Romantiek in de hel

Al dagen loop in naar woorden te zoeken om een min of meer coherent verhaal te kunnen vertellen over mijn ‘sportexploten’ (sic) van de voorbije tijd. Titel na titel passeerde de revue, wisselend met mijn stemming van het moment. Ik nodig u uit even mee te kruipen in mijn met woorden worstelende brein en hoe dat zich in een soms fijne, soms ruwe, beetje wrede dialoog met mijn lijfelijke wedervaren in bochten en kronkels wringt. Euforie, hoop, wanhoop, defaitisme… Het is maar een greep aan wat ik hier zou willen zeggen. Object van die emotionele wervelwinden is de marathon van Kasterlee. 

Op 14 november, de dag voor het Gebeuren, wist ik het zeker. Ik zou een verhaal vertellen over pure romantiek. Het regende en waaide snoeihard. Die Kasterleese bossen – krakende boomstammen in een bed van modder – zouden ons een warm onthaal gaan bezorgen. Zij het wel in een zeer spreekwoordelijke zin van het woord.

Met die romantiek heb ik altijd wel iets gehad. Dem Schnee, dem Regen, dem Wind entgegen… Dat is een vers van Goethe. Het gedicht gaat eigenlijk over de liefde en hoe rusteloos die kan zijn, maar voor mij is het een vers dat kracht uitstraalt en kracht geeft. Immer zu immer zu, ohne Rast und Ruh… Blijven doorgaan, geen rust, noch qua lijf, noch qua gemoed. En dan verder zegt hij nog zich liever door het lijden heen te worstelen dan de vreugden van het leven te moeten verdragen. Goethe was een flandrienvan het hart. 

Romantici hadden iets met het sublieme. Dat iets subliem is, betekent in de filosofie of de kunst niet gewoonweg dat het om iets heel erg fantastisch, schitterend of wonderbaarlijk straf gaat. Bekijk de vergelijking met momenten waarop we het over schoonheid hebben. Die roepen associaties op met rust, sereniteit, iets waar je kan bij verwijlen. Dat soort dingen. Het sublieme echter schopt nogal fors tegen schoonheidsschenen. Het sublieme gaat over genot, maar evenzeer over pijn. Het trekt je aan, maar je wordt er ook krachtig door afgestoten. Het sublieme fascineert en doet ons tegelijkertijd huiveren. Een overweldigende natuur, nooit eindigende woestijnvlakten, kolkende zeeën met opspattend schuim… De bossen van Kasterlee op 15 november. Ziet u mij daar staan aan de start? Noem het voor mijn part een mentaal opwarmertje. Het zal daar woest worden. Oké. Maar dat zal ik dan wel op een haast extatische manier ondergaan. Een beter, voller, meer gehard individu zou ongetwijfeld die aankomstlijn overschrijden. (Ironie was trouwens ook niet ver weg in de Romantiek.)   

Dat ik halfweg drie minuten sneller doorkwam dan mijn eindtijd op de halve marathon in Brussel een maand eerder mag natuurlijk niet belangrijk zijn. Zo vaak heb ik al een verhaal verteld over sport als levenskunst en dat chronometercijfertjes daar eigenlijk niks mee te maken hebben. Het gaat om de ervaring en om de performance. Lopen doe je om het lopen. Dat is mijn uitgangspunt. Ik blijf daar achter staan en zal het blijven herhalen. Maar – hoe moet ik dat zeggen –, het vlees is zwak als het zich sterk waant. Ergens behoort het blijkbaar ook tot mijn natuur om lichtjes opgewonden te raken bij het vooruitzicht van wat dan een scherpe tijd wordt genoemd. In mijn geval zou die net beneden de vier uur te situeren zijn. Bij die passage halfweg veranderde deze levenskunstsporter in een chronometervolgeling. Een kilometer of vijf verder is gebleken dat God echt bestaat en dat Hij mij niet zo graag zag op dat moment. Dat ik prestatiehonger even liet primeren op levenskunstig lopen heeft Hij bestraft met de halvering van het sublieme gehalte van mijn ervaring daar. Het element genot blonk vanaf dan alleen nog maar uit door afwezigheid, dat van de pijn daarentegen door veel te nadrukkelijke aanwezigheid. Alleen een onzichtbare hand, autoritair dirigerend vanuit hemelse hoogten, kan een mens zo tot knielen dwingen. Ik had gezondigd tegen mijn eigen prestatiedrangvrije sportbijbel en moest daar nu voor boeten. Dit is hier mijn biecht. Ik geef toe: God bestaat. Zij heet Sciatica. En ik heb op haar zenuw gewerkt.

