wellicht wel de al zo vaak herhaalde redenen om sport- en lichaamscultuur – bewegen – te promoten. Die redenen hebben doorgaans te maken met gezondheid en welzijn. Ik denk dat ik niet overdrijf als ik ervan uitga dat deze redenen in onze hypertechnologische en door consumptie gedreven maatschappij de voorbije jaren qua urgentie zijn toegenomen en dat de cijfers die dat ondersteunen niet meteen de neiging vertonen te zakken. Deze redenen, die dus met gezondheid en welzijn vandoen hebben, vormen in mijn verhaal hoe dan ook de basale voorwaarden om over zin- en betekenisgeving te kunnen spreken. Als het lijf niet meewil, heeft dat altijd consequenties voor hoe we aan die queeste beginnen. Ik denk alleen al maar aan een fenomeen als depressiviteit. Sport, of meer bewegen, is hier een erkende remedie. Wie met het probleem van depressiviteit te kampen heeft, zal niet snel die erosvan ons bestaan voelen. De driveom te leven vanuit een verlangen naar een zin- en betekenisvol leven staat dan zelden of niet op de agenda van het eigen leven. Met andere woorden: zorg ervoor eerst met je lijf in het reine te komen om de mogelijkheid te hebben een stapje verder de vraag te stellen naar de zin van al de rest. 

Hoe kan sport nu tegemoet komen aan deze existentieel-erotisch zucht naar zingeving? Ik som enkele voorwaarden op die in filosofisch onderzoek te vinden zijn (ongetwijfeld naast andere) en toets deze telkens aan het sportgebeuren. 

Hebben we het over de zin van het leven, dan gaat daar ook iets mee gepaard dat richtinggevend is voor hoe we dat leven vorm geven. Zin is richtingszin. Waar wil je naartoe? Wat wil je bereiken? Hoeft het veel kanttekening als ik veronderstel dat dit vragen zijn die inherent zijn aan het beleven van sport? De invulling ervan is ruim. Misschien richt ik mij op het neerzetten van een prestatie in de nabije of verder gelegen toekomst. Misschien wil ik door een doordachte sport- en lichaamscultuur de kwaliteit van mijn leven een boostgeven? Misschien hoop ik via sportactiviteiten mijn leven rijker en voller te maken door er andere of meer mensen te leren kennen. Al deze drijfveren hebben impact op mijn hele leven en niet enkel op mijn sportieve reilen en zeilen. We zouden hier misschien wel een discussie kunnen hebben over de aard van die drijfveren. Zelf meen ik dat louter kwantitatief ingevulde motieven, in cijfers uit te drukken prestaties dus, op langere termijn onhoudbaar zullen blijken, vanwege begrensd. Iets als het opkrikken van de kwaliteit van het leven kan daarentegen een levenslange invulling en bijsturing vragen en krijgen, en op die manier duurzamer blijken. Altijd zal het richting – en zo zin en betekenis – geven aan onze dagelijkse praktijken.

Dat brengt me meteen bij een tweede aspect van de vraag naar zingeving. Zin heeft nagenoeg altijd te maken met zorg. Ik sport omdat ik zorg wil dragen voor mijn lijf. Ik zorg voor mijn lijf omdat het mijn sportactiviteiten kwalitatief ondersteunt. Het woordje ‘zorg’ zien we ook terugkomen in de term ‘bezorgdheid’. Ik zorg en ben bezorgd om mijn gezondheid en welzijn. Omdat ik deze bekommernis heb, stuurt ze mij in hoe ik mijn leven organiseer. Zorg zorgt voor zin. Omgekeerd: waarom zou ik voor iets zorgen als het me zonder zin en betekenis lijkt?

Voor het volgende aspect lijk ik twee keer hetzelfde te zeggen. We zijn eindige wezens, dat betekent dat we geen standpunt kunnen innemen dat ons boven onze eindigheid, de zekerheid dat we ooit zullen sterven, kunnen verheffen. We zijn geen goden. De mens is echter ook niet in deze wereld als (andere) dieren die enkel zijn aangewezen op een louter fysieke omgang met hun leefwereld. Wij stellen de vraag naar wat voor ons in ons leven betekenisvol is of kan zijn. Of we leven dan toch van daaruit, zelfs als we de vraag niet expliciet stellen. Hier lijkt dan die tautologie te dreigen en dat ik dus twee keer hetzelfde zeg: we vinden zin en betekenis vanuit wat betekenisvol is voor ons. Ik gebruik liever de term ‘betekenisdragend’. Een bepaalde horizon bepaalt wat voor ons betekenis inhoudt, waardoor wij ‘gedragen’ worden in onze existentiële keuzes. Deze betekenishorizon is gegeven en bestaat los van ons. We hebben die horizon echter wel nodig om over zin en betekenis te kunnen nadenken überhaupt. Die horizon zorgt voor een richting. Leven we in een cultuur waarin concurrentie en presteren de dans van het dagelijkse bestaan uitmaken, dan zullen we sneller geneigd zijn onze sportbezigheden ook vandaaruit kleur te geven. Ik zou echter ook enige kritische distantie kunnen tonen tegenover deze prestatiecultuur en voor mezelf van andere imperatieven vertrekken. Misschien ben ik dan explicieter en bewuster bezig met zingeven. En misschien is die tegenbeweging net nodig. Altijd echter – en dat is op zich ook al een aspect van de vraag naar zin – draagt de vraag naar zin en betekenis dat dubbele karakter in zich: we geven zin, maar er is ook reeds zin (betekenis, richting) gegeven. Zelfs als ik mij hardnekkig verzet tegen bepaalde overheersende tendenzen in een cultuur, dan nog vertrek ik daar. Bedenk echter ook dat een horizon niet gefixeerd is. Mét onze beweging verandert ook een horizon. De vraag naar zingeving krijgt hier zeker een mogelijk kritisch aspect. Bijvoorbeeld bij de vraag naar sport en de manier van beleven ervan.  

Tenslotte. De zin van het leven heeft ook ontzettend veel te maken met zin in het leven. Maar moet ik dat uitleggen aan lezers voor wie sportactiviteit iets quasi evidents heeft? Wie ‘er’ zin in heeft, zegt impliciet dat iets zinvol isvoor haar of hem. Ben ik een rare snuiter als ik bij mezelf vaststel dat ik heel vaak zeg of denk ‘er’ zin in te hebben na een stevig sportexploot?    

Where is my mind?


Een filosofieles in twee bedrijven.

Ter intro:

Met je voeten in de lucht en je hoofd op de grond. Probeer dat truukje eens. Geef er een draai aan. Goed zal het niet zijn voor je hoofd, als er niks in zit. Vervolgens vraag je je af: ‘Where is my mind?. 

Deze wat onzinning klinkende frasen haal ik zeer slordig vertaald uit een nummer van de Amerikaanse  Indierockband The Pixies. Die vraag die ik niet vertaalde uit het Engels is de titel van een nummer van hen. Goeie vraag overigens. Een mogelijk antwoord zit in de song verscholen: onze geest, ons bewustzijn, bevindt zich (ook) daar waar we menen enkel met de voeten bezig te zijn. Anders gezegd: bewustzijn ontstaat daar waar ik de grond raak. Sportende individuen zouden dat iets beter moeten weten dan het meer sedentair ingestelde deel van de menselijke soort. Om die reden sluit ik deze intro af met een zelden geformuleerde stelling: sport is géén bijzaak. Sport is zelfs een hoofdzaak in de meest letterlijke betekenis van het woord. Sport raakt aan wat we doorgaans denken met het hoofd te doen. 

Eerste bedrijf:

Ik kan een glimlach moeilijk onderdrukken als ik lees of hoor verkondigen dat iemand haar of zijn hoofd gaat leegmaken door te sporten. Ons hoofd is nooit leeg en het is altijd leeg. Het is dat nooit omdat het ons brein, onze zogeheten grijze massa, huisvest. Het is altijd leeg omdat gedachten of bewustzijn, ‘geest’, niet inons hoofd zitten. 

Waar zou onze ‘geest’ zich dan wel bevinden? Ik bedoel met ‘geest’ dat ‘ding’ dat geen ding is, maar dat wij zo graag onderscheiden van al het tastbare en materiële aan ons, het lichaam.

Al van bij onze verre filosofische voorouders, Plato bijvoorbeeld, werd wat ongemakkelijk gedaan over de verhouding van geest en lichaam. Ik ga dat verhaal hier niet te lang maken en gewoon wijzen op de intussen onhoudbaar geworden gedachte dat geest en lichaam gescheiden zijn en – nog erger – dat onze geest maagdelijk onberoerd blijft door onze lichamelijke strapatsen.

Vervolgens doe ik een tussenspurt, al even kort door de bocht, en herhaal dat onze geest niet in ons zit, maar buiten ons. De geest is iets aan het lichaam en spreidt zich uit in alles wat we doen. De meeste filosofen weten dat minder goed dan wij sportactievelingen. Wij kennen de wijsheid van het lichaam. Ga na hoeveel dingen u dagelijks doet op onbewuste wijze. En hoe het lichaam daar voor ons denkt. Kijk bijvoorbeeld naar tennissers of naar voetballers.

Als u nu op dit eigenste moment de wenkbrauwen fronst, het hoofd schudt, diep gaat zuchten, een bescheiden vloekje aan de wereld prijsgeeft of, omgekeerd, enthousiast ‘yes’ juicht, dan zijn dat allemaal uitingen van ons denken. Denken doen we in en met onze handelingen. De betekenis die we geven aan onze leefwereld zit niet ergens in dat blubberige brein verscholen, maar komt altijd tot uiting in het lijfelijke gesprek dat wij voeren met de dingen om ons heen. Die dingen, waaronder mensen, werken op ons in, wij werken op hen in. Onze dialoog is wederkerig. Ons lijf neemt deel aan het lijf van de wereld. En die twee veranderen elkaar constant. We doen dat soms bewust. We doen het vooral ook onbewust.

In een volgende tussenspurt wil ik nu graag beweren dat dit inzicht meteen ook het argument levert om te sporten. Duurzaam te sporten. Ik blijf korte bochtjes nemen: sport is – zoals reeds gezegd – geen bijzaak. Sport is van levensbelang. Waarmee ik bedoel: wie niet sport, mist een belangrijke component van de complexiteit van ons mens-zijn. Sport heeft een belang voor ons leven.

Het begrip sport rek ik daarbij tamelijk ver op. Uw dagelijkse wandeling is ook sport. Sport is lichaamscultuur. Cultuur is kweken. Ik kweek mezelf door aan mijn lijf te werken. Met mijn lijf ben ik verbonden met al de rest, dwz de natuur, onze medemensen enz.

Wat was er dan zo problematisch aan die nog altijd niet verdwenen tweedeling van lichaam en geest? In de filosofie en aanverwante geesteswetenschappen wordt of werd dat een dualisme genoemd. Een scheiding in twee dus. Die scheiding werd vervolgens altijd hiërarchisch ingevuld. Geest was wat beter dan lichaam, of zelfs het enige van waarde. Hetzelfde met verstand versus gevoel. Cultuur versus natuur. In één beweging werd dat ook doorgetrokken naar de vermeende dominantie van de man. Waren vrouwen niet wat meer lichamelijk en emotioneel dan mannen, die rationele straffe binken? Niet toevallig hebben nogal wat feministische filosofen de body-mindproblematiek opnieuw op de filosofische agenda gezet.

Nog in diezelfde geesteswetenschappelijke disciplines werd of wordt dan gedacht in termen van subject versus object. Weer kort: een subject domineert het object dat onderworpen dient te worden. De geest doet dat met het lichaam, cultuur doet dat met natuur, verstand of rede met gevoel. Vul het rijtje maar aan. En zie er het problematische, om niet te zeggen gevaarlijke karakter van. 

Wat doet het subject immers met het object vanuit een dominerende positie? Het creëert afstand. Gij, zondig en verdorven lijf, gij zult mij, schone en maagdelijke geest, niet bevlekken. Mijn denken zal zuiver zijn. En ik zal u plooien, minderwaardige baal vlees en botten. 

Zoveel plausibeler en mooier is het om dat voortdurende gesprek te zien en te voelen tussen lichaam en geest. Of althans tussen wat we zo noemen. Eigenlijk vormen ze een eenheid, een geheel. Duurzaam sporten gaat volgens mij over dat geheel. Argumenten om te gaan sporten als vermageren, trainen voor een wedstrijd, jong blijven (of dat althans denken) stellen niks voor bij de gedachte aan het belang van sport voor ons leven zelf.

Tweede bedrijf:

Een zaterdagmorgen. Ik ga met mijn vrouw naar de fitness. Te voet in een ijskoude regen. Ik loop weer te zagen en zeuren dat ik geen goesting heb. Dat mijn rug pijn doet. Dat er teveel volk zal zijn…

Ik besluit tot een hoognodige meditatiesessie. De loopband gaat dus in een helling van 10%, ik begin aan 5 km/u en versnel nadien tot 6. Een uur mag dat duren. Nadien volgt een fietssessie van dezelfde duur. De tobbende brombeer die de loopband in gang zette ziet zich van minuut tot minuut meer ‘verlicht’ worden, vol van goesting. Een gevoel van geluk dient zich eerst schoorvoetend aan, dan haast overweldigend. Ik laat me doen. Aarzelen wordt zekerheid. Losse gedachten worden zinnen, zinnen een verhaal. Het verhaal hierboven heeft zichzelf toen geschreven. Met verhalen bouwen we ons ‘zelf’ op. Met sport als lichaamscultuur maken we dat ‘zelf’ complexer, rijker, voller. Zeg maar: beter.

Sport is in die zin geen bijzaak. Ze gaat over hoe we in de wereld staan en hoe we betekenis geven aan ons leven. Sport zet op scherp wat we in het dagelijkse leven constant doen: een lijfelijke dialoog voeren met alles om ons heen. There is our mind.