Born to run

Eigenlijk had ik hier een verhaal willen schrijven over indianen. Het leek echter te gaan uitdraaien op een klaagzang over eigen blessures en over mijn nachtelijke dromen over oneindig lang hardlopen. Melancholie heeft wel iets, maar mijn publieke zelf wil zich liever ‘smijten’ voor iets energiekers. Ik ga dus een verhaaltje schrijven over cowboys en indianen. Als de cowboys hier – anders dan te doen gebruikelijk – als de stouterikken worden afgeschilderd en de indianen als de goeie meisjes en jongens, dan neemt u dat maar met een korreltje zout. Maar niet teveel.

De cowboys zijn met 482.939, de indianen vormen voorlopig nog een minderheid met hun 436.549. Die cijfers lees ik in een bijlage over mobiliteit bij het weekblad Knack. Het eerste cijfer staat voor het in 2014 aantal nieuw ingeschreven auto’s, het tweede voor het in datzelfde jaar verkochte aantal fietsen. 

Bij het doorbladeren van die bijlage over mobiliteit dacht ik aan mijn verplaatsing twee dagen eerder naar een ziekenhuis. Vanwaar ik woon, bleek dat volgens Google maps met de auto vier kilometer verplaatsing te vergen, te voet ook vier en met de fiets kwamen er zeshonder meters bij. In tijd schatten de bollebozen van Google dat op respectievelijk 8, 49 en 16 minuten. Om puur hedonistische redenen ging ik dus te voet. 

Het waaide loeiend hard, het regende bakken water. In de wachtzaal hoorde ik een dame nogal misnoegd grommen toen ik opstond en een plasje regenwater achterliet naast mijn stoel. Beleefd als ik ben heb ik mij bij een verpleegkundige nadien wel verontschuldigd voor mijn kloddernatte broek.  

‘De Belg is geboren met het stuur in de hand’, luidt het ergens in genoemde bijlage bij Knack. En dat gaat dus niet over het fietsstuur. Ik lees dat op een drukke dag de kostprijs aan verloren uren in de file oploopt tot drie miljoen euro. Ik heb er geen flauw idee van hoe dat berekend wordt, maar ik neem aan dat dit gaat om verlies dat bedrijven daardoor lijden en dat in die berekening niet zal gedacht worden aan wat dit soort mobiliteit op lange termijn doet met ons lichaam. In mijn doctoraat, begin jaren negentig van vorige eeuw, citeerde ik een tekst op een reclamebord langs Duitse snelwegen. ‘Frei Fahrt für frei Bürger’ klonk het daar, een vrije rit voor vrije burgers. Kom daar nog eens mee aan bij het filerijdende wezen waartoe automolisten zich laten herleiden. Ik schreef bijna ‘zonder mopperen’. Maar dat doen ze wel, want meer dan de helft van de chauffeurs blijkt zich te ergeren aan onhoffelijk gedrag van de medeweggebruiker. Ik durf te veronderstellen dat mijn indianen, te voet of pedalerend op twee wielen, dat niet of nauwelijks doen. Toch niet onderling.

Waarom wou ik nu eigenlijk over indianen schrijven en waarom kreeg dit een wenk naar een pleidooi voor een ander soort automobiliteit? Mijn ziekenhuisbezoek, dat met het plasje naast mijn stoel, moest mij iets leren over de toestand van mijn gewrichten en over het waarom van een al enkele wekenlang gedwongen rust als hardloper. Ik kan daar behoorlijk ongelukkig van worden. Dat was ook het geval met de Amerikaanse journalist en fervente hardloper Christopher McDougall. De man schreef een boek met als titel Born to run, in het Nederlands vertaald als De geboren renner.

Het boek begint met relaas van de auteur over een voetkwetsuur die hem het hardlopen onmogelijk leek te gaan maken. Hij vraagt zich af waarom hij en zovele anderen steevast gekwetst raken als gevolg van hardloopactiviteit. In zijn zoektocht naar een antwoord op die vraag krijgt hij veel ontmoedigende antwoorden van sportartsen en orthopedisten. Anders dan Bruce Springsteen lijkt te veronderstellen, zijn we misschien toch niet born to run. McDougall citeert Roger Bannister, de man die ooit als eerste een mijl liep in minder dan vier minuten. Bannister studeerde ook geneeskunde en deed aan wetenschappelijk onderzoek. Hij schrijft: ‘Elke ochtend wordt in Afrika een gazelle wakker en beseft dat hij sneller moet rennen dan de snelste leeuw als hij wil overleven. Elke ochtend wordt in Afrika een leeuw wakker en beseft dat hij sneller moet lopen dan de langzaamste gazelle als hij niet wil verhongeren. Het doet er niet toe of je een leeuw of gazelle bent – als de zon opkomt kun je maar beter gaan rennen’. De boodschap: wie moet lopen om te overleven moet wel born to runzijn. Ooit was dit ook een onmiskenbaar facet van de condition humaine. McDougall vindt dit terug bij de Tarahumara indianen in Mexico. Hij verwijst naar een 95-jarige man uit die stam die nog altijd in staat blijkt een marathon te lopen in de bergen. McDougall laat hier een bedenking op aansluiten: ‘En weet je waarom hij dat kon? Omdat niemand hem ooit had gezegd dat hij dat niet kon’. Klinkt wat te simpel natuurlijk, maar ik leid er toch een complex en omvattend gegeven uit af: of je born to runbent, heeft in grote mate te maken met je culturele achtergrond. Veel te kort door de bocht: ik ben op de verkeerde plaats geboren. Iets genuanceerder: zou het kunnen dat wij het hardlopen verleerd zijn als gevolg van onze vaak lichaamsontkennende hypertechnologische cultuur? De Tarahumara blijken niet of nauwelijks geconfronteerd te worden met één van onze beschavingsziekten. En ze zijn buitengewoon vriendelijk.

McDougall voert op enkele plekken in zijn boek een Amerikaanse looptrainer op. De man wil per se het geheim ontdekken van de Tarahumara. Waarom zijn zij de beste duurlopers ter wereld? Dat wij dat niet zo meteen weten, heeft vooral te maken met hun afkeer van onze manier van aan competitie doen. Enkele schaarse deelnames, met succes en bovendien stevig financieel beloond, kon hen niet echt over de streep trekken. Ik kort het verhaal hier sterk in: de conclusie was dat de Tarahumara niet gekwetst raken omdat ze met de glimlach lopen. Maar eigenlijk is dat een cirkelredenering. Ze lopen misschien wel met de glimlach net omdat ze niet gekwetst raken. En waarom raken ze niet gekwetst: omdat ze born to runzijn natuurlijk. Voor hen is hardlopen een niet weg te denken dimensie van hun zijn. Kinderen worden er mee grootgebracht. Oudjes blijven er zich jong bij voelen. Zou iemand dat eens mee kunnen berekenen in een studie over onze mobiliteit? 

Tijdens mijn doorregende wandeltocht naar het ziekenhuis vroeg ik mij dus af of ik ook gekwetst zou zijn als ik als Tarahumara indiaan was geboren. Ik heb het niet durven vragen aan mijn arts. 

Symfonie der dingen

Ik knars en kreun. Ik steun.

Ik word gesmeerd. Ik draai gesmeerd.

Soms trap ik door, soms sla ik er eentje over. Ik glijd eraf, loop ernaast.

Dat gevoel van een nieuwe ketting… Hoe ze mij streelt. En ik haar. Hoe we samen van snelheid zuchten.

Gisteren nog een halve ton zandkorrels tussen mijn gebit gekregen. Spuwen kan ik niet. Ik wacht gedwee op een vaardige hand. Liefst met een niet te onzachte borstel. Over zeepsop zwijg ik liever. En dan die hogedrukpistolen… Die knallen mijn binnenste zowaar méé weg. Mijn glijmiddel.

Sta ik droog, dan voel ik me mottig. Ik kraak of piep. Hoe dan ook wring ik tegen in vetloze periodes. Maar regendruppels kan ik veranderen in diamanten.

Met mijn namen schrijf je poëziegeschiedenis.

Tiagra

Ultegra

Claris

Chorus

Force

Veloce

Aldus sprak mijn fiets met het hart.

Ik dacht: laat me eens ketting en tandwielen – de cassette – van mijn fietsen aan het woord laten. Onlangs had ik er wat nors staan naar kijken. Of beter: ik zat er wat boze blikken op te werpen. Op mijn knieën dan nog wel. En in nat gras. Saskia en ik hadden net polders in het Brugse verkend op een herfstige dag. Landbouwers hadden dat de dag voordien ook gedaan. Wij met de koersfiets. Zij met altijd imposante tractoren. Zij lieten forse modderbroksporen na. Wij kregen die tussen de kiezen. Over onszelf zal ik het verder niet hebben, maar onze fietsen hadden mogen proeven dat zelfs tussen Brugge en Oostende een modderbad een wat nare bijsmaak heeft. 

Ik dus op mijn knieën met spons en zeepsop. Die tanden en de ketting die eroverheen loopt, daar heb ik het altijd moeilijk mee gehad. Hoe maak je die eigenlijk écht proper zonder er het noodzakelijk smeerspul mee weg te halen? Ik keek dus nors.

Later, in de garage, keek ik er wat vertederd naar. Net had ik een stukje gelezen over het parlement der dingen. In Amsterdam is er zo eentje geopend. Geïnspireerd door het werk van de Franse wetenschapsfilosoof Bruno Latour zou je er moeten kunnen tot het besluit komen dat mens en ding niet als gescheiden moeten gezien worden. Ik ken ‘s mans werk niet echt, maar mijmer toch wat verder over die gewenste eenheid. En ja, we vormen vaak een eenheid, de dingen en wij. We dragen een bril, maar merken dat niet. Tenzij we hem afzetten. Dingen laten ons toe ons in de wereld te begeven en er te bewegen. Ze leggen ons ook vaak een eigen maat op. Kracht, snelheid, omvang van wat we doen, danken we aan hen. Je zou dus zelfs kunnen beweren dat dingen een ethische vraag in zich dragen. Onze omgang met de dingen bepaalt immers mede de manier waarop we in de wereld staan en geeft mee betekenis aan die wereld. Dingen zijn dus niet neutraal. Ze zijn geen objecten waar we ons afstandelijk toe verhouden. Ze maken deel uit van ons. Waar zou overigens de grens liggen tussen mijn eigen lichaam en de dingen die ik gebruik? We lijken in elkaar over te vloeien. Elke geoefende fietser weet dat. Een biljarter weet dat. Een skiër…

Krijg ik zowaar nog schuldgevoelens bij mijn boze boskaboutergebrom om moddervieze tandjes en slijkslurpende ketting. Als iets het hart van mijn fiets vormt, dan toch die cassette dacht ik. En misschien is er naast dat ethische gehalte ook nog iets in esthetische zin te vertellen over tandwieltjes. Ik dacht aan beelden (terwijl ik mijn ketting bedruppelde) van het Italiaanse futurisme. Vooral Italiaanse kunstenaars plachten er wel eens de lof te zingen van nieuwe technieken. Althans: wat dat voor hen was.   

Op de foto hierboven heb ik een eigen foto van de cassette van mijn koersfiets laten overvloeien in een afbeelding van een schilderij van zo’n Italiaanse futurist, Giacomo Balla. Het heet ‘De snelheid van een motorfiets’. 

Ik denk aan Veloce. Zie het klankgedicht hierboven. Dat is muzikale snelheid. Het Italiaanse futurisme bezong al ruim honderd jaar geleden snelheid en techniek. Balla deed ook nogal euforisch over het lawaai van auto’s en motorfietsen. Ik zou hun lofzangen nu herdichten en het hebben over snelheid als muziek van onze fietsen. Een peloton wordt dan een symfonieorkest. 

Lees Marinetti, kunstbroeder van Balla: ‘Voortgejaagd in een waanzinnige rit, alleen met de zwaaiende dronkaards die onzeker langs de muren van de stad fladderen’. Dan kende hij de start van de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen nog niet. 

Nog Marinetti, in het eerste futuristische manifest, uit 1909: ‘Wij verklaren dat de glans van de wereld zich met een nieuwe schoonheid heeft verrijkt: de schoonheid der snelheid. Een racewagen die vooruitschiet op kruit, versierd met grote pijpen als slangen met ontploffende adem, is mooier dan de Nike van Samothrake’. 

Laten we nu misschien het futurisme herschrijven. ‘Wij verklaren dat de glans van de wereld zich met een nieuwe schoonheid heeft verrijkt: de schoonheid van de vélo’. Bekijk je fiets voortaan vanuit zijn veloce. De muziek van zelf voortgebrachte snelheid. Zoef door polders. Fluit mee met je ketting. Piep (desnoods) mee met je remmen. Klink schor met bemodderde remblokjes. Speel in op de wind. Laat je meedrijven. Vorm er een duet mee. Samen even vals. Samen met overslaande stem.

Dat een filosoof zich nog eens over het lot van fietsketting en -cassette zou buigen. Ik draai dus ik ben. Ik bekijk ze en mompel nog iets over die esthetiek van tandraderen. Over blinken. Over de schoonheid van modder. Over bevlekt ontvangen in de wereld te staan. We lijken elkaar te begrijpen. Af en toe knarsetanden we dan ook samen. We draaien, dus we zijn.

I miss you most of all when autumn leaves start to fall. Dat zingt Eric Clapton. Ik heb vanaf nu niks tegen een herfstblaadje tussen de tandwielen. Denken we daar eens aan in deze tijd van het jaar. Alleen in de garage staan, onberoerd, onbevlekt. Voor onze fietsen is dat maar niks. Voor ons trouwens ook niet.

De eigen maat

Ik sta op, ga ontbijten, poets mijn tanden en ga dan tegen mijn geluksmeter staan. Deze morgen haal ik 72. Straks, na het joggen of fietsen (gedurende resp. 30 of 75 minuten, meer is niet goed volgens de tabellen), meet ik mijn geluk nog eens. Wellicht haal ik dan 80, misschien zelfs 85. Vanavond, met mijn lief in de zetel, goeie film voor ons en een fles Chardonnay jaargang 2004 (statistisch gezien één van de betere de voorbije twee decennia), nog nagenietend van ons beider sportexploten en voorgenietend van wat ik hier onbenoemd laat, dan, in die context, en als ik nog eens aan mijn geluksmeter ga staan, dan haal ik zeker 90. 

Ik hoop en veronderstel dat u bovenstaande zinnen als onzin beschouwt. Waarom vertel ik zoiets onnozels? Wij lijken in onze hedendaagse cultuur nogal straf gefascineerd door cijfertjes en het berekenbaar maken van nogal wat van onze activiteiten. Wat we berekenen valt dan nagenoeg altijd onder de noemers van efficiëntie of rendement te vatten. Dat lijkt nu ook met onze sportactiviteiten te gebeuren. Dat lijkt me vaak een probleem. Teveel cijferen cijfert de mens weg. Ik leg uit waarom ik dat denk.

Uiteraard heb ik alle respect voor wetenschappers en voor het kwantitatieve onderzoek dat zij verrichten. Tegelijkertijd meen ik echter ook dat meten slechts een beperkte vorm van weten oplevert. Als onderzoek vertelt dat we best ongeveer 150 minuten per week matig intensief aan sport doen, dan zal daar ongetwijfeld iets van aan zijn in een tijd waarin sommigen een taxi zouden bellen om de straat over te steken. Als ik lees dat die 150 minuten misschien wel eens als het maximum zullen worden gezien en dat méér statistisch bekeken dezelfde negatieve resultaten oplevert als een zittend leven, dan krijg ik een diepfilosofische kramp. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het schitterende boek van Christopher McDougall, De geboren renner, en hoe hij daar het verhaal vertelt van de Tarahumara indianen. Die lopen gezamelijk wel eens 48 uur aan een stuk. Ze hebben er negentigjarigen in huis die nog marathonlopen in de bergen aankunnen. En ze kennen nauwelijks gezondheidsproblemen die wij vaak en vooral als welvaartsziekten omschrijven. Hoe passen zij in dat wetenschappelijke plaatje van hierboven? 

En wat betekent dat eigenlijk, gezondheid meten? Eén van mijn lievelingsfilosofen, Hans-Georg Gadamer, publiceerde ooit een boek dat, letterlijk uit het Duits vertaald, de titel Over de verborgenheid van de gezondheiddraagt. Doorheen de verschillende opstellen in deze bundel tekent Gadamer een beeld van de tendens tot beheersing van het menselijke lichaam, die volgens hem geen uitstaans meer heeft met onze eigen levenspraktijk, maar louter met techniek, met zogenaamd objectief bepaalde en berekenbare normen. De (medische) wetenschap draagt een weten in zich dat gericht is op het kunnen maken. Gadamer noemt het een wetende beheersing van de natuur. Het gaat hier niet om een weten dat voortkomt uit de praktijk van de levenssituatie en uit de context van het handelen, waar we leren uit eigen ervaring. Zijn stelling komt hierop neer dat we wel kunnen laten ‘meten’wanneer we ziek zijn en dat die ziekte methodisch kan aangepakt worden, maar dat we, omgekeerd, die methodische gang van zaken niet kunnen gebruiken in onze persoonlijke zoektocht naar gezondheid. Die laat zich niet meten. Het gaat om ‘mijn maat’ die anders is dan die van anderen. Mag ik dat opentrekken naar de sportbeleving?

De oud-Griekse filosoof Plato maakte reeds een onderscheid tussen twee vormen van meten. En voor alle duidelijkheid: beide vormen zijn onontbeerlijk. Bij de eerste vorm gaan we met een maatstaf naar de dingen toe. Alle metingen hangen er af van die ene uniform gemaakte maat, de meter. Voor Plato gaat het hier om het poson, de kwantiteit. Bij de tweede vorm van meten, het poion, tracht men de juiste maat zelf vast te stellen. De kwaliteit van mijn ervaring van kunst bijvoorbeeld kan ik niet meten. Hans-Georg Gadamer verduidelijkt dit onderscheid tussen posonen poionverder aan de hand van wat we doen als we ziek zijn enerzijds en wat we doen om gezond te blijven anderzijds. Bij een ziekte gaan we naar de dokter, die wellicht de ziekte kan beheersen met de maatstaven die haar of hem vanuit de medische wetenschap worden aangereikt. Om gezond te blijven, gaan we echter anders te werk. We trachten dan zelf een juiste weg te volgen, het oor te lenen aan wat ons lijf ons toefluistert. We passen dus niet louter regels toe. Te veel techniek, te veel regels, te veel methode zou het individu de flexibiliteit laten verliezen om hier zelf over te oordelen. En dat betekent voor Gadamer dat we aan vrijheid verliezen. De vrees, en de kritiek, van Gadamer luidt dat wij in onze technologische samenleving alles wel lijken te kunnen meten, maar dat we niet meer kunnen uitmaken wat gepast is. In het Nederlands gaat hier spijtig genoeg de woordspeling in het Duits verloren: Gadamer heeft het over das blosse Messenenerzijds, en das Angemesseneanderzijds. We kunnen de volheid en rijkdom van onze lijfelijke ervaring niet vatten met genormeerde meeteenheden. Als we het hebben over harmonie met onszelf en met de wereld, hebben we voor Gadamer een ander vermogen nodig. Het louter meten laat ons niet toe te ontdekken wat gepast, angemessen, is. Ook hier zou het hedendaagse individu aan flexibiliteit kunnen verliezen, wat voor Gadamer beslissend is voor de omgang met onszelf. Hij vreest dat de overheersing van het louter technisch-methodische omgaan met onszelf en onze leefwereld er zou kunnen toe leiden dat we het vermogen kwijtspelen om te leren inzien wat gepast is, gepast voor ‘mij’, gepast voor elk individu als individu.

Dat bedoel ik dus met het wegcijferen van de mens. Als sporthongerig individu in de specifieke context van mijn bestaan, heb ik geen boodschap aan statistieken. Wat voor mij passend is, heeft misschien vooral te maken met de kwaliteit van mijn ervaring. Of ik denk ook aan de roes van de sportbeleving. Misschien krijgt mijn lichaam er alsmaar meer zin in. Misschien breekt het af en tie graag eens uit de maat. En waarom zou ik mijn grens, mijn maat, door statistieken laten bepalen als ik voel dat intensief sporten de niet-meetbare kwaliteit van mijn leven ten goede komt? 

De zin van het leven


Wat doen filosofen? Zij denken. Maar wat is dat denken? We linken dat nogal makkelijk aan een activiteit in ons hoofd. Ik leg straks uit waarom dat eigenlijk niet klopt. Misschien ga ik wel beweren dat we buiten ons hoofd denken. So what? Wat zou dit vandoen hebben met sport, die lijfelijke bezigheid bij uitstek? Nog concreter: wat heeft een filosoof te zoeken op deze aan het sportleven gewijde internetpagina’s? 

Mijn antwoord zou kunnen zijn dat sport, wellicht meer dan vele andere andere menselijke activiteiten, ons toont hoe wij als mens op deze aardkluit vertoeven. Hoe wij er zin en betekenis aan geven. En hoe sport die zin- en betekenisgevende vermogens van de mens op scherp stelt.

Bekijk misschien eens de foto die bij deze column is afgebeeld. Ik hoop eigenlijk dat u niet meteen begrijpt wat deze foto nu precies voorstelt.  U ziet al snel dat deze foto geen exacte weergave is van een werkelijkheid die zich daar buiten ons aandient. Mijn foto is een interpretatie van een moment waarop ik mijn vriendin tijdens het lopen ‘vastlegde’. Ik heb gespeeld met die foto. Ik heb hem gedraaid, gekeerd, wat vlekjes en effectjes toegevoegd, er een sfeer aan gegeven. Ik beweer nu een beetje boudweg dat wij dit voortdurend doen in de interactie met onze leefwereld. Die dient zich nooit aan als een kant-en-klare foto die één interpretatie toelaat en geen andere. De werkelijkheid die wij rondom ons ervaren legt zich in zekere zin aan ons op, maar omgekeerd brengen wij ook iets in die werkelijkheid van onze leefwereld binnen. We zijn niet louter passieve ontvangers van zin en betekenis, we hebben daar ook een actieve rol in te spelen.

U vraagt zich nog altijd af wat dit met sport te maken heeft.

Denken wij in ons hoofd? Ik verontschuldig mij voor mijn wat stellige bewering: neen, wij denken niét in ons hoofd. We denken buiten ons hoofd. Hoezo? Ik stel de vraag anders. Hoe komen wij tot het geven van betekenis aan onze omgeving, aan hoe wij een plek vinden in die omgeving, aan hoe wij daar met anderen interageren?

Zit er iets in ons brein dat wij van binnenuit naar de leefwereld toe uitdragen? Neen. Ik denk dat het omgekeerd is. We bevinden ons in een omgeving en die omgeving gaat ons iets opleggen. Tijdens het nemen van bijgaande foto aarzelde de wolkenhemel boven ons nog tussen opnieuw tamelijk nat uitbarsten en min of meer beloftevol opklaren. Stel dat we opnieuw geconfronteerd werden met een eerder agressieve hagelbui, zoals enkele dagen voordien hier in Brugge. Of stel dat de zon ons nog op een forse opstoot van laatzomerse warmte zou tracteren. Dat laat ons niet onverschillig. Het raakt ons. Het beroert ons. Het stemt ons. 

Conclusie 1: hoe wij betekenís geven aan onze omgeving begint bij een stemming. Ik ben anders gestemd als de zon mij masseert dan wanneer een hagelbui mij geselt. Ik neem aan dat dit ook voor u geldt. 

Vervolgens. Mijn vriendin keerde net terug van een helse dag op het werk. Drukte in het kwadraat. Drukte van een zich aankondigend begin van het schooljaar. Een beetje stress. We wandelen naar een park. Hand in hand. Ik al tobbend over die foto, zij uitkijkend naar dat loopje dat op zo’n drukke dagen nog iets meer welkom is dan anders. Mijn stemming was overigens als bijgekleurd dankzij een bezoek aan een fitnesscentrum eerder die dag. Ze loopt. Ik laat haar stoppen. Keren. Draaien. In een plas springen. We lachen. We zijn onze eigen zon.

Conclusie 2: hoe wij betekenis geven aan onze omgeving heeft ook te maken met hoe wij die omgeving ‘ondervragen’. Wat verwachten we? Die manier van vragen bepaalt al in grote mate het antwoord dat erop volgt. Stel dat we liepen te hopen op een zeer efficiënte intervaltraining, dan waren we ontgoocheld geweest over dit uurtje pret. We brengen dus iets binnen in die omgeving. Er ontstaat een samenspel met die eerder genoemde stemming.

En dan is er dat lopen. Excuus voor het nogal vanzelfsprekend van deze opmerking: dat doet iets met je lijf. Het leuke scenario na een dagje stresswerk is dat die loopactiviteit ons een zachte drug verschaft. Onze hormonenhuishouding wordt opgekrikt naar een toestand die kan gaan van toenemend welbehagen tot quasi roes. Hoe dan ook heeft mijn vriendin zichzelf in een andere lijfelijke toestand gebracht door te gaan hardlopen. Wie iets aan zijn lichaam verandert, verandert iets aan haar of zijn manier van in de wereld zijn. En dus aan het eigen denken. Misschien had een hagelbui wel voor genot gezorgd? Het lichaam is daar nogal slim in. Niet zomaar heet een boek van de Nederlandse romanschrijver en wielerfanaat Jan Siebelink Pijn is genot. Het lichaam pas zich aan. Het kleurt het verhaaltje dat wij voortdurend onszelf vertellen in onze omgang met onszelf, met de wereld, met anderen. Het is het lichaam ook dat eerst die stemming ondergaat. We kunnen daar dan op inpikken door dat lijf van ons aan het werk te zetten. Of niet.

Conclusie 3: het lichaam is de primaire instantie van onze betekenisgeving aan de wereld. Verander je iets aan je lichamelijke situatie, dan verander je ook iets, soms zelfs iets grondigs, aan de manier waarop je als betekenisgevend wezen in de wereld staat. En vaak gebeurt dat onbewust. Het lichaam werkt voor ons, heel vaak op de achtergrond.

Om al deze redenen kunnen we moeilijk beweren dat we in ons hoofd denken. Ons denken, zelfs ons bewustzijn, beperkt zich niet tot de conturen van ons brein. We denken in interactie met een omgeving. Die omgeving stemt ons. Ons lichaam reageert erop. Het denkt met ons mee. Het ís zelfs ons denken.

Overschouw nu de diversiteit van menselijke wezens en die van hun activiteit. Wie ondergaat het meest een omgeving, voor wie is de dialoog met de leefwereld zeer intens, wie gebruikt daar in verhoogde mate het eigen lijf om iets te veranderen aan zichzelf? Dat zijn wij, de sportievelingen op deze aardkluit. Wellicht had ik deze duizend woorden niet nodig om dit uit te leggen. U heeft dat al lang ervaren tijdens het fietsen, wandelen, lopen. Of gelijkaardig snoepgoed.