Ik kan mij zeer goed voorstellen dat u mij niet gelooft, maar zelfs tijdens het lopen van een marathon denk ik aan het schrijven van teksten. Over het verhaal dat ik ga vertellen of over een mogelijke titel. Nog iets schever dan die eenzame boom daar in het veld, onbeschaamd kreunend in mijn eenzame geworstel met de wind, dacht ik opnieuw aan Goethe. De man kreeg grote schrijversfaam na het publiceren van zijn roman over het lijden van de jonge Werther. Typisch product van de Sturm und Drang. Een hopeloze liefde, een getormenteerde ziel, een fatale afloop. Ziet u mij nog lopen? De titel die ik onderweg bedacht, luidde ‘Beschouwing over het werkwoord O’. Ik zou u hier een verhaal vertellen over het werkwoord O dat niet in mijn woordenboek staat. En dat ik daar heel erg van overtuigd was. Zo beantwoordde ik perfect aan het clichébeeld van sportmartelaars allerhande: ‘ik had mijn twee polsen gebroken, maar ben blijven doorfietsen’; ‘het bloed stroomde over mijn voorhoofd, maar aan O heb ik geen moment gedacht’; ‘mijn neus zag wit, maar voor O haalde ik hem op’. U kent dat soort verklaringen wel. We hebben daar meestal heel erg devote bewondering voor. Daar in Kasterlee kon het werkwoord O voor mij dan ook alleen maar een holle klank blijven, zonder betekenis. De boer ploegde dus voort. Zowat 34 à 35 kilometer ver. Alsmaar krommer, alsmaar manker, tot zelfs nog maar het overwegen van een stap verder een priem door mijn stilaan moedeloos wordende lijf joeg, van lage rug tot linkerkuit. Werthers fatale afloop heette dan maar O. De slotzinnen van dit schrijfsel moesten dan maar worden: ‘Ik heb voor alle veiligheid toch eens mijn Van Dale opengeslagen ’s avonds. En kijk, het werkwoord O staat er wel in. Het komt na ‘opgetopt’. Leuk woordje, al bevond ik mij die avond wel in een andere positie dan dat. Maar goed, mijn daad was dus perfect in overeenstemming met de Van Dale. En het Woord van den Dikkenspreek ik niet tegen’. Voilà, zoiets kan toch tellen als verantwoording voor mijn Sturmdie met niet al te veel Drangeindigde?

Dat knielen echter, dat ga ik toch nog eens herbekijken. 

Back to basics

Van de vijftig jaar dat ik onze aardkluit versier met mijn aanwezigheid, hang ik zo ongeveer dertig jaar de intellectueel uit. Enkele momenten van grote luciditeit tijdens mijn puberjaren niet te na gesproken. Ik schat dat ik in die dertig jaar om en bij de drieduizend boeken moet hebben gelezen. In mijn job mag dat. De voorbije jaren heb ik me wel eens vaker oververzadigd gevoeld. Niet dat het lezen mij begon tegen te steken, wel dat die boeken het wat moeilijk kregen nog voor nieuwe intellectuele prikkels te zorgen. Teveel déjà lu

Mijn goede voornemen om het op deze bladzijden nooit over mijn leven als boekenmens te hebben, kreeg dan ook een tamelijk forse knauw toen ik enkele maanden geleden een boek las dat zondermeer mijn kijk op mens en wereld een verfrissende injectie gaf. Dat boek heeft het niet over een of andere nieuwe spiritualiteit of over utopie nr. zoveel. Neen, het boek gaat over hardlopen. En hoe dat hardlopen de fundamenten heeft gelegd voor de ontwikkeling van de wetenschap en voor onze hele evolutie als soort. Straf, niet?

De titel van het boek luidt in het Nederlands ‘De geboren renner’, al vind ik de Engelse titel in zekere zin krachtiger: ‘Born to Run’. De auteur, Christopher McDougall, een Amerikaans journalist en hardloper, vertelt er een spannend en meeslepend verhaal en doorspekt dit met bevindingen uit wetenschappelijk onderzoek allerhande, gaande van biologie over evolutietheorie tot culturele antropologie.

De ‘sterren’ van het boek zijn de Tarahumara indianen uit Mexico. Zij leven ergens in het Mexicaanse hooggebergte en ze doen dat zo onopvallend mogelijk. Moderne technologie kennen ze niet of nauwelijks. Ze leven verscholen tegen de rotsflanken en het blijkt best mogelijk te zijn hun ‘dorp’ te passeren zonder ook maar iemand bespeurd te hebben. Nu is het er mij hier zeker niet om te doen een pleidooi te houden voor een primitief leven of een bestaan zonder materiële luxe, laat staan comfort. Maar het verhaal van McDougall zorgt toch voor meer dan één kanttekening bij het hoogontwikkelde leven dat wij leiden in onze consumptie- en productiedriftige maatschappij. Ik citeer McDougall: ‘Met rust gelaten in hun geheimzinnige schuilplaats in de canyons had deze kleine geïsoleerde stam vrijwel elk probleem dat de mensheid kende opgelost. Noem een categorie – geest, lichaam, ziel – en de Tarahumara streefden naar perfectie. Het was alsof ze stiekem hun grotten hadden omgebouwd tot broedmachines voor Nobelprijswinnaars, die allemaal zwoegden om een eind te maken aan haat, hartziekten, scheenspalken en broeikasgassen’. Geen corruptie, zwaarlijvigheid, drugsverslaving, hebzucht, vrouwen- of kindermishandeling. Het percentage Tarahumara dat kanker krijgt, is minimaal. Depressiviteit is er een exotische ziekte. Hoe ze dat doen? Door te Lopen. Met hoofdletter. Vijftigjarigen kunnen er harder lopen dan tieners. Tachtigjarigen leggen marathonafstanden af over de berghellingen. Vriendelijk, gelukkig en quasi bovenmenselijk taai, zo zitten ze daar in elkaar. Hun sereniteit blijkt ongezien. Behalve als ze hun lechuguillagaan drinken, een zelfgemaakte tequila, gebrouwen van dode ratelslangen en cactussap. Volgens een buitenstaander die het eens had mogen meemaken werden die immer hardlopende indianen zo ladderzat dat echtgenotes elkaars bovenkleding afscheurden en met blote borsten worstelden, terwijl een krijsende oude man probeerde een maïskolf in hun achterste te steken. Op die manier werd een ganse nacht feest gevierd. Voor wie nu een kater krijgt bij de gedachte daaraan alleen al: ’s anderendaags kwamen de Tarahumara uit hun bed voor een hardloopwedstrijd. Die ging niet over een paar kilometer of over een paar uur, maar over twee volle dagen. Een Mexicaanse historicus wist te vertellen dat één van hen ooit 696 kilometer aan een stuk liep. Andere Tarahumara-lopers deden het iets bescheidener en hadden het over onafgebroken duurlopen van om en bij de 450 kilometer. Hun favoriete sportvoeding bestaat uit gemalen maïs, op smaak gebracht met wat hun favoriete lekkernij blijkt te zijn: muis van de barbecue.

Dat klinkt allemaal leuk en spannend en merkwaardig, maar aan ons is dat natuurlijk niet meer besteed. (Ik verontschuldig mij uiteraard bij wie zich nu miskend voelt.) De hardlopers onder ons kunnen hier echter wel een paar – voor mijn part niet te veronachtzamen – lessen uit trekken. Die lessen strijken tegen de haren in van al wie hier prestatiegericht sporten als streefdoel heeft. Bij de Tarahumara gaat het om lopen met een glimlach op het gelaat. Zie deze anekdote. Een Amerikaanse atletiekcoach wou het ‘geheim’ van de Tarahumara doorgronden. Hij volgde hen tijdens één van de weinige ‘echte’ wedstrijden waartoe men hen had kunnen overhalen, de beruchte Leadville trail, honderd mijl lang op grote hoogte in de Rocky Mountains. In 1992 won een 52-jarige Tarahumara de race, gevolgd door een 41-jarige dorpsgenoot. Tientallen kilometers lang hadden ze behoedzaam achter gevestigde waarden uit de ultramarathonwereld gelopen. De nieuwsgierige coach had zich aan een zware helling geïnstalleerd. De koplopers kreunden er zich naar boven. Het geheim van de Tarahumara bleek hierin te bestaan dat ze liepen te lachen tijdens die beklimming. En ze wonnen dus. Na een tweede deelname, in 1994, met opnieuw winst, weigerden ze echter later nog terug te keren. Sponsors hadden namelijk ruzie gemaakt over wie hen zou kunnen ‘inlijven’. Dat doe je dus niet met de Tarahumara. Zij lopen om te lachen en om samen te zijn, nooit om geld.

Een uitspraak van hen, die ik vanaf mijn lectuur van dit boek altijd meedraag: ‘Als je op de aarde hardloopt en metde aarde hardloopt, kun je altijd blijven hardlopen’. Of Caballo Blanco, een Noord-Amerikaan die de indiaanse leef- en loopstijl ging delen: Verzet je niet tegen het pad. Neem wat het je geeft. Zijn tweede les geef ik helemaal weer: ‘Makkelijk, Licht, Soepel en Snel. Je begint met “makkelijk”, want als dat alles is wat je bereikt is het zo gek nog niet. Dan werk je aan “licht”. Zorg dat het geen inspanning kost, alsof het je niets kan schelen hoe hoog de helling is of hoe ver je nog moet. Als je dat lang genoeg geoefend hebt om te vergeten dat je oefent, ga je eraan werken het “soepel” te maken. Over het laatste hoef je je geen zorgen te maken – als je de eerste drie onder de knie hebt, word je vanzelf snel’.    

Sedert ik deze loopfilosofie in de praktijk breng, kom ik van elke training ontspannen thuis. Wie het gevoel heeft te moeten werken tijdens de training, is op weg naar blessures, zo leer ik hier. En wie is dat het dure sportschoeisel dat wij dragen wellicht een van de belangrijkste oorzaken is van die blessures? We voelen de aarde niet meer. Het loopcomfort van ons schoeisel doet ons te snel gaan. Wat zich uiteindelijk wel eens wreekt. Een volgende stap zou nu moeten zijn een wedstrijd te lopen alsof het er geen is. Oké, competitielopers hebben hier wellicht geen boodschap aan. Ik wel. Waarom zou sport een bron van stress moeten zijn in onze zo al genoeg opgefokte samenleving? Mag ik er rust en ontspanning vinden? En de glimlach behouden? 

Mijn trainingsschema’s heb ik weggegooid. Ik loop volgens de goesting en de ingeving van de dag. Waar mij dat gaat brengen? ‘k Zou het niet weten.       

Morgen, 21 februari, vertrek ik naar het Mexicaanse Puebla. Ik ga er een lezing geven op een congres aan de plaatselijke universiteit. De titel van mijn lezing stelt de vraag naar het statuut van lichamelijkheid in de zogeheten virtuele realiteit. De lichamelijkheidsbeleving van de Taramahura vind ik alvast een stuk boeiender.   

Als u hier de komende maanden geen bevlekt ontvangen columns meer vindt, weet u waar ik zit. Of loop.

Lijden

Dat vinden wij wel tof hé, dat lijden. Afzien hoort er bij. We doen het er zelfs voor. Bekijk boektitels: Pijn is genotvan Jan Siebelink, voor mijn part één van de beste boeken over wielrennen ooit geschreven. Of van Peter Smink,  De cultus van het lijden, waarvan de lectuur mij wel in genoemde toestand bracht (als lezer dan), maar dat wellicht niet schrijvers bedoeling was. En recent verscheen van Louise Cornelis, mijn lievelingscolumniste in het maandblad Fiets, een opmerkelijk boek over haar deelname aan de onwezenlijk zware Tour d’Afrique. Tienduizend kilometer op twee wielen gedurende vier maand. Lees het en u zal nooit nog zeggen dat de Koppenberg iets onmenselijks heeft. Het boek van Louise Cornelis heet Afzien voor beginners(zie www.afzienvoorbeginners.nl). 

Dat ‘wij’ van hierboven slaat op het gild van duursporters. Of dat nu hardlopers of fietsers zijn doet hier niet ter zake. Het is een compartimentje binnen de bonte verzameling wezens die deze aardbol bevolkt dat op die aardbol elke kilometer alleen maar ziet als een klein schepje bovenop al de vorige. Hoe meer schepjes er bovenop hoe liever. En elk extra schepje mag pijn doen. Excuus: moet pijn doen. Want pijn is dus genot. 

Toen ik het boek van Louise Cornelis boek las, besefte ik iets te overhaast te zijn geweest bij het schrijven van een kort stukje over mezelf, waar ik het ook had over lijden en afzien. Dat stukje was bestemd om iets te vertellen over een gelegenheidswielerteam van de Vrije Universiteit Brussel waar ik deel van uitmaak. Van 13 tot 16 mei nemen we met dat team deel aan de 1000 kilometer vanKom op tegen Kankerzie (www.vub.ac.be/1000km/). Om te mogen starten zamelt een team eerst €5000 in voor kankeronderzoek en maakt vervolgens vier ritten van 250 kilometer rond. Onze rector begint, zelf neem ik rit vier voor mijn rekening. Nooit eerder heb ik zo ver gefietst en ik was/ben er ook niet zo meteen van overtuigd dat ik voldoende tijd heb of had om mij terdege voor te bereiden. Mijn conclusie was dus duidelijk: ik ga afzien, ik ga lijden. Maar goed, dat stelt niks voor in vergelijking met mensen die aan kanker lijden. Zo schreef ik het op in dat introductietekstje. En al nuanceerde ik op die wijze mijn eigen te verwachten afzien op 16 mei, toch maakte ik de vergelijking: kankerpatiënten lijden, ik ga die dag ook lijden. Maar is dat lijden dan wel te vergelijken? Uiteraard niet. Dat wist ik eigenlijk wel, maar ik had toch het boek van Louise Cornelis nodig om dat een beetje bewuster te beseffen.

Zij definieert afzien als ‘zelf verkozen lijden van enige duur’. Daar ging mijn tekstje dan meteen, want ik had het daarin over de machteloosheid en zelfs woede van twee studentes van mij bij wie kanker was vastgesteld. ‘Waarom ik?’, was hun vraag. Plots krijg je daar een nieuwe verhaallijn opgedrongen in je leven en dat verhaal wordt voor jou geschreven. Je pen wordt gevoerd door een ander. Je ondergaat. Dat is dan ook de echte betekenis van lijden: iets wat je wordt aangedaan. Louise Cornelis onderscheidt het zelf verkozen lijden daarom van andere ellende, zoals de ervaring van iemand die doodziek is. Wij duursporters creëren ons afzien zelf. Hebben we er genoeg van, dan laten we het gewoonweg ophouden. En ja, Louise heeft afgezien, daar in Afrika, maar korte tijd nadien was dat al vergeten. Ze had namelijk ook genoten. 

Vandaar ook het grote contrast met het bericht dat ze bij haar aankomst in Kaapstad ontving. Haar moeder zou twee dagen later al geopereerd worden vanwege een vergevorderde kanker. De enige keuzen die de dame moeder toen nog restten waren diegene die over het mogelijke beïnvloeden van haar lijden gingen. Maar ook dat is weer relatief, want na een half jaar stond de letterlijk definitieve uitkomst al vast. 

Afzien heeft voor duursporters ook een functie: het verlegt grenzen. Louise Cornelis geeft aan dat zij rond haar 35stebesloot aan die eigen grenzen te gaan sleutelen na lectuur van het verhaal van Lance Armstrong over hoe hij zijn kanker heeft overwonnen. Ik ben dat boek, Door de pijngrens, nog eens gaan lezen. Armstrong raakt daar een diep filosofische thematiek aan. De vraag luidt voor hem niet hoe zijn ziekte hem veranderd heeft, maar hoe ze hem nietveranderd heeft. ‘Toen ik ziek was, zag ik iedere dag meer schoonheid, grootsheid en waarheid dan me tijdens een wielerrace ooit is overkomen – maar het waren menselijkemomenten, geen wonderen’. De Amerikaan zegt over zijn sportprestaties dat hij die eerder volbrengt voor het afzien dan voor het plezier. Vijf uur lijden om dan met een opgeruimd gevoel thuis te komen. Hoe meer hij er tijdens zijn ziekte over nadacht, hoe meer kanker op een wedstrijd ging lijken. Dan toch? In beide gevallen gaat het om een gevecht tegen de tijd, met steeds opnieuw informatie over de stand van zaken, steeds nieuwe cijfers die al dan niet iets goeds voorspellen. Maar toch: het belangrijke verschil was dat zijn ziekte nog meer van hem vergde dan ooit op de fiets het geval was geweest. Toen hij in Sestrière de loodzware bergrit won en zo als ex-kankerpatiënt definitief op weg ging naar zijn eerste Tourzege, schrijft Armstrong dat het zwaar is om in een wedstrijd te lijden. ‘Maar het is niets vergeleken met het liggen in een ziekenhuisbed terwijl er een katheter uit je borst hangt en er chemo door je aderen schroeit en je vijf dagen per week 24 uur lang overgeeft’. Naar het einde van zijn boek toe geeft Armstrong aan dat hij liever wil gezien worden als overwinnaar van kanker dan als winnaar van de Tour. Hij heeft aan dat eerste immers meer gehad als mens. 

Toen ik aan Paul De Knop, onze rector, voorstelde om met een team deel te nemen aan die 1000 km van Kom op tegen kanker, was dit ook wat mij dreef als filosoof. Het afgelopen jaar was ik met zeven gevallen van kanker geconfronteerd in mijn nabije omgeving. Filosofen hebben – vind ik – altijd veel te weinig oog gehad voor wat zoiets kan betekenen voor het mens zijn. Dat gevoel van machteloosheid, het weten dat je niet meer zelf je eigen verhaal kan schrijven, de onzekerheid over de uitkomst, de pogingen om het leven toch nog zoveel mogelijk te omarmen. En wij filosofen dan maar boeken volpennen over levenskunst, over autonomie, zelfbeschikking, de queeste naar een zinvol leven… Of hoe ik in mijn eigen onderzoek voortdurend hamer op de lichamelijkheid als onze primaire wijze van in de wereld zijn. Ik schrijf daar doorgaans over op een enthousiasmerende manier. Maar hoe zou dat mijn schrijven veranderen als ik zelf levensbedreigend ziek zou worden? Daar had ik niet eerder bij stilgestaan.

De Franse filosoof Michel Onfray, auteur van boeken over levenskunst en hedonisme, heeft het mogen ervaren toen bij zijn vrouw kanker werd vastgesteld. Hij schreef er een boek over, Het lichaam, het leven en het lijden. Ik geef een citaat mee: ‘Wat is het belang van de bekrompen kleingeestigheden van het dagelijkse leven, de manipulaties van relatiedelinquenten, de levens die worden geofferd op het altaar van ficties van nul en generlei waarde, als de deur achter je dichtvalt na de uitspraak van een arts die je net in bedekte termen heeft laten weten dat je je weerloos en snel in de richting van je graf beweegt?’ Later in het ziekenhuis kijken de Franse filosoof en zijn vrouw naar de Tour. Ze zeggen het elkaar niet, maar beiden wachten ze op het succes en de overwinning van Lance Armstrong als evenveel bemoedigende tekens dat er een leven na de kanker bestaat. 

Ga ik nu afzien op 16 mei? Lijden? Nee, ik weiger dat. Louise Cornelis heeft natuurlijk wel gelijk als ze in een van de laatste paragrafen van haar boek zegt dat afzien tot die zo vaak geroemde ervaring van flowleidt en bovendien nog persoonlijke groei oplevert. Csikszentmihaly, de bekende auteur over ervaringen van flow, schrijft dat mensen ten onrechte denken dat ze het gelukkigst zijn als ze met een zak chips in de zetel tv zitten te kijken. Zijn onderzoek toont nu net dat we het gelukkigst zijn als we worden uitgedaagd het beste van onszelf te geven in sport, werk of hobby. Het zal wel mijn beroepsmisvorming zijn als filosoof en ethicus, maar ik wil me op 16 mei verdomme niet uitgedaagd voelen. Ik wil geen flow. Ik wil die dag niet groeien. Ik wil daar niets presteren. Op een ingetogen wijze wil ik de Antwerpse Grote Markt oprijden na die 250 kilometer. Deelnemen drukt uit wat ik in woorden zo moeilijk te vatten vind. Deel-nemen.    

Nooit aankomen

Ik leg momenteel de laatste hand aan een boek dat na de zomer zal verschijnen. Sport als levenskunstis de titel en de inhoud bestaat voor een groot deel uit de columns die ik hier op deze pagina’s heb mogen schrijven. Wat ik in dit blad kwijt kon, heeft voor mij gefungeerd als een soort sportdagboek. Dat ik sedert eind 2007 vijf keer per jaar mijn bevlekt ontvangen hersenspinsels wereldkundig mocht maken, heeft mij gedwongen (vriendelijk, maar beslist) na te denken over wat sport nu eigenlijk voor mij, academisch werkzaam filosoof, betekent. En vooral: wat ik er wil mee bereiken. 

Ik zal dan nu een historische uitspraak doen (gratis en voor niks, inbegrepen in uw abonnement): sport dient niet om iets te bereiken. Voilà. Daar heb ik zeer diep over nagedacht en ik nodig u uit om dat ook eens te doen. Maar laat me u daarbij toch een handje helpen. Wat bedoel ik daar dan wel mee?

Om te beginnen: ik wil zeker niet beweren dat dit de essentie is van sport. Of dat sport zo moet zijn en niet anders. Alleen is het voor mij een mogelijk perspectief op sportactiviteit. Ik vind dat perspectief interessant, boeiend, zinvol, vriendelijk, vreedzaam. En fijn. Vooral fijn. 

Laat me beginnen met twee tegenvoorbeelden. Hoe het dus – vanuit dat perspectief – niet zou moeten. Het eerste vind ik in een gesprek dat ik onlangs had met een man van halverwege de veertig. (Als je dit leest L, excuus, maar ik zal je hierom niet anders gaan behandelen. Laten we rustig van mening verschillen. Wel vind ik je aanpak ten gronde fout.) De man was ergens rond zijn veertigste tot de vaststelling gekomen dat hij te goed in het vet zat en te slecht in de adem (slecht Nederlands, ik weet het). Hij zou gaan sporten. Liefst wou hij zo snel mogelijk een marathon kunnen lopen. Dat heeft hij de daarop volgende jaren enkele keren gedaan. Zijn eindtijd was telkens beter dan de vorige. Inmiddels is hij gestopt. De reden: ‘ik heb het nu wel gezien en wil iets anders’. Dat ‘anders’ is dan geen andere sport. Tussendoor vertelde L me nog dat hij tijdens een marathon zeker zou opgeven indien hij zou merken dat er geen goeie eindtijd in zat. Ik heb hier al eerder beschreven hoe we volgens mij in onze westerse (prestatie)cultuur een overmatig belang hechten aan het kunnen objectiveren van ervaringen. Door ze in naakte cijfers te gieten. Die van een chronometer bijvoorbeeld. Wie daarop gefixeerd is, stapt er dan uit eens er geen objectieve verbetering meer in zit. Het is hun goed recht, maar ik heb niets aan dat verhaal.

Het tweede voorbeeld vind ik bij mezelf. Eventjes was de verleiding groot om als slot van het boek in wording mijn eigen ‘vooruitgang’ te beschrijven in termen van ‘kijk eens wat ik intussen allemaal kan’. Dat ‘intussen’ is dan de periode tussen mijn vorige sportboek, uit 2005, en nu, zomer 2010. Dat zou makkelijk zijn. In 2005 was mijn langste fietstocht er eentje van 120 kilometer, weliswaar in erbarmelijke weersomstandigheden en met nogal wat Vlaamse Ardennenkuitenbijters onderweg. Mijn gemiddelde lag maar net boven de 20 km/u. Vijf jaar later, intussen de vijftig gepasseerd, fietste ik meer dan het dubbele van die afstand aan een gemiddelde dat ongeveer 10 km/u hoger lag. (Zie je, ik kan niet aan de verleiding weerstaan om het toch maar eens te zeggen.) Objectief gezien heb ik dus ongetwijfeld vooruitgang geboekt. Maar ik beweer: hier gaat het niet om. Waar is het dan wel om te doen in die levenskunstige benadering van sport? 

Ik wil er sport niet zien als afspiegeling van een maatschappij waarin gejaagdheid, stress, prestatiedrang, hyperconsumptie en gebrek aan respect voor onze omgeving tot nog maar zelden bevraagde ordewoorden zijn verheven. Wat meer is: sport kan voor mij net het omgekeerde daarvan belichamen: rust, onthechting, dialoog met de omgeving. Sport kent er geen aankomst, maar is een voortdurend onderweg zijn.

Een Duitse filosoof, Eugen Herrigel, trok in de jaren dertig van vorige eeuw naar Japan om er te gaan doceren. Zijn wens om van die gelegenheid gebruik te maken zich te verdiepen in het zenboeddhisme werd op enige scepsis onthaald. Om min of meer toegang te kunnen krijgen tot die oosterse denkwijze diende hij zich eerst te bekwamen in een van de Japanse kunsten die met Zen te maken hebben: bloemschikken, schilderen of boogschieten bijvoorbeeld. Herrigel opteerde voor het boogschieten. In zijn boek Zen in de kunst van het boogschietenuit 1953 vertelt hij over de zes jaar waarin hij onder leiding van een leermeester trachtte zich te bekwamen in die kunst. Die blijkt eigenlijk te gaan om een geestelijke oefening, waarvan het doel dan ook een geestelijk treffen is. De schutter moet uiteindelijk zichzelf treffen, wat betekent: zichzelf transformeren. Boogschieten zou er dan toe leiden dat de beoefenaar meester wordt over zichzelf. 

Goed, zal u nu zeggen, Tom Boonen of Lance Armstrong zijn toch ook meester over zichzelf. Wat is dan het punt? Dat valt te begrijpen via een omweg. Bij Zen is met name een leermeester onontbeerlijk. En voor zijn beoordeling kijkt die meester niet naar de roos, maar naar de leerling. Niet de pijl of de boog vertellen hem meer, maar de schutter zelf. Het gaat er om de samenhang van de innerlijke en de uiterlijke houding van de leerling. 

Wat blijkt vervolgens? Na een jaar oefenen bakt de Duitse filosoof er nog niets van. Telkens opnieuw faalt hij, ook al doet hij zo erg zijn best. Op zijn vraag wat hij dan wel fout doet, antwoordt zijn leermeester dat dit nou net het probleem is. ‘Dat u uw best doet, dat u er steeds aan denkt. Concentreert u zich uitsluitend op de ademhaling, alsof u helemaal niets anders te doen heeft’. Het leren boogschieten verloopt dan ook via andere stadia. Eerst gaan de oefeningen over het juiste ademhalen en de goeie manier om tot concentratie te komen. Bedoeling is ten langen leste te komen tot een toestand van ontspannen inspanning. Na jaren oefenen lukt het Herrigel om de roos te raken. Zijn uitgelaten stemming daarover kan echter niet op een gedeeld enthousiasme van de leermeester rekenen: ‘Zet u het treffen toch uit het hoofd! U kunt een meester in het boogschieten worden ook zonder dat ieder schot doel treft. De treffers in de schijf daar zijn slechts uiterlijke proeven en bevestigingen van uw in hoge mate gestegen onopzettelijkheid, ik-loosheid, verzonkenheid, of hoe u dit niveau ook maar noemen wilt’. 

Ik leer hieruit dat je wel kan raak schieten, maar tegelijkertijd toch mis als de goede houding ontbreekt. Herrigel leert dat het Japanse boogschieten niet gaat om het raken van een roos, maar om een manier van zijn. Technische kennis is daar helemaal niet voldoende. Het doel raken is uiteindelijk niet meer het gevolg van een bewuste act, maar verloopt eerder vanuit een onbewuste, quasi organisch verworven houding. Herrigel nog eens: ‘Dit alles: boog, pijl, doel en ik raken zo met elkaar verstrengeld dat ik ze niet meer kan scheiden’. Boogschieten is er geen kunde, maar een vorm van zelfcreatie waarbij het individu tot een hoger mens-zijn komt.   

Kijk, als ik binnen een paar jaar nog eens een boek afscheidt, dan wil ik graag hierover kunnen getuigen. Hoe ik vanuit die houding heb leren hardlopen en wielrennen. Mijn dialoog met mezelf zal voortaan hierover gaan. Waar het mij zal brengen, weet ik nu nog niet. Maar misschien is dat ook al een verkeerde vraag. 

Is dit nu in tegenspraak met bovenstaande historische (sic) uitspraak? Neen. Zeker zal ik iets bereiken, maar dat iets ligt dan niet in een of andere externe beloning. En al helemaal niet in iets wat geobjectiveerd of berekend kan worden. Het gaat mij om een zijnswijze. Om hoe ik lichamelijk in de wereld wil staan. Hoe ik mijn eigen lichamelijkheid, en dus kwetsbaarheid, niet van de wereld en van anderen kan scheiden. Dat is een dialogisch zijn, waar niet het ik vooropstaat, maar het geheel waarin dat ik verweven zit. Voldoening over een prestatie krijgt dan een heel andere benadering. Respect staat daar voorop. Cijfers zijn er bijkomstig. 

Ik zeg u: ik heb nog een lange weg te gaan.

Tweewielers aller landen!

Ik ga het land een dienst bewijzen. De kersperiode leent er zich voor vind ik. Ministers en anderssoortig bewindsvolk doe ik hierbij het genoegen hen een goed voornemen te bezorgen. Het zal hen niet met een kater achterlaten en bovendien menig burger van dat kopkriebelende onding bevrijden. Ook zal ik taal- en andere grenzen overbruggen. In een en dezelfde beweging haal ik de loodzware lasten van de gezondheidszorg naar beneden. Werkgevers zullen mij spontaan in de armen sluiten wanneer al spoedig blijkt dat de bij hen loontrekkende dames en heren op tijd komen. Straffer nog: ze komen met de glimlach op tijd.

Met dit alles voeg ik mij bij de illustere schare filosofen die na noeste denkarbeid in besloten werkkamers een utopische blauwdruk voor het maatschappelijke reilen en zeilen ontvouwden. Ze zijn daar nagenoeg altijd in mislukt. Lukte het hen toch, dan had dit rampzalige gevolgen: terreur, uitsluiting, discriminatie van wie een ander kleurtje had dan uniform voorgeschreven.

Mijn utopie moet dit desastreuze effect omzeilen. Laten we er met een bocht omheen fietsen.

Inspiratie vind ik in het boekje Eloge de la bicyclettevan de Franse antropoloog Marc Augé. Zijn geschrift vorm een mix van politieke, sociologische en filosofisch essayistiek. De slotzin luidt: ‘Le cyclisme est un humanisme’. Dan denkt Augé niet aan Lance Armstrong of aan Alberto Contador, maar aan u en mij. Aan hoe wij allen samen onze wereld leefbaarder kunnen maken. Mijn utopie wil om die reden dan ook af van wat Augé in een ander boek van hem de non-lieuxnoemt, de non-plaatsen.Dat is de term die hij bedacht voor omgevingen zoals snelwegen, vliegvelden of fors uit de commerciële kluiten gewassen supermarkten, waar vooral uniformiteit heerst en zich alles behalve een sociale band met anderen laat voelen. Vluchtigheid is er het door allen aanvaarde, door niemand bevraagde dictaat. Voor Augé leven we in een periode die hij als de supermoderniteit bestempelt. In dat era neemt de hoeveelheid non-plaatsen schrikbarend toe. Uiteraard heeft dit zo zijn implicaties voor onze samenleving. Non-plaatsen maken nu eenmaal veel menselijke interactie overbodig. We worden eenzaam middenin alle drukte. 

Dat ga ik dus oplossen. Ik doe dat als voor de rest overigens bescheiden filosoof. Ik onderscheid mij echter van mijn utopieproducerende voorgangers door het merkwaardige fenomeen dat mijn werkkamer een oppervlakte omvat van – naar ik schat – ongeveer 7500 m2. Dat is de biotoop die ik al fietsend bestrijk, met het eigen huis als vertrek- en aankomstplek. Zo leert een mens zijn wereld kennen. Al wandelend trouwens ook.

Hoe gaan we dat nu voor elkaar krijgen? Ik zie geen andere mogelijkheid dan een heuse revolutie. Dat is nog eens lang geleden zie! Laten we in het klein beginnen en eerst Brussel aanpakken. Eén van mijn frequente tussenstops is mijn bureau op de Vrije Universiteit aldaar. Maar Brussel lijkt fietsers te haten. Ik voel mij er uitgesloten. Beetje marginaal zelfs. Pedalerend in de marge van het Echte Verkeer. Een initiatief als Villo!vind ik weliswaar van een zaligdoende creatieve en zachtjes-de-wereld-verbeterende ingesteldheid getuigen. Op diverse plekken in de stad kan je (tegen betaling) namelijk een fiets uit de rekken plukken en die elders in gelijkaardige rekken achterlaten. Prachtig. Maar verandert dat iets aan de fietsbaarheid (dwz de aaibaarheid met twee wielen) van de stad? Nee, daar valt geen decorverandering te bespeuren. 

Kijk dan eens naar de Deense hoofdstad Kopenhagen. Daar krijgen fietsers vanaf eind volgend jaar hun eigen snelweg. Liefst 36.000 fietsers maken nu elke dag gebruik van de zogeheten Noerrebrogade. Tijdens de spits levert dat wel eens een fietsfilepobleem op. De bouw van snelwegen aan weerszijden van de populaire weg moet daar gaan aan verhelpen. Het traject zal vijftien kilometer lang zijn, de weg vier meter breed. Leuk: zelfs ‘pitstops’ worden voorzien waar pechvogels hun banden kunnen oppompen of kleine reparaties uitvoeren. In 2012 volgt de aanleg van een tweede stuk snelweg, van twintig kilometer lang. Politici in de Deense hoofdstad hopen met die plannen ook meer mensen aan te zetten de wagen thuis te laten. Op dit moment gaat al 37 procent van de bewoners van de buitenwijken met de fiets naar het centrum. Over vijf jaar moet dat aantal vijftig procent bedragen. Zouden we Brussel zo eens kunnen bekijken? Ik vrees ervoor. Begin december las ik inKnacknog een dossier over de minder goeie groene prestaties van Vlaanderen en over plannen voor de aanpak van de mobiliteitsproblematiek alhier. Het weekblad voerde een Vlaams parlementslid, Irina De Knop, op dat het probleem van Brussel als dé filehoofdstad van Europa wil aanpakken. Nergens anders immers doen de pendelaars – 350.000 in aantal – er langer over om op hun werk te raken. Vorig jaar had deze politica ook al eens een resolutie ingediend over het mobiliteitsvraagstuk in Brussel en Vlaams-Brabant. Maar terwijl ze zich vorig jaar nog beperkte tot het bepleiten van een goed gekozen verbