De school van de sport

Eigenlijk had ik hier een vervolg willen schrijven op mijn vorige column. De titel zou dan geweest zijn: Ode aan de sportschool (bis). Nu ik die drie laatste letters schrijf, valt me in dat ik mezelf zo eigenlijk een bisnummer wou proberen gunnen. Meer dan zeshonderd keer was dat tekstje gedeeld. Ik probeer sedertdien te begrijpen waarom.

In mijn bisnummer had ik mijn enthousiasme vrije teugels willen geven. Ik zou zelfs geschreven hebben dat ik even mezelf geniaal vond. Die hoogmoed overviel mij na bijna een uur de loopband te hebben gegeseld. Nou ja… Bijna een uur kunnen ‘lopen’ (met nadruk op de aanhalingstekens) zonder enige pijn was me al jaren niet meer gegund. De multisportieve taken die ik mezelf de voorbije drie jaar had opgelegd in de sportschool wierpen ook hier vruchten af. De boodschap zou dus geweest zijn: veelzijdige belasting en een combinatie van kracht- en uithoudingstraining zijn het wondermiddel dat blessurepreventief verplichtend is. 

Zou ik allemaal geschreven hebben. Met stijgend enthousiasme. Bis. Bis Bis.

Ik arriveer in de wachtkamer bij mijn huisarts. Twintig minuten wandelen en ik ben kortademig en moe. Huiswaarts keer ik met de goeie raad om rust te nemen. Werken lukt even niet. Sport, mono- of multi-, lijkt een verre belofte geworden. 

In een weekendbijlage van De Morgen lees ik dat meer en meer mensen gaan sporten uit plichtsgevoel en niet noodzakelijk uit volle goesting. Merkwaardig. En ze kijken graag in de spiegel. De onvermijdelijke Midas Dekkers wordt nog maar eens opgevoerd als de bioloog die eerder de voorkeur geeft aan een borrel dan aan sportactiviteit. Hij is een fervent wandelaar weet ik van iemand die hem kent. Maar dat past niet in het plaatje van het weekendverhaal in de krant. Mensen gaan sporten omdat ze eigenlijk hun eindigheid willen negeren, lees ik. Met dat al even onvermijdelijke gezwam over eeuwig jong willen blijven op de achtergrond. Zou dat?

Mijn laatste sessie op de loopband had ik even stopgezet omdat de blinde dame die ik al beschreef in mijn vorige column hulp nodig had bij het inloggen met haar ‘sleutel’. Ik doe dat voor haar en lees voor wat ze gedurende een uur verwacht wordt te doen. Zo vaak heb ik hier mensen elkaar zien helpen. Krasse tachtigers met stok of looprek die elkaar op een toestel helpen. Een eerder kleine en oudere dame die vragend één van de fors gespierde jongelingen omhoog in de ogen kijkt. Ze krijgt het gewicht aangereikt of een staaf wordt voor haar naar beneden getrokken. Ik beschreef vorige keer ook de jonge man die na een verkeersongeval deels verlamd raakte en hier zes dagen op zeven actief is. Zijn sport als levenskunst. 

Best mogelijk dat sommige mensen door te sporten vooral hun al dan niet jeugdige ego willen gestreeld zien. Ik denk nu dat de school van de sport ons evengoed leert dàt we eindig zijn en kwetsbaar. En dat sport een manier is om met die eindigheid en kwetsbaarheid om te gaan en ze te aanvaarden.    

De oude Grieken kenden de term enkrateia, te vertalen als zelfbestuur, misschien als het zoeken van de eigen maat. Bij hen had levenskunst altijd met lichaamscultuur te maken. Sport als levenskunst is voor mij net dat zoeken naar de eigen maat. Wat heeft mijn lijf nodig? Hier en nu. Hoe behoud ik dat harmonieuze gevoel dat mijn levenskwaliteit mee bepaalt? Al vaak heb ik in ‘mijn’ sportschool lopen of zitten of desnoods hangen denken over de naam van het fitnesscentrum in kwestie. Pure Senses. Letterlijk vertaald zou dat als een onding klinken. Zuivere zintuigen of zoiets. Ik zoek naar een filosofische interpretatie ervan.

Als filosoof bepleit ik immers al langer het primaat van de lichamelijkheid. Hoe wij in de wereld staan, hoe de wereld betekenis krijgt voor ons, hoe we ons leven betekenisvol maken, begint bij ons lichaam. Onze fysieke toestand ‘stemt’ ons. Ik zal nooit dat clichématige motto gebruiken van een ‘gezonde geest in een gezond lichaam’. Wat is immers een ‘gezonde’ geest? Enkel kunnen we onmogelijk de samenhang van geestelijk en lichamelijk functioneren ontkennen. Hoe je lichaam eraan toe is, bepaalt al de rest. Je kan vechten tegen vermoeidheid en de somberheid die er vaak mee samenhangt of je kan ze lijdzaam ondergaan, maar in beide gevallen begin je daar: bij het lichaam dat aan het stuur staat. 

Pure senses betekent voor mij dat primaat van het lichamelijke aspect van ons leven erkennen. Zelfzorg is lichaamszorg. En we zoeken daar elk de eigen maat. Wat passend is voor onszelf.

In mijn bisnummer had ik dat willen beschrijven. Hoe die eigen maat verschuift met het ouder worden en met de niet te ontkennen eindigheid en kwetsbaarheid van het eigen lijf. Sport is voor mij een uitvergroting van het leven. Lopen, steppen, fietsen, met krachttoestellen werken, zijn telkens het op scherp stellen van lichamelijke activiteiten die we sowieso ondernemen bij het voltrekken van ons leven. Sport heeft voor mij niet zozeer te maken met kwantiteit en cijfertjes. Hoe snel, hoe hoog, hoe zwaar… Daar mogen competitiesporters van wakker liggen. We kunnen echter ook denken in termen van kwaliteit. Hoe goed voelt dit aan? Hoe kan ik deze kwaliteit van bewegen behouden? Sport gaat om levenskwaliteit.

De school van de sport is de school waar je nooit afstudeert. Je mag er minder gaan presteren door de jaren heen. In kwantitatieve, cijfermatige zin. Dat is de prijs van onze eindigheid. Waarom vechten tegen die eindigheid, laat staan ze ontkennen? Cijfers zijn objectief vast te leggen. Kwaliteit laat zich enkel voelen en kan telkens opnieuw en anders ingevuld worden. Ik voel met mijn lijf in mijn specifieke levensomstandigheden. En soms voelt dat niet goed aan. Misschien moet de maat dan bijgesteld worden. Op naar nieuwe en andere kwaliteit.

Het zal misschien mijn melancholie van het moment zijn, maar de scènes die ik nu al zo lang gadesla in de sportschool hebben iets waar ik gelukkig van wordt. Sport kan een oase van rust zijn in een door burnouts gekenmerkte samenleving. Op de parking zie ik een Porsche geflankeerd door een piepklein Japannertje. Aan de andere kant van de deur worden we allemaal gelijk: mensen die zoeken naar welbevinden. We zijn allen lijfelijke, eindige en kwetsbare wezens. Er bestaat zoiets als een universaliteit van het voelen. Ik weet wat de pijn van die ander betekent omdat ik die herken vanuit eigen ervaring. Ik kan me ongeveer voorstellen wat het betekent blind te zijn of deels verlamd. Goed genoeg snap ik hoe het voelt ‘er door te zitten’. We weten dat met ons lijf, vanuit een mede-voelen. Wat we denken of welk wereldbeeld we erop nahouden staat niet op ons gezicht af te lezen. Pijn, vreugde en genot wel. En eindigheid en kwetsbaarheid. Zie de schoonheid daarvan. Zoals een gebroken twijgje poëtische schoonheid kan verbeelden. Schoonheid ziet niet in perfectie of volmaaktheid denk ik. Schoonheid zit vooral in de afstemmen van jezelf – en vanuit jezelf – op een omgeving. Met onze beperkingen die altijd mee de toon zetten.

Misschien was dat de reden dat mijn vorige column zo vaak gedeeld is. Sport mag ook daarover gaan. Maar misschien zal het geen stof opleveren voor een weekendverhaal in de krant. 

Ode aan de sportschool

Het zou een raadseltje kunnen geweest zijn. In welke school studeer je bij voorkeur nooit af? Je leert er levenslang. Niemand maakt er een probleem van dat je om de haverklap van specialisme verandert. Je hoeft niet per se uit te blinken. En het is gewoon fijn om eens van alles te proeven. Nog leuk in deze door giftige polarisering gekleurde tijden: iedereen is er in principe gelijk, niemand wordt er uitgesloten. En wat meer is: je leert er mensen kennen die tot andere dan je gebuikelijke omgangssferen behoren. Hun verhalen raken je. Je schrijft er je eigen levensverhaal aan de hand van experimenteren met en uitproberen van wat je lijf je nog te bieden heeft binnen de telkens weer veranderende context van het eigen levensverhaal. Ziekte, kwetsuren, een jaartje ouder worden, zijn er niet langer obstakels, maar vriendelijke uitdagingen om op een andere manier aan de slag te gaan.  

Ik weet het, dit is al een veel te lange inleiding – raadseltjesgewijs – om een antwoord te bekomen dat al in de titel staat. De sportschool. In Nederland is dat de gebruikelijk term voor wat in schoon Vlaams doorgaans ‘de fitness’ wordt genoemd. Waarom een ode aan de sportschool?

Een maand of twee geleden maakte ik mij de bedenking dat ik nog nooit zo goed had gefietst als op dat moment. Snelheid zegt niet noodzakelijk alles, maar het viel me toch op dat de gemiddeldes die ik haalde hoger lagen dan wat ik mij kon herinneren. Hoe dan ook maakte mijn fietscomputertje, zes jaar jong, mij duidelijk dat ik in de periode van ons altijd weer fijne avonturen samen, niet eerder zo snel dezelfde afstanden had afgelegd aan de snelheid waar ik plots toe in staat bleek. Ik moest niet eens diep gaan. En ik had nergens pijn. So what?, zal u zeggen. Gewoon al goed getraind in die nog prille periode van het wielerseizoen. Neen dus. Het ging om mijn derde fietstochtje dit jaar en dat liep al meteen over iets meer dan honderd kilometer. 

Dat ik het gevoel had nooit eerder zo goed gefietst te hebben was opmerkelijk om enkele redenen. De eerste is evident: als ik mijn volgende verjaardag vier, zal dat de zestigste zijn. Normaliter ga je het dan fysiek en sportief wat minder goed doen dan in minder rijpe periodes van je leven. De tweede reden is echter dat ik die – naar mijn aanvoelen en in volstrekte consensus met mijn fietscomputertje – straffe fietsconditie had opgebouwd zonder of met nauwelijks pedalen beroerd te hebben. Alles was te danken aan die vele verschillende toestellen die ik in de sportschool met mijn overvloedige zweet laat kennismaken. En de derde reden: ruim drie jaar geleden liep ik enkele ingedeukte en gebarsten ruggewervels op. Dat maakte fietsen moeilijk. Ik dacht zelfs lange tijd dat het nooit meer zou lukken. Osteoporose bleek mijn benige carrosserie tamelijk overtuigend aangetast te hebben. Dat is ook de reden waarom ik hier in mijn vorige column schreef dat het drie jaar geleden voor mij plots niet meer hoefde om enthousiasmerende stukjes te schrijven over sport als levenskunst. En over het welbevinden en zelfs de euforie die sportacitiviteiten als vergoeding voor gutsend zweet kunnen opleveren. Maar kijk: het is allemaal weer terug. En beter dan ooit, zo blijkt.

Nooit opgeven dus, beste lezer. Vorige keer verwees ik hier al naar die mooie uitspraak van triatleet Marc Herremans dat het leven is als een kaartspel. Zelfs met slechte kaarten probeer je nog het best mogelijk spel te spelen. Herremans deed die uitspraak in een gesprek dat ik in 2006 met hem had voor De Morgenwaarin hij het had over zijn comeback, maar nu als rolstoelatleet. Mijn bewondering voor die man is immens groot. Mijn eigen kwaaltjes stellen niks voor in vergelijking met wat hem is overkomen. Maar dat beeld van slechte kaarten en een zo goed mogelijk spel is voor mij altijd richtinggevend geweest sedertdien. 

De belangrijkste les die ik heb geleerd in die drie jaar knutselen en wrikken en wringen in dat kaartspel van het sporten is dat het zo immens belangrijk is oog te hebben voor de complexiteit en volledigheid van ons lijf. Niet eerder had ik gedacht dat ik met groeiend enthousiasme met gewichten aan de slag zou gaan tussen (meestal) heren met imposantere spieren en betere looks dan de mijne. Ik heb in die drie jaar echter ook dat eenzijdige beeld zien veranderen. In de sportschool waar ik mijn zweeturen slijt, bestaat er iets als eGym. Acht toestellen vormen een cirkel en van toestel tot toestel wordt een andere van je spiergroepen bijgetrimd, van benen over romp tot schouders. Even je armbandje scannen en het toestel weet wie je bent en past zich meteen aan qua positie en qua gevraagde belasting. Mijn geteisterde wervelkolom houdt zich nu stil tussen beter getunede rugspieren. Ik loop rechter en steviger. Dat geeft zelfs een beter zelfbeeld. Echt waar.

Stel dat ik tante Kaat zou heten en u goede raad mocht geven, dan was het deze: laat al die spiergroepen ruim aan het woord. Eenzijdige belasting is voor niemand goed en al zeker niet al u een jaartje ouder wordt en als gewrichten wat minder kloek worden. 

Opmerkelijk is alvast dat in het klassement dat online wordt bijgehouden van de eGym-scholieren twee dames de rangschikking aanvoeren die beiden ouder zijn dan ik. Dat beeld typeert ook de sportschool en is ook één van de redenen voor deze ode. Ik kan er niet zo meteen een exact getal op plakken, maar het (grote) publiek in ‘mijn’ sportschool bestaat voor een aanzienlijk groot deel uit dames op pensioengerechtigde leeftijd. Dat lijkt mij een relatief nieuw fenomeen. Charmant zijn ook de nog oudere koppels. Tachtigers, man en vrouw die elkaar liefdevol met een handdoek staan gade te slaan of een handje helpen. De sportschool is een plek van emancipatie. Een slechtziende man en zijn blinde vrouw komen met de tandem, de blindegeleidehond in een kar meetrekkend. De man vertelde mij in de kleedkamer dat zijn partner tot haar 34steover een normaal gezichtsvermogen beschikte. ‘En ze keek graag in de spiegel’. Ze vindt haar weg tussen de toestellen en fietst, stapt op de loopband of op het steptoestel. Als ze uit de kleedkamer komt, gaat haar hond meteen blaffen aan de andere kant van de zaal. ‘Hier ben ik!’ 

Een jongeman gaat enkel op zondagmorgen niet aan de slag. Alle andere dagen is hij er pakweg twee uur bezig met krachttoestellen. Hij is aan één kant deels verlamd. Hij vertelde me tijdens zijn studententijd, nog niet zo gek lang geleden, een zwaar ongeval gehad te hebben met de auto. Op enkele tientallen plekken vertonen zijn hersenen daar sporen van. Een job hebben is niet mogelijk voor hem. Maar hij zegt zich zot te lezen over sport en over trainen. Het best mogelijke spel met die weinig benijdenswaardige kaarten, weet u. Zijn levenskunst. 

Mijn laatste bekentenis: ik ga nu zo graag naar school dat zelfs mijn fietsuren in polders en langs vaarten er dreigen bij in te schieten. Het gevoel van aan mijn hele lijf te werken en daar fantastisch mooie vruchten van te plukken, dat is wat ik nu mijn sportieve levenskunst laat bepalen. En dat het fietsen nu beter gaat dan ooit, is een zeer fijn neveneffect daarvan. Pure Sensesheet overigens de sportschool waar ik samen met alle andere de vlijtigste van de klas ben. Alleen al voor die titel zou je het doen. 

Fietsliefde

Laten we dit een beschouwing over het niet-deelnemen noemen. Verwacht u aan een hoop melancholie, het steunen en zuchten van een inspanningshongerige die zichzelf in de nasleep van een medisch kwaaltje tot ‘mental coach’ benoemt, maar in de praktijk niet verder komt dan nagelbijtend op bed of later wachtend in de auto de niet wijkende regenbuien plaatsvervangend te vervloeken. Al schrijvende wil ik deze donkerblauwe nevelen des levens plaats laten ruimen voor de keerzijde van de in dit geval donkergekleurde medaille. Zal dan volgen, als besluit, de sprankel licht, dat bundeltje op de toekomst gerichte energie dat het leven van tijdelijke kleurloosheid bevrijdt.

Niet vrij van enige zelfironie bedenk ik deze olijke beginzinnen, wachtend op een terras om een ‘menu vélo’ te bestellen. Voor €10 biedt een pizza-grill in het centrum van Bédoin een pasta bolognaise, een drankje en een koffie. Een bewijs van vélo-identiteit dient niet voorgelegd. Wellicht werd dat op 13 juli 1967 ook niet van Tom Simpson gevraagd toen hij in de bar hier enkele huizen verder de laatste pastis van zijn leven dronk. Althans zo luidt de sportlegende. Maar sportlegendes zijn uiteraard altijd waar. Was dit overigens dezelfde sport als wat we nu nog altijd wielrennen noemen? Zie je de camera’s al gericht op Christopher Froome die zich van de fiets laat glijden om in er in een bar nog eentje te gaan drinken? Of dat zijn sportbestuurder hem opnieuw op de fiets zou zetten na eerst compleet uitgeleefd te zijn gevallen? Wielrenners stierven ooit heroïsch. Al zou dat heroïsche nu wellicht anders heten. Simpsons monument dient om te herinneren, maar even nadrukkelijk staat het er definitief verleden te wezen.

Wat zou die dag in ’s mans hoofd gespeeld hebben? Zouden dat ook donkerblauwe nevelen geweest zijn? Of gele? Het geel van zonnebloemen. In dit geval hoe dan ook de zonnebloemen van Vincent Van Gogh. Twee jaar geleden wandelde ik hier enkele decakilometers verder nog langs reproducties van werk van hem in de achtertuinen van het psychiatrisch ziekenhuis in Saint-Rémy-de-Provence. Vincent zweette daar de blauwzwarte sterrenhemel in zijn hoofd uit. Vergeefs. Of misschien niet. Ik zweette er, in die achtertuinen, een hoofdstuk biografie uit, genre ‘starry starry night’ met veel te veel ongelukszwangere wolken. Dat kan ook gezien worden als een uitdaging om te herbeginnen. Mijn tweevoudige klim naar de top van de Mont Ventoux eerder dat jaar had daar symbool voor gestaan. Starry starry night met belofte van zon. 

We vertrokken deze morgen in pletsende regen. Ik als chauffeur en mezelf dus troostend met het idee ‘mental coach’ te zijn. Zij als Kannibaalhongerige heldin in spe, nerveuzer dan de verzamelde Rode Duivels samen, straks voor de aftrap tegen Ierland. Maar voetbal kent natuurlijk geen Mont Ventoux. 

De omroeper bestempelde hen allen als helden. Ongeveer drieduizend paar regenopspattende wielen dropen mij voorbij deze morgen. Ik bracht supporterend stotterend iets uit van ‘komaan schat’ en dan nog wat onduidelijk gebrabbel. Op het filmpje dat ik maakte van de start hoor ik mezelf. Ongeveer zo moet Tom Simpson hebben geklonken toen hij zichzelf moed insprak na die laatste pastis en voor zijn finale pedaalslagen. Ik fantaseer maar wat over Tom. Tommeke Tommeke Tommeke toch. Anders klinkend dan bij het verbaal in de armen sluiten van een coureur in regenboogtrui met dezelfde voornaam.

Enkele uren later. De tijd tikte trager weg dan anders. Omhelsende armen en warme handen had ik mijn vrouw beloofd per sms. Kleumkou had ze mij laten weten in Sault gearriveerd te zijn. Al een deelnameloze dag lang liep of lag ik emotioneel te overdrijven en ik bedenk dat ik de tranen niet zal kunnen bedwingen als ze de kamer binnen komt straks. Ik zie het al: la Beauté après le Ventoux. 

Uiteindelijk wordt het anderhalf uur door beregende autoruit staren op het plein voor het Centre Culturel van Bédoin. Wielrenners druipen voorbij. Niet één kijkt vrolijk. Per paar regentrotserende wielen stijgt mijn ongerustheid. Het rotgevoel over het niet kunnen deelnemen transformeert zich in treurnis niet naast haar te kunnen fietsen nu. Ze arriveert met een onverstoorde blik. Zoals wel vaker lijken – lijken – inspanningen haar niet te raken. We kijken elkaar in de ogen. Mijn melancholische bui wordt met haar zonnebloemkleurige glimlach weggepenseeld. Emotionele supercompensatie. Ik leef op bij het voelen van haar inspanningsvolgekladderde lijf. Ik ben de bloemenjongen die zich op het podium mee de overwinnaar waant. Deelnemer en niet-deelnemer arriveren samen. Ze zegt: ‘Dit nooit meer’. Ze bedoelt wellicht: ‘Volgende keer samen’. Fietsend gaat ze op zoek naar ons hotel. Ik snelwandel en jog haar achterna. 

Enkele uren eerder sloeg ik ook al rechtsaf de Chemin des Granges in en begon ik daar te joggen. Enkele maanden geleden hadden tot medische wijsheid opgeleide heren en een enkele dame mij gezegd dat beter niet en zelfs nooit meer te doen. Maar weet, heren en een enkele dame, weet dat de zon begon te schijnen toen ik al joggend de weg naar mijn hotel insloeg. Ze scheen op mijn hoofd en in mijn hoofd. Soms moeten wolken, vooral de donkere, weggelopen worden. Of donkere gedachten dienen enkel om uit de wielen gefietst te worden. Volgend jaar fiets ik naar die top. Volgend jaar zal ik wel wachten om dat ‘menu vélo’ te kunnen bestellen. Nu was ik er ijlings vandoor gegaan voor de kelner kwam. Zelfs op momenten van zich donkerblauwslecht voelen moet een mens oprecht blijven tegenover zichzelf. Vind ik. En zich voornemen nooit bij de pakken te blijven zitten. Zeker niet aan de voet van de Mont Ventoux.

Bevlekte ontvangenis

Of ik nog tegen 1 december mijn eerste column zou schrijven voor dit blad? Een vraag per e-mail. Nee, dacht ik, eigenlijk niet. Ik had nog niet eens de tijd kunnen nemen om een titel te bedenken die al die komende columns een herkenbaar gezicht moesten geven.  Maar goed, als debutant wil je niet moeilijk doen. Mijn antwoord via de elektronische post: ‘Straks ga ik fietsen, dan kan ik er eens over nadenken’. 

Dat denkende ik in kwestie is een filosofieprofessor met een nogal straffe hang naar lijfelijke activiteit. Sportactiviteit. In dat antwoord ligt eigenlijk een hele filosofie besloten. Over hoe lichamelijke oefening een denken in beweging zet. Hoe sport ideeën laat opborrelen. Creatief maakt. 

Maar, op die late novemberdag, koud winderig en doorspekt met af en toe plagerige regenbuitjes was er nog niets opgeborreld. Een sprekende titel moest ik hebben. Een titel die mijn filosofische arbeid van de voorbije jaren treffend kon vatten. Hij moest iets zeggen over mijn onbehagen met een hele westerse traditie van denken. Over hoe het lichaam daar simpelweg werd weg gedacht, buitenspel gezet. De geest heerste. En geest was er per definitie iets onlichamelijks. En: stond veel hoger dan dat lijfelijke gedoe, dat die geest alleen maar kon in de war brengen. Zoiets. Vandaar wellicht het dédain bij nogal wat intellectuelen voor sport. 

Tot de brug in Schoonaarde had ik de wind tegen. Aan de andere kant van die brug begon ik de Scheldedijk te volgen in de tegenovergestelde richting. Wind in de rug. En plots was hij daar. Na één uur en drie minuten. Een titel! Zomaar uit het schrale riet kwamen die woorden mij aangewaaid: Bevlekte ontvangenis. Ik vermoed dat ik mijn juichkreet niet eens proberen onderdrukken heb. Die twee woorden zeggen alles wat ik in mijn sportfilosofie kwijt wil.

U kijkt verbaasd? 

Bij de oude Grieken, mijn verre filosofische voorvaderen, merken we nog een rijkelijke belangstelling voor de samenhang van lichaam en geest. Levenskunst – de zoektocht naar het goede leven – draaide bij hen zowel om het cultiveren van de geestelijke aspecten van onze existentie, als om de lichamelijke. Filosofie en geneeskunst gingen er vaak hand in hand. Ik weet niet of de opkomst van het Christendom daar onmiddellijk verandering in heeft gebracht. Feit is wel dat in de christelijke leer al snel het lichaam als het zondige vlees werd geïnterpreteerd. Dat vind ik echter minder belangrijk dan wat er zich vanaf de zestiende-zeventiende eeuw heeft voorgedaan in het westerse denken. Met een filosoof als René Descartes werd de mens exclusief gezien als een rationeel wezen. ‘Ik denk dus ik ben’, klonk zijn befaamde slagzin. Met de nadruk op denken, en dus niet op voelen of op een lijfelijke aanwezigheid. De filosofie wenste vanaf dan zekerheid na te streven, zoals dat in de wiskunde het geval was. Het lichamelijke vond daar geen plaats, net omdat het een wat onvoorspelbaar en onberekenbaar karakter kan hebben.  Wat niet rationeel kon gevat worden, moest dan maar weg gedefinieerd raken. Hoe dat lichaam het geestelijke functioneren beïnvloedt en kleur geeft, – bevlekt -, was niet aan de orde.      

Dat is een gekke toestand. Recente ontwikkelingen in de neurowetenschappen laten zien dat het lichaam eigenlijk onze primaire toegang tot de wereld vormt. Bevindingen daar tonen aan dat wij vaak reacties hebben die puur lichamelijk zijn ingegeven, nog voor ons brein echt rationeel aan de slag gaat. Als hier plots een brullende leeuw mijn werkkamer binnenstormt, dan reageert eerst mijn lichaam en brengt het een hormonale reactie teweeg die bij mij de reflex tot vluchten opwekt. Fracties later pas dringt dit door tot mijn rationele bewustzijn. Dit soort zaken is wetenschappelijk aangetoond. Maar ga gewoon ook eens bij uzelf na hoeveel u wel niet doet vanuit een lichamelijke interactie met de omgeving. Als u een trap oploopt, hoeft u daar niet rationeel over na te denken: linkerknie 90° heffen, dan rechterknie… Zo werkt dat niet. Het lichaam denkt daar zelf, als een respons op wat een omgeving van ons vraagt.   

Die Oudgriekse levenskunst zou nu kunnen geherwaardeerd worden, met behulp van de neurowetenschappen. Een oud student van mij, die al een loopbaan als psychiater had uitgebouwd, zei me ooit dat de mens in feite een soortement chemisch fabriekje is. Ik vond dat wat provocerend klinken voor een filosoof. Maar eigenlijk had hij gelijk. Onze gevoelens van geluk, genot, stress, angst of verliefdheid zijn inmiddels netjes hormonaal te traceren. Dat betekent niet dat ze de enige verklaring zijn voor die emotionele toestanden, wel dat ze er de noodzakelijk voorwaarde van vormen.

Het goeie nieuws is nu dat wij geen willoze toeschouwers zijn van wat zich in dat chemisch fabriekje afspeelt. We kunnen er zelf mee aan de slag. Door een goeie lichaamszorg. Of door te sporten. Vóóral door te sporten.

Op het congres van Sporta heb ik sport daarom als een levenskunst omschreven. De zoektocht naar een goed en gelukkig leven, de queeste die ook onze Oudgriekse filosofen dreef, heeft alle uitstaans met zelfzorg, wat betekent: zorg voor het lichaam. En dus voor onze emotionele en geestelijke huishouding. 

Een gezonde geest in een gezond lichaam. Dat torenhoge cliché blijft overeind. Maar het klinkt mij wat te braaf. Kunnen we daar niet iets van maken als ‘een bruisende geest in een bruisend lichaam’? Kent u die sportroes die tot creativiteit leidt? Mijn beste ideeën als filosoof en schrijver zijn nagenoeg altijd uit een loop- of fietstraining voortgesproten.

Duursport is voor mij quasi een vorm van meditatie. Soms als ik met een of ander filosofisch probleem worstel, ga ik fietsen en kom ik nagenoeg altijd met een opgelost probleem terug thuis. Sport kuist de geest. Brengt harmonie in een ideeënchaos. Fascinerender vind ik de ‘wilde’ ideeën die ik krijg tijdens het hardlopen of fietsen. Ideeën om een boek te schrijven of een artikel bijvoorbeeld. Plots zijn die daar. Ongevraagd en onverwacht. Ze zijn niet tembaar, niet voorspelbaar, niet beheersbaar. De lijfelijke worsteling stemt de geest, geeft er een kleur aan, laat hem spreken. 

Die late novemberdag nam ik mijn met een heel peloton modderspatten getooide koersspullen mee onder de douche. Een tip die ik las bij Dirk van Weelden, een Nederlandse schrijver, filosoof en hardloper. 

Bevlekte kleren van bevlekte geesten in een bevlekte douchecel.    

Kraan dicht. Dit artikel schrijven was nog maar een detail. Tijdens die uiteindelijk drie uur durende rit had elke zin zich al geschreven. 

Trainen zonder doel

Het leukste aan sport vind ik het trainen. Zelfs zonder doel. Een trainingsschema volgen, al lopende en al fietsende, vind ik op zich al ruimschoots voldoende. Dat hoeft niet noodzakelijk in een wedstrijd of een andersoortig evenement uit te monden. Laat staan daar op één of andere manier beter te willen zijn dan anderen. Uiteraard heb ik geen enkel probleem met competitieve drijfveren. Alleen: mij drijven ze niet. Tenzij dan als competitie tegen mezelf. 

Ik vraag mij af: zou dat bestaan, een vechten zonder ooit te willen winnen? Noem het een vechten zonder doel. Of een vechten waarbij enkel de weg het doel is. Zwervend vechten misschien.  

Laat me het nog wat scherper stellen: we zouden kunnen vechten om te overwinnen. Het ‘over’ is dan een brug, de weg naar iets anders. Winnen doe je op een weg die een einde kent. Wie wint, stopt. Wie overwint, gaat verder. En zal nooit aankomen. 

Zou je kunnen vechten zonder tegenstander? Vechten tegen een medestander misschien? Of heet dat dan vechten mét een medestander? Die medestander kan je zelf zijn. Overwinnen gaat dan om zelfoverwinning. 

Bij toeval ontdekte ik in een paar geschriften over het Taoïsme waar het mij eigenlijk om te doen is bij mijn competitieloze sportactiviteiten. Lao Zi, één van de grondleggers van het Taoïsme, zegt bijvoorbeeld: 

            Wie anderen kent, is knap.

            Wie zichzelf kent, is wijs.

            Wie anderen overwint, heeft macht.

            Wie zichzelf overwint, is sterk.

Laten we Oosters vechten ter zelfoverwinning, zo dacht ik. 

Het traditionele Oosterse denken over lichaam en geest verschilt nogal grondig van een hele traditie van Westerse filosofie. Lichamelijkheid was eeuwenlang een onding voor het Westerse denken. Het lichaam werd er geschetst als een wat onhandelbaar, soms ontembaar ding met veel te vaak een eigen wil. We definieerden dat lijf dan maar weg. ‘Ik denk dus ik ben’. Maar nooit: ‘ik voel dus ik ben’. Arme geesten. ‘Verachters van het lijf’ noemde de negentiende-eeuwse Duitse filosoof Friedrich Nietzsche hen ooit.  

Net zoals ik het wat moeilijk heb met bepaalde trekken van het (overheersende) Westerse denken, kan ik niet echt vrede nemen met de wijze waarop het sportgebeuren doorgaans vorm krijgt. Sport draait mij teveel om een eindresultaat. Zoals onze Westerse cultuur in het algemeen beheerst wordt door een drang naar cijfertjes en rekenkundige zekerheden, kicken sporters op de wegtikkende chronometer. Hun prestatie moet kunnen gemeten worden en vergeleken met die van anderen. 

Natuurlijk mag dat. Alleen: het kan ook anders. Het kan méér zijn, maar dan in kwalitatieve en niet in kwantitatieve zin. Vergelijk dat met de manier waarop kunstwerken gewaardeerd kunnen worden. Een werk van mevrouw of meneer X brengt op een veiling een bedrag op met zoveel cijfertjes. Vervolgens verdwijnt het duur betaalde meesterwerk achter een hermetisch gesloten kluisdeur. Tot de markt het opnieuw sommeert nog meer centen op te leveren. Maar die kunstwerken kunnen natuurlijk ook anders waardering krijgen. Dan vertellen we een verhaal over zin en betekenis. Over een werkingsgeschiedenis. Over mensen die zich aangesproken voelen en voor wie dat kunstwerk misschien een anders verstaan van de dingen oplevert. Dié betekenis valt niet te meten. 

Sport is geen kunst. Ze kan wel iets esthetisch hebben. Iets bestaansesthetisch. Ik zie sport en wat ik daar met mijn lichaam aanvang op dezelfde manier als die waarop we een kunstwerk een verhaal laten vertellen.  Een meetbaar eindresultaat – winst – hoeft daar geen uitstaans mee te hebben. Zelfoverwinning wel. En daar houdt het vechten nooit op.   

Dat vechten gaat mij om een te boven komen van de eigen limieten, die dus – nogmaals – zowel fysiek als mentaal van aard kunnen zijn.  Misschien valt dit wel te omschrijven als een lichamelijke spiritualiteit? Bij het sporten streef je naar steeds meer verfijnde en betere uitdrukkingen van je lichamelijke handelen. Dat doet iets met je geestelijke activiteit, zowel qua welbevinden als qua creativiteit.

Sport in de zin van een voortdurend vechten, heeft geen einddoel of geen doel buiten zichzelf. Dit soort vechten wordt niet bekroond met winst. Trainen doe je dan omwille van de zelfexpressie en de zelfoverwinning. Natuurlijk kan competitie met anderen daar deel van uitmaken. Maar die is dan geen eindpunt. Ze is een brug naar wat verder en hoger ligt in de strijd met jezelf. Competitie is zo zelf een vorm van training. Dat is iets anders dan trainen omwille van de competitie.     

Maar zou sport dan toch geen krachtpatserij worden, een manier om het eigen lijf steeds verder uit te putten en tot steeds verregaander krachttoeren te dwingen? Niet als we er dat Oosterse kleurtje aan geven. Voor Zhuang Zi, één van de  andere grote taoïstische leermeesters, betekent zelfoverwinning nooit zichzelf te forceren. Zelfoverwinning is voor hem geen dwang, maar een loslaten. 

Zhuang Zi:

Bestaat er wel of geen volmaakt geluk in de wereld?

Bestaat er wel of geen manier om het lijf levendig te houden?   

Sport en lichaamscultuur hebben voor mij alle uitstaans met geluk. Ze bepalen de stemming waarmee ik in de wereld sta. Van Zhuang Zi kunnen we echter leren dat geluk niet kan nagejaagd worden. Geluk dwing je niet af. En het lijf mat je niet af om het levendig te houden.  Zhuang Zi beschouwt het niet-doen als het echte geluk. 

Niet-doen om gelukkig te zijn en het lijf levendig te houden? Ik lees dat ‘niet-doen’ en ‘zwerven’ een sterke betekenisverwantschap vertonen volgens Chinese commentaren. Zwerven is een vorm van op weg zijn zonder vooraf bepaald doel. Het traject ligt dus niet vast. Het gevecht win je niet daar waar een eindstreep is getrokken. Winnen doe je onderweg. Bovendien blijkt het Chinese woord voor zwerven ook de betekenis van ‘spelen’ en ‘spel’ te hebben. Bij uitstek is een spel iets wat een doel heeft in zichzelf. Het is zijn eigen bron van geluk. Sport kan een spel zijn als ze geen extern winstdoel voor ogen houdt.

Sport is dan een niet-doen, een zwerven, een loslaten. 

U schrikt van die conclusie? Ik eigenlijk ook als ik het zo geschreven zie staan. In de competitieve sportwereld kom je daar natuurlijk nergens mee. Maar zwervend kom je overal. 

Anders kijken naar trainen

Ik zou zeggen: zak even onderuit voor een les filosofie. Na die les volgt dan een toepassing ervan op onze trainingspraktijk. En hoe we daar anders kunnen naar kijken. 

Eén van de vele specialismen in de filosofie gaat onder de wat duister klinkende naam ‘hermeneutiek’ door het min of meer wetenschappelijke leven. Hermeneutiek betekent eigenlijk niet meer dan ‘de leer van het verstaan’. In vervlogen tijden richtte dat verstaan zich op allerlei al dan niet heilige teksten en hoe die te interpreteren vielen. Een recentere tendens zegt dat de mens sowieso een hermeneutisch wezen is. Enkele grote kleppers uit de geschiedenis van de filosofie – ik zal u de namen besparen – stellen immers dat het verstaan onze eigenlijke manier van in de wereld zijn is. Lees dat zo: we dragen allen een bril met telkens lichtjes anders getinte glazen. Die glazen kleuren onze visie op de werkelijkheid, hoe we de wereld en onszelf daarin verstaan. Die kleur is echter niet zomaar willekeurig. Een visie op de wereld kies je niet zoals je een paar nieuwe loopsloffen uit de rekken laat halen. De cultuur en/of traditie waarin wij ooit in onze kinderschoenen zijn gedropt en daar later min of meer uitgegroeid zijn, bepaalt in grote mate de teint van onze brilglazen. Hoe we de werkelijkheid bekijken, bepaalt vervolgens onze manier van handelen, of – bijvoorbeeld – van hoe wij onze doelstellingen bepalen. Zeg maar: vanuit welk perspectief we ons eigen reilen en zeilen ordenen, er zin en betekenis aan geven, er waarde aan toekennen… Met die blik zullen we dan uiteindelijk de resultaten van ons handelen beoordelen. Uw uiteindelijke doelstelling bepaalt dus al van meet af aan hoe u alle handelingen die daar moeten naartoe leiden, gaat vorm geven. Nog anders: het beginperspectief richt van bij het begin de blik waarmee u oordeelt op het einde van de weg die u wou gaan. Wat leert de hermeneutiek ons nu over onze eigen cultuur?

In onze westerse cultuur bestaat al eeuwenlang een overheersende tendens om alles wat we doen zo efficiënt mogelijk te doen. Graag willen we daar ook objectieve cijfertjes kunnen op plakken. We oordelen van daaruit graag op een berekenende manier, en die manier maakt het mogelijk om ons te vergelijken met anderen of om onze eigen eerdere verwezenlijkingen cijfermatig te toetsen. Kwantiteit gaat nogal vaak boven kwaliteit.

Hoort u mij komen?

Laten we dit eens toepassen op het sportgebeuren. Vanuit welk perspectief organiseren en beoordelen wij onze eigen al dan niet bescheiden sportexploten? Met ‘wij’ bedoel ik dan: de recreatieve sporters die Paul Van Den Bosch zo’n toffe gast vinden omdat hij ons gratis laat meeproeven van loop- of fietsschema’s die ons in staat stellen op een verantwoorde manier ergens aan een startlijn te verschijnen, vervolgens een aankomstmeet te halen en nadien al opnieuw naar een volgende keer te gaan verlangen. Ons voornaamste doel daarbij is dan in de eerste plaats het eigen plezier en genot. Maar toch, maar toch…

Ik durf er een stevig paar pinten op verwedden dat u volgende vraag krijgt na het lopen van een halve of hele marathon, of na het beklimmen van de ons allen heilige Mont Ventoux: ‘En, in welke tijd heb je dat gedaan?’. Zelden zal iemand in een eerste reactie peilen naar je subjectieve beleving met een vraag waarop je zou kunnen antwoorden: ‘Genoten, mens, genoten dat ik heb! Seks is het niet, maar het lijkt er verdorie toch goed op’. Dat is een soort waardering die zich niet in cijfertjes laat uitdrukken. Het is iets van je zelf. Het valt moeilijk te vergelijken met anderen. (Ziet u al het podium waarop de grootste genieters bekroond worden?) Bovendien, en dat is nu net het ergste: als die cijfertjes tegenvallen op de ene dag, lijkt alles voor niets geweest. Zoveel maanden opgebouwd, zoveel getrotseerd, zoveel gelaten… en dat laat u die chrono zomaar toe uw humeur op wintertemperatuur te zetten. Niet?

Misschien kunnen we ook anders kijken naar onze sportesbattementen? Een beetje minder technisch, minder op het objectiveerbare en meetbare gericht, maar meer op het subjectieve, gevoelsmatige en esthetische ervan. Ik geeft twee voorbeelden. 

Waarom zou de tijd die u heeft nodig gehad om een halve of hele marathon als enige criterium moeten gelden om het al dan niet welslagen van uw onderneming te bepalen? Alleen al het feit dát u die afstand heeft gelopen, kan toch ook als een succes gezien worden?

En dat u vervolgens met een lekker gevoel onder de douche bent gestapt en nog een avond of langer wat euforisch hebt lopen doen. U blikt dan op de hele periode die daaraan voorafging terug als een tijd waarin u voor het eigen lichaam – en bijgevolg ook voor de eigen geest – zo prachtig zorgzaam bent geweest. U was een kunstenaar die aan een sculptuur werkte en niet een boekhouder voor wie uiteindelijk de cijfertjes moesten kloppen. Voor die laatste is het cijferperspectief zondermeer noodzakelijk: cijfers vertellen het verhaal dat zij of hij nodig heeft. Maar ons verhaal, het verhaal van de bevlogen recreatieve sporter, wordt er wat te eenzijdig mee belicht. 

Een tweede voorbeeld. Iets meer provocerend misschien. 

In enkele recente nummers van populaire sportbladen werd mij duidelijk hoe diep die op objectiveerbare prestaties gerichte manier van trainen er bij ons in zit. In het maartnummer van Runner’s Worldvond ik een artikel over het belang van crosstraining, het integreren van andere sporten in je trainingsprogramma. De auteur haalt een aantal redenen aan waarom crosstraining belangrijk is. De voornaamste zijn blessurepreventie en het opkrikken van je wekelijkse trainingsomvang. Daar valt op zich niets op aan te merken en er is geen haar op mijn hoofd dat eraan twijfelt dat het van belang is specifiek te trainen voor wie ergens een prestatie wil neerzetten. Wie hard wil kunnen lopen, fietsen of zwemmen, moet vooral respectievelijk loop-, fiets- of zwemtrainingen doen. De auteur van het artikel in Runner’s World, Ed Eyestone, geeft dan ook de raad de crosstrainingen niet meer dan 25 tot 30 % van de wekelijkse kilometeromvang in beslag te laten nemen. Hardlopers mogen vreemdgaan, maar niet te veel .

In dezelfde maand antwoordt wielertrainer Adrie van Diemen in het maandblad Fietsop de vraag van een lezer naar de combinatie van wielrennen met andere sporten dan nog iets strenger. Fietsen is immers een activiteit die concentrische spiercontracties vraagt, terwijl bijvoorbeeld lopen een excentrische spiercontractie oplevert: door een uitwendige kracht wordt de spier opgerekt. Van Diemen besluit: ‘Welke sporten blijven er dan over? Inderdaad schaatsen, skeeleren, trapop lopen en weer met de lift naar beneden en bergop lopen’. 

Uiteraard is Van Diemen een uitstekende wielertrainer. Misschien is hij ook een zeer goeie looptrainer. En ongetwijfeld heeft Ed Eyestone het in Runner’s Worldtechnisch gezien helemaal bij het juiste eind. Alleen, hun antwoorden zijn enkel ingegeven door het vooropstellen van het bereiken van een piek in die ene specifieke sport. Het welslagen van hun adviserende functie zal afgemeten worden aan de cijfertjes die diegenen aan wie het trainingsadvies was gericht op die ene specifieke dag zullen neerzetten. Mag dat? Natuurlijk mag dat.

Hun verhaal spreekt mij echter niet aan. Ik wil ’s morgens uit mijn bed wippen en voor het ontbijt al een uur gaan hardlopen. Als ik tegen de avond mijn boeken even beu ben, wil ik op mijn racefiets of mountainbike fysiek en geestelijk gaan bijtanken. Heel graag wil ik binnenkort drie keer op een dag de Ventoux naar boven rijden. Als het maar 2,6 keer is omdat ik net iets te weinig fietskilometers heb gedaan, zal ik niet in zak en as zitten. De kritiek zou dan kunnen luiden dat ik niet specifiek genoeg getraind heb. Als ik terugkom uit Bédoin zal ik er misschien even toe neigen wat uit te rusten. Maar daarna is die zogezegd overtollig aangesproken spiermassa klaar om zich te gaan voorbereiden op het lopen van een marathon een maand of drie later en zullen mijn pezen en gewrichten niet gaan lastig doen wegens eenzijdig ongebruikt gelaten. Tijdens de voorbereiding op die marathon zal ik ook veel meer fietsen dan goed is voor een ‘echte’ marathonloper. Tenminste als ik enkel die chrono mijn perspectief zou laten bepalen. Mijn vraag aan u: is ons perspectief zo snel mogelijk te gaan, of zou het kunnen luiden: zo compleet mogelijk voor ons lichaam te zorgen? Ik opteer voor het tweede.

Gelukkig ben ik maar een filosoof en geen toptrainer in spe.

    

Sport en zingeving

Tijdens mijn fietstochten krijg ik al eens het bezoek van een of andere muze die mij gretig ideeën allerhande influistert. Met sommige daarvan zou ik nooit durven naar buiten komen, andere vind ik leuk, nog andere merkwaardig en een verder doordenken meer dan waard. De Muze komt doorgaans als alles lekker loopt. De nukkige wind die mij op de dijken langs de Schelde een dieper geplooide houding doet aannemen, lijkt me dan niet te deren. Tijd gaat niet voorbij, maar vliegt. Het einde noopt mij dan niet tot een zucht van opluchting dat het voorbij is, maar eerder tot een binnensmonds gegrom over andere verplichtingen die mij huiswaarts riepen. 

‘Je hebt er zin in vandaag’, sprak mijn Muze me deze voormiddag toe. Kon ik moeilijk ontkennen. ‘En de rest van de dag ga je er ook nog zin in hebben’, ging ze verder. Dat wist ik ook wel: na zo’n trainingstochten kan het urenlang niet meer stuk. Tot ’s anderendaags aan toe vaak. Ik besefte plots dat dit veel meer betekenis heeft dan gewoon wat lijfelijk genot en welbevinden. Dit soort ervaringen gaat gewoonweg over de zin van mijn leven. Mijn Muze had mij verleid tot wat ik in mijn roes als een nogal hemelbestormende stelling beschouwde: er zin in hebben en zin geven, gaan eigenlijk hand in hand. Zinzoekers mogen voor mijn part nog altijd rustig de ogen ten hemel opslaan. Ik denk nu echter dat een materiële, lichamelijke invulling van de vraag naar zin evengoed op stevige argumenten kan rekenen.     

Noem het voor mijn part een vorm van hedendaags hedonisme, maar voor mij brengt sport een grondstemming met zich mee die al mijn andere activiteiten gaat ‘dragen’. Zintuigen staan meer op scherp, creativiteit lukt beter, intellectueel ben ik alerter. Voor mij is dit nu net wat ik zingeving wil noemen: de gewoontes die je voor jezelf creëert en die je leven een stijl en een richting geven. In het Engels kan dat mooi klinken: het woordje habitzit ook vervat in het werkwoord to in-habit. Een gewoonte is dan een manier om de wereld te bewonen, een ethos, datgene van waaruit je leeft. Het lichaam kan daarbij als de spil van onze interactie met de wereld gezien worden. 

In een nogal provocerende bijdrage aan een boek over Running and Philosophytrekt de Amerikaanse filosofie Sharon Kaye dan ook radicale conclusies uit het primair stellen van het lichaam voor de vraag naar het goede en betekenisvolle leven. Sport helpt ons volgens haar opnieuw aan te knopen bij onze evolutionaire erfenis, een erfenis die we verloochend hebben in onze hoogtechnologische cultuur.

Ze gaat uit van het gegeven dat de filosofie doorheen haar geschiedenis gedreven werd door de vraag naar het goede leven en dat de antwoorden daarop ruw geschetst in twee categorieën zijn in te delen: de religieuze en de culturele. Doorheen de geschiedenis van de filosofie hebben die religieuze en culturele perspectieven op het goede leven nagenoeg constant de discussie bepaald. Sharon Kaye komt nu echter tot de provocerende stelling dat het voortaan een biologisch perspectief kan zijn dat ons toegang zal verschaffen tot het goede, en van daaruit zinvolle leven. Haar definitie van de biologische categorie klinkt eenvoudig: ‘elk leven gewijd aan fysieke fitness’. Meer specifiek ziet zij the running lifeals het lang ontweken geheim tot geluk. 

Veel hangt dan af van hoe de term fitnesswordt ingevuld. Uiteraard zit hier de invloed van Darwin achter verscholen. Fitnessgaat uiteindelijk om de gepaste interactie van een organisme met zijn omgeving. Het lijkt me niet vergezocht om te stellen dat alle luxueuze hi-techwaarmee wij onze dagen doorbrengen dit soort van fitness op een heel andere manier is gaan kleuren dan onze niet eens zo verre voorouders altijd hebben moeten doen.

Een hedendaags pleidooi voor lichaamscultuur en sport kan dan ook zonder problemen terecht bij de evolutieleer. De eerste sporen van onze soort zijn te traceren tot zowat 2,5 miljoen jaar geleden, samen met de oudste stenen werktuigen. Wij leefden als jagers-verzamelaars tot niet langer dan tienduizend jaar geleden, toen de landbouw begon op te komen. Waar we voordien als mieren voortdurend in beweging waren, gingen we ons vanaf het begin van het landbouwtijdperk gedragen als spinnen: we weefden een web en zaten te wachten tot dat iets opleverde. We zijn toen, met andere woorden, het sedentaire tijdperk in getreden. Dat werd uiteraard nog meer kracht bijgezet door de opkomst van de industrialisering, toen het voor meer en meer mensen zelfs niet meer nodig was om op de velden te gaan werken. Wat we nu als een menselijk leven beschouwen, is dat daarom niet als we het grote schema van de dingen bekijken, stelt onze al genoemde Amerikaanse filosofe. 

Waarom is dit zo belangrijk? Stel dat we de evolutie van de mensheid tot nog toe zouden samenballen in vierentwintig uur. We zouden dan jagers-verzamelaar zijn geweest van de vroege uurtjes ’s nachts, over de voor- en namiddag, de avond, tot ongeveer vijf minuten voor de klok opnieuw middernacht aangeeft. Gedurende die laatste vijf minuten leven we sedentair. Dit betekent dat we een voorgeschiedenis, die zo lang is dat we ze eigenlijk niet goed kunnen vatten, verloochenen, waarin onze lichamen voortdurend op de proef werden gesteld. Het leven was er een soort van duursport. Die recente evolutie, die ongeveer vijfhonderd generaties omvat, is veel te kort geweest om voor natuurlijke selectie door toevallige mutatie te zorgen. In de hedendaagse mens zit dus evolutionair gezien nog altijd nadrukkelijk de jager-verzamelaar verscholen. En die lijdt nu aan beschavingsziekten allerhande, die in nagenoeg alle gevallen te maken hebben met het zo efficiënt mogelijk uitschakelen van het lichaam. We doen niet langer datgene waar we eigenlijk voor gebouwd zijn. 

Geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt om terug te willen naar pretechnologische tijden uiteraard. Maar het belang van sport als alternatieve invulling van die evolutionaire erfenis mag hier toch duidelijk blijken. Het is nu eenmaal de beste manier om tegemoet te komen aan het leven waar onze lichamen diep van binnen om schreeuwen. Tijdens de werkuren lukt dat slechts voor enkelen. Professionele sportlui bijvoorbeeld. Voor de anderen is er de vrije tijd. Wat we daar spenderen aan lichaamscultuur wapent ons voor al de rest.

Wat dat met zingeving te maken heeft? Wel, ik denk dat veel van het onbehagen in de hedendaagse cultuur van doen heeft met deze verloochening van ons evolutionaire verleden. Onbehagen en malaise leiden tot een gevoel van zinloosheid of cynisme over de mogelijkheid van zingeving. Om tot zin en betekenis te komen is een vrolijke wetenschap nodig.

Ik wil u het advies van Sharon Kaye dan ook niet onthouden. Ze pleit voor dagelijkse lichamelijke oefening. Hardlopen geniet daarbij de voorkeur, omdat dit ons best in contact brengt met de jager-verzamelaar diep in ons. Kaye: ‘Om in contact te komen met de jager-verzamelaar die in jou zit, moet je gewoon accepteren dat je liters zweet zal gaan laten en dat het hard zal zijn en misschien wel een beetje pijn kan doen. Denk er zo over: je workout moet dezelfde opstoot van adrenaline leveren die je ook zou krijgen als je achterna gezeten werd door een horde hongerige wolven’. Hardlopen is onze primaire behoefte schrijft Kaye nog, of we ons daar nu bewust van zijn of niet. Waarbij ik mij natuurlijk afvraag of ik sneller zou fietsen dan wolven kunnen rennen. Het gaat er natuurlijk om dat wij een lichamelijke activiteit kunnen ontplooien die voldoende onze hormonale huishouding op gang brengt. Niet overtuigd? Zie dan het ultieme argument van Sharon Kaye: Als je op een efficiënte manier je sportbehoeften bevredigt, dan maak je nadien met veel plezier ook nog tijd vrij voor een andere, misschien nog meer vanzelfsprekende primaire behoefte. En bij die behoefte profiteren we op meerdere manieren van een stevige fysieke paraatheid. Sport geeft je zelfs een beter seksleven. Zo ziet een hedendaagse versie van het hedonisme er dus uit.

Ik geloof dat mijn Muze daarstraks heeft weer eens gelijk gehad.

Tegen een muur knallen

Onlangs werd mij gevraagd of ik als filosoof ook iets te vertellen had over duurzaamheid en duurzame ontwikkeling. Dat is een thematiek die doorgaans op een technische manier aandacht krijgt. Een probleem, vaak veroorzaakt door onze fixatie op technische apparatuur allerhande, moet dan een oplossing krijgen door een andere ‘helende’ techniek te bedenken. Uw wagen stoot te veel vieze gassen uit? Zet er een roetfilter op. Die drankverpakking is te belastend voor het milieu? Plak er maar wat extra taks op. Dat lijken mij doekjes voor het bloeden. Ze verstoppen de wonde, maar het rode vocht blijft druppelsgewijs vloeien. 

Nu is een filosoof doorgaans technisch niet al te best beslagen. Wat zou ík dan te vertellen hebben over het probleem van onze omgang met de natuur, tenzij dat die niet meteen opvalt door een vooruitziende blik? Mijn ervaringen als fietser brachten mij echter tot ideeën waar filosofisch gezien wel mee aan te vangen valt. Zo kon ik misschien een link leggen tussen de bekommernis voor lichaamszorg en de aandacht voor het fysieke welbevinden die de lezers van dit blad zeker niet vreemd zal zijn, en zorg voor onze leefomgeving.

In een boek van de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis, Natuur tussen mythe en techniek, las ik eens een beschrijving van de manier waarop bloementeelt dezer dagen verloopt, of althans: kan verlopen. De intro van het krantenartikel waar Achterhuis zelf de mosterd haalde, spreekt boekdelen: ‘Herfst en winter bestaan niet meer. Rozen liggen in de kas aan het infuus en de kweker bepaalt er het ritme van dag en nacht. In de kassen doet niet langer de natuur, maar high techzijn werk’. Door middel van assimilatielampen, groeilicht dat bekomen wordt met lampen van 400Watt, worden dag en nacht en de seizoenen uitgesloten. De rozen hebben geen rust. Die ene kweker produceerde dat jaar (1992) liefst 21 miljoen rozen. Zijn rozen hebben nooit in de grond gestaan, hebben geen zonlicht gezien, geen niet door computers gestuurde temperatuur gevoeld. De rozen bloeien niet als uitkomst van een natuurlijk en organisch proces. Ze bloeien niet zonder waarom. Ze bloeien als eindpunt van een computerprogramma en omdat ze naar de markt moeten. De natuur is hier radicaal buiten spel gezet. De roosjes mogen niet in de grond, want die zou schadelijke materialen kunnen bevatten. Op het einde van hun – laten we zeggen – technische opleiding tot roos, worden ze massaal verpakt om vrachtvliegtuigen op Schiphol te gaan vullen met hun welriekende aanwezigheid. En die vrachtvliegtuigen stoten dan minder welriekende stoffen uit die weer andere technieken zullen nodig maken om onze natuurlijke omgeving schoon te maken. Een louter technisch denken draait zo te zien in cirkeltjes. 

Het is niet mijn bedoeling om hier de zoveelste aanval in te zetten op onze hoogtechnologische maatschappij. Het ‘terug naar de natuur’ principe van bepaalde bewegingen vind ik maar weinig plausibel. Soms zelfs gevaarlijk. Ik heb hoger beschreven voorbeeld enkel willen gebruiken om iets te vertellen over de verhouding van techniek en cultuur tot natuur, en over de manier van denken die daarmee gepaard gaat.

Ik bedacht vervolgens dat wij teveel op die rozen lijken.

(Bekijk uzelf eens ‘s morgens in de file.)

Wat heeft dit dan wel met sport of lichaamsbeweging te maken en hoe valt hier een link te zien met die vraag naar duurzaamheid?

Het mens- en wereldbeeld dat de Westerse cultuur al enkele eeuwen beheerst, draagt iets uit van een verlangen naar zekerheid, efficiëntie en berekenbaarheid. Dat zijn zowat de sleutelwoorden van wat wij doorgaans als rationaliteit omschrijven. Maar vertelt dat soort van rationaliteit het hele verhaal van ons mens-zijn? Ik denk van niet. Wat doen we bijvoorbeeld met zeer menselijke fenomenen als emoties of passies? Wat met dat stukje natuur in ons, ons lijf, dat niet altijd even goed te beheersen valt? Of denk aan ons vermogen om geaffecteerd te worden door een omgeving, door een atmosfeer. Hoe onhandelbaar die fenomenen soms ook mogen zijn, ze vallen niet weg te cijferen uit het complexe verhaal dat ons leven is. Kort: de mens is één geheel. Wij zijn lichaam én geest, emotie én ratio, gevoel én verstand… Die koppels zijn niet te scheiden, ze zitten onlosmakelijk in elkaar verstrengeld. Als ik denk rationeel te redeneren, zit daar altijd een brok emotie mee op te spelen. Meen ik louter verstandelijk, zakelijk en efficiënt te handelen, dan schuilt daar altijd wel ergens een likje gevoel dat ook mee richtinggevend is. 

Bekijk eens de manier waarop wij die koppels inschatten. Ratio achten we hoger dan emotie, verstand hoger dan gevoel, geest hoger dan lichaam. Even overheersend is het idee dat cultuur een forse trap boven natuur staat. Natuur is immers dat onberekenbare en onbeheersbare ding dat we graag aan onze efficiënte manier van denken willen onderwerpen. De roos zal bloeien als ze naar de markt moet. 

Staan wij zelf nog met onze voeten in de grond? Ik vind van niet. Als ik met de fiets van mijn woonplaats, Dendermonde, naar mijn werkplek, de Vrije Universiteit Brussel, trek, dan gaat dat een kleine dertig kilometer langs relatief rustige, door weiden en velden omzoomde wegen. Tenminste als je bereid bent tot een beetje omweg. Dan kom ik ergens aan de koninklijke verblijven in Laken en ik knal pardoes tegen een muur. Plots voel ik me daar als fietser niet meer welkom. De stad begint dààr. De Lambermontlaan naar boven fietsen doet iets met mijn lijf. Niet alleen omdat het flink bergop gaat, maar ook omdat het mijn hormonale huishouding beroert. Als ik zou lekken, liet ik ongetwijfeld een spoor van adrenaline achter. 

Wat ik daar lijfelijk ondervind, maakt mij duidelijk dat duurzaamheid zo zou kunnen benaderd worden: hoe wij onszelf in de wereld situeren en of we daarbij de eigen lichamelijkheid geen meer prominente plaats moeten geven. Duurzaamheid is geen concept dat we alleen maar technisch kunnen benaderen. Dit gaat niet enkel om hoe wij de wereld technisch benaderen, sturen en bijstellen. Dit gaat om hoe wij de wereld beleven, ervaren, ondergaan, erdoor geaffecteerd worden. Duurzaamheid zou ik dan omschrijven als ‘een gevoel van leefbaarheid’. 

Uiteraard zijn er technische oplossingen nodig voor door andere technieken in het leven geroepen problemen. Maar roetfilters en asbestvrije gebouwen zullen het probleem niet ten gronde aanpakken. Daartoe hebben we een andere manier van kijken nodig, van hoe we ons in de wereld willen bevinden. Ik wil binnengeleid worden in een stad, niet tegen een muur knallen op twee wielen. Mijn werkdag begint anders als ik des ochtends mijn lijf heb laten spreken, al tweewielend, of al wandelend. 

Zouden we hier rekening kunnen mee houden bij stadsplanning en –vernieuwing en bij het inrichten van ruimte?

De omgang met ons milieu is er één van een intieme en diepe verstrengeling. Er bestaat geen scheiding van onszelf en de wereld. De wereld denkt zich altijd in ons. Onze band met de wereld speelt zich van bij onze allereerste stappen af als een viscerale verbinding met die wereld. Er bestaat geen beweging zonder de ruimte waarin we bewegen. De kwaliteit van onze beweging is altijd onmiddellijk ook de kwaliteit van hoe we de wereld ervaren. Zorg voor het milieu is op die manier altijd een zorg voor onszelf, voor het eigen lichamelijke welbevinden.

Bovendien: met een trekkingfiets van pakweg 17 kg, en daarbovenop twee fietstassen vol geladen met laptop, boeken en propere kleren, op die manier na dertig kilometer en al enkele hellinkjes, de Lambermontlaan oprijden: dat staat in geen enkel trainingsschema, maar je conditie vaart er verdorie wel bij. 

Of is dat een technische raadgeving? 

Ps: Geachte heer Rector, zou het mogelijk zijn om in het gebouw van Letteren en Wijsbegeerte een doucheruimte in te richten? Dat plastic doosje met mijn al natgemaakte washandje en de kunsten die ik uithaal op mijn bureau om min of meer gefatsoeneerd voor mijn studenten te verschijnen, werpen toch een kleine schaduw op mijn fietsplezier op weg naar de universiteit.     

Survival of the fittest

Zijn visie is wel eens omschreven als een ‘universeel zuur’ dat zich door heel onze manier van denken heen zou heen vreten en dat ons wereldbeeld op revolutionaire wijze zou veranderen. Tweehonderd jaar na zijn geboorte en honderd vijftig jaar na de publicatie van zijn magistrale werk On the Origin of Specieslijkt Charles Darwin dezer dagen niet weg te branden uit kranten- en weekbladbijlagen en wordt hij in academische en wetenschappelijke milieus volop gefêteerd. Het is wel eens anders geweest. Zijn ideeën over natuurlijke selectie en over de afstamming van de mens kregen immers decennialang een wat kwalijk odeur mee. Godsdienstig geïnspireerde mensen zagen door hem namelijk God als oorsprong van alles van de troon gestoten, maar ook door vrijzinnigheid gedreven humanisten bezorgde hij menige kriebel. Het beeld van de mens als centrum van de natuur en als autonome zingever kreeg bij Darwin immers ook al een forse opdonder te verwerken. 

Het gaat er mij hier niet om Darwins ‘gevaarlijke idee’ nog eens uit de doeken te doen. Maar vermits dat zuur van de evolutietheorie universeel mag heten, kan het niet anders dan dat het ook implicaties heeft voor de manier waarop we omgaan met ons lichaam en hoe we dat aan het werk zetten. En ik vind dat ik daar een zeer vrolijke boodschap mag aan vastknopen: we zijn – vanuit evolutionair perspectief gezien – tot veel meer in staat dan we plegen te bevroeden, vooral als het om duursport gaat.

Ergens in de loop van januari maakte ik tijdens een fietstocht kennis met een man die ik eerder al had ‘gesproken’ via een internetforum voor wielertoeristen (www.wielertoerist.be). In de loop van 2008 had hij liefst 38.430 kilometer bij elkaar gefietst. Dit jaar wordt hij er vijftig en hij werkt in een drieploegensysteem. ‘Dat is passie hé’, zei hij me tijdens die (toevallige) fietstocht samen. Dat was overigens op zo’n dag waarop je tamelijk alleen onderweg bent als fietser. Ik begreep het waarom daarvan toen ik na afloop de tintelende pijn voelde in mijn ijsvoeten onder een nochtans zeer welgekomen warme douche. 

Enkele dagen later vertelde ik tijdens een etentje over de esbattementen van deze verwoede randonneur. Een reactie luidde: ‘Dat kan toch niet gezond zijn’. Kijk, dat zou Darwin dus nooit gezegd hebben. Zelfs integendeel. De evolutietheorie leert ons immers dat onze lichamelijke interactie met de wereld nu nog altijd mee bepaald wordt door honderdduizenden jaren voorgeschiedenis van de mens als jager-verzamelaar. Onze zeer verre voorouders waren geen liefhebberige duursporters die met Sporta naar de Ventoux wilden, maar uithoudingsspecialisten die te overleven hadden in een niet-sportieve betekenis van dat woord. Vervang bijvoorbeeld de Ventoux door een dagenlange jacht op een mammoet. En denk dan vooral de bevoorradingsposten onderweg niet mee. 

Wie zich verdiept in de evolutietheorie begrijpt dat onze hedendaagse levensstijl eigenlijk helemaal in conflict is met onze biologische erfenis. De tijd gedurende dewelke we als sedentaire wezens onze dagen zijn gaan slijten, pakweg de laatste tienduizend jaar – sedert de opkomst van de agricultuur met name -, stelt niks voor gezien vanuit onze hele ontwikkelingsgeschiedenis als soort. Van onze soort – bekend onder de roepnaam ‘Homo’ – zijn immers al sporen teruggevonden van 2,5 miljoen jaar oud. De evolutietheorie kan ons nu leren dat die verre erfenis nog niet weggeveegd is. Evolutie gaat daarvoor nu eenmaal te traag. En omdat ze zo traag gaat, leven wij onbewust nog grotendeels vanuit wat onze innerlijke jager-verzamelaar ons influistert. Dat vetten opslaan goed is bijvoorbeeld, want we hebben ze nodig als we op jacht gaan en niet kunnen uitkijken naar de bevoorradingsposten van Sporta onderweg. Uit studies blijkt dat (mannelijke) jagers-verzamelaars per dag voor hun fysieke activiteiten zowat twintig kilocalorieën verbruikten per kilogram lichaamsgewicht. Zelfs iets meer. Wie vandaag een kantoorjob heeft, komt nog niet aan vijf kcal per kilogram lichaamsgewicht per dag voor de benodigde fysieke inspanningen (waarmee wordt bedoeld: bovenop wat je sowieso nodig hebt om te functioneren zondermeer). Pas bij activiteiten van het niveau van een duurloop van twaalf kilometer op een uur, komen we in de buurt van wat verre bompa Homo verbruikte. En die duurloop zouden we dan dagelijks moeten op onze agenda zetten. Bovendien waren onze voorouders van toen grotendeels vegetariërs. Staar u dus vooral niet blind op het vergaarde vlees na die jacht op mammoets. Al lijken velen wel blind voor de hoeveelheden van de hedendaagse variant daarvan op hun bord. 

Waar blijft nu het vrolijke element in mijn verhaal, vraagt u zich inmiddels af. Wel, net omdat evolutie zo traag gaat en omdat die jagers-verzamelaars van toen zo’n respectabel potentieel hebben opgebouwd aan uithoudingscapaciteiten, kunnen wij daar nu nog altijd profijt van ondervinden. Natuurlijk heeft niet iedereen onder ons de mogelijkheid om een marathon te lopen in minder dan 2u10 of zo. Maar: we hebben nagenoeg zeker allen de mogelijkheid om er eentje te lopen überhaupt. Ons lijf draagt dat vermogen in zich, we moeten het enkel tijdig wakker schudden. Doen we dat niet, dan lopen we het risico geconfronteerd te worden met de neveneffecten van onze leefstijl (eetstijl) die in disbalans is geraakt met wat we evolutionair gezien nog onder de leden hebben. Ik voel me nu niet zo meteen geroepen om hier alle goeie raadgevingen ter zake nog eens op te dissen. U kent ze ongetwijfeld wel. En die 38.000-en-zoveel kilometers zijn heus niet nodig om opnieuw die balans te vinden.    

Wat mij als filosoof hieraan vooral interesseert is dat dit leven in overeenstemming met onze evolutionaire erfenis zowel een bron kan zijn van betekenis- en zingeving aan je leven, als een manier om wat als ‘het goede leven’ wordt beschreven na te streven. Gooi voor mijn part alles wat hier boven staat beschreven gewoon weg. Of: lees het vooral niet als iets wat je moet doen, of als een plicht. Het gaat hier immers simpelweg om genot en plezier. Zelfs dat is evolutionair verklaarbaar. Wat wij inmiddels kennen als de zogeheten runner’s highhad bompa uit het Cro-Magnontijdperk nu eenmaal nodig om te blijven doorgaan als die beenhouwerswinkel op reuzenpoten de eerstkomende dagen niet van wijken leek te willen weten. Zo ingenieus zit ons lijf in elkaar. Het lekkere endorfinegevoel maakt van fysieke grenzen een bron van genot. 

En denk nu vooral niet dat het te laat kan zijn. 

In een boek met dezelfde titel als deze column nu beschrijft de Britse arts en ultraduursporter Mike Stroud zijn deelname aan de Eco-Challenge, een meerdaagse wedstrijd in teams van vijf over een afstand van om en bij de vijfhonderd kilometer. Zowel lopen, mountainbiken, kajakken als paardrijden staan er op het menu. Het vijftal dient samen de aankomst te bereiken. Eén van Strouds teamgenoten was Helen Klein, een dame van toen 72. Pas op haar 55steis Helen Klein beginnen trainen om te kunnen deelnemen aan marathons samen met haar echtgenoot. En ze heeft de aankomst gehaald in die Eco-Challenge. Een jaar later trouwens nog eens. 

Nog een voorbeeld om het goed te maken dat ik het hierboven enkel over bompa’s heb gehad. Toen diezelfde Mike Stroud na een deelname aan de marathon van London richting metro strompelde, werd hij ingehaald door een flukse dame. De fitheid die ze uitstraalde, noopte hem meteen tot enige bescheidenheid over het eigen kunnen. De dame bleek er 68 te zijn. Stroud informeerde naar haar tijd. ‘Viel best mee’, klonk het antwoord. ‘Minder snel dan vorig jaar, maar ik bleef toch nog onder de drie uur.’ 

Maak daar voor mijn part vijf uur of meer van, kijk vervolgens naar hoe uw gepensioneerde, zetelgekluisterde ex-collega het ervan afbrengt en denk aan genot in plaats van plicht. Als u dan nog niet de motiverende kracht hiervan voelt, heeft u dit blad misschien wel compleet per abuis in handen gekregen.    

Sport als levenskunst

Onlangs mocht ik als spreker fungeren op een congres van de British Philosophy of Sport Associationin het Schotse Dundee. Eén van de andere sprekers boog zich in zijn lezing over de vraag of het überhaupt wel mogelijk is om tot een filosofie van de sport te komen. Ik bespaar u de filosofische spitsvondigheden waarmee de man tot een bevestigend antwoord kwam. Wat mij echter opviel in zijn vertoog was het gegeven dat sport er benaderd werd als een schijnbaar op zich staand fenomeen: een besloten wereld, naast de andere (echte?) wereld. Dat schijnt een niet ongebruikelijke invalshoek te zijn. Zo las ik ter voorbereiding van een gespreksavond in Nijmegen waar ik samen met Rik Van Walleghem, directeur van het Centrum Ronde van Vlaanderen, te gast was, diens boek over Johan Museeuw. Ook daar zie je door Museeuw het beeld geschetst van de wereld van het topwielrennen als een in zichzelf gekeerd universum waar de onderlinge strijd bikkelhard is, maar waar het hele wereldje (zowat vierhonderd man sterk zegt Museeuw) zich meteen van de buitenwereld afschermt zodra één van de eigen wereldbewoners in de problemen dreigt te komen. 

In zijn Ten geleidein het vorige nummer van dit blad, gaf Sporta-voorzitter Toon Claes al op treffende wijze aan hoe wij er een ander beeld van sport zouden kunnen op nahouden. We zouden proper moeten gaan fietsen. Dat gaat dan niet alleen over het bannen van doping, maar ook over hoe fietsers zich in die ‘echte’ wereld begeven. Of dat zouden moeten doen: met zin voor respect en verantwoordelijkheid naar anderen en naar de natuur toe. IK FIETS PROPER! Uiteraard. IK SPORT PROPER! Nog uiteraarder. 

Dat is dan voor mij ook het antwoord op de vraag van die Britse collega in Dundee. Een filosofie van de sport is mogelijk, maar dan in een veel bredere zin opgevat. Sportfilosofie zou voor mij een bezinning moeten zijn op hoe wij ons lichamelijk in de wereld bevinden. Wat we met dat lichaam doen. Hoe wij er vorm aan geven in die dialoog met andere mensen en met de omgeving die wij met hen delen. Daarom wordt het dus hoog tijd dat we dat beeld van een sportwereld naast een andere wereld achter ons laten. Dat zou dan bijvoorbeeld kunnen betekenen dat ook beleidsmensen, maar evengoed sportwetenschappers hun eigen evidenties eens van de nodige vraagtekens gaan voorzien. Het gaat misschien wat kort door de bocht, maar ik denk dat ze daar om allerlei redenen niet tot een blik op het geheel kunnen of willen komen. Sportcultuur gaat er te weinig over het grote plaatje van de lichaamscultuur in zijn totaliteit. Wat we over sport vernemen, zegt nagenoeg altijd iets over de vraag hoe we prestaties kunnen verbeteren of optimaliseren. Natuurlijk is dat van belang, maar ik vind dat dit niet het allerbelangrijkste moet zijn en zeker niet het enige belangrijke. Net dat leidt immers tot genoemd beeld van een sportwereld, bevolkt door individuen die quasi bovenmenselijke dingen doen (en dan misschien een sporthemel zou kunnen heten, met de hel als dreigement voor wie niet meer presteert), naast of boven de andere wereld, de wereld van mensen met een nine to fivejob (bestaat dat nog?), die de moed – noem het voor mijn part: het kritische bewustzijn – opbrengen om ’s avonds nog te start to run-en, te gaan fietsen of fitnessen of wandelen. Die mensen, en het zijn er gelukkig meer en meer, hoeven toch niet wakker te liggen van een minuutje meer of minder en of een kilometer vandaag langer is dan gisteren en korter dan morgen? Ik stel voor dat we het hier hebben over sport als levenskunst. Wat bedoel ik daarmee?

De levenskunst is recent in de filosofie aan een stevige opmars bezig. Je kan het ook een comeback noemen, na bijna tweeduizend jaar vergeten geweest te zijn. De oude Grieken wisten al dat de Grote Vragen van de filosofie draaien om de queeste naar een goed en betekenisvol leven. Dat hing dan samen met het idee van jezelf de maat te kunnen stellen. Lees dat als: wat is goed voor mij, hoe kom iktot dat goede, bevredigende, evenwichtige leven. Ik denk dat die vraag nu meer dan ooit urgent is geworden. Onze hoogtechnologische cultuur heeft namelijk enkel voorheen onbekende en onbevraagde consequenties met zich meegebracht. De eerste is evident: nogal wat technologieën lijken ervoor geschapen onze lijfelijkheid uit te sluiten. We springen in de auto om ons naar de bakker te spoeden, we nemen de lift om op de tweede verdieping acht uur lang op een bureaustoel te gaan zitten en we kopen een of ander trildinges omdat het dan niet veel moeite kost om iets aan onze o zo verwaarloosde spieren te doen. Makkelijk zat. Anderzijds stelt die technische omgeving ons ook in staat om ons lijf de gekste dingen te laten doen. Beantwoorden aan het utopische model van het perfecte lichaam bijvoorbeeld. Of ons biotechnologisch laten prepareren om ‘boven ons zelf uit te stijgen’. Waarna ooit wel de diepe put volgt. En ontgoocheling en afhaken. 

Oké, ik geef toe dat ik overdrijf. Een beetje toch. Sta me toe het even over mezelf te hebben. Ik train ook wel graag met een bepaald doel voor ogen. Trainingstechnisch is dat makkelijk en veilig. Je bouwt op, neemt rust op de gepaste momenten en je vergroot de kans er te ‘staan’ op het ogenblik dat dit nodig is. Mijn grote doel voor de eerste helft van dit jaar zijn de examens van de maand juni. Ik kan u verzekeren dat dit voor profs niet de leukste tijd van het jaar is. Een kleine vijfhonderd studenten zullen in een bestek van drie weken hun filosofische spitsvondigheden of hun spijtig genoeg van buiten geblokte wijsheden door mij hebben laten beoordelen in de komende zittijd. ’s Morgens om negen uur beginnen ondervragen en hopen dat je om zeven uur ’s avonds de trein kan nemen om dan om half negen nog wat te gaan hollen of bollen, dat kan natuurlijk. Maar het leidt tot stress. En tot prikkelbaarheid. Niemand wil graag die ene student zijn die me de trein van rond zevenen doet missen waardoor het eigenlijk al een beetje te laat wordt om nog zwetend en lichtjes kreunend fysiek aan de slag te gaan. Wat is er dan een mooier doel dan drie weken lag, vijf of zes dagen op rij van Dendermonde naar onze Vrije Universiteit in Etterbeek te fietsen? Ik zal dan heen en terug zowat vierentachtig kilometer hebben getweewield, weliswaar  aan een niet spectaculair hoog gemiddelde, gezien het gewicht van mijn trekkingfiets-met-tassen-met-boeken. En gezien mijn eigen gewicht. Dat neemt enige tijd in beslag, maar eigenlijk nauwelijks meer dan met de trein reizen en zeker niet meer dan met de motoraangedreven vierwieler. Daar kijk ik nu eens naar uit zie. Weken van meer dan vierhonderd kilometer in het zadel. Dagelijks de Lambermontlaan naar boven. Echt waar: op de meeste uren van de dag sneller dan die vierwielers. En op dat moment genoeg hormonaal verzadigd om al te opdringerige automobilisten zo overtuigend boos aan te kijken dat ze mij overal voorrang geven. Ongeveer toch.

Gelukzalig berustend in mijn ondervragerslot van die dag zal ik vervolgens de studentenwijsheden tot mij laten komen. Ik verontschuldig mij hierbij officieel bij de academische overheid omdat mijn puntengemiddelde dan enige procenten hoger zou kunnen liggen dan wellicht bij NMBS-verwensende of fileleed lijdende collega’s het geval is. Maar dit bedoel ik dus met sport als levenskunst en als onderdeel van onze wereld. De enige wereld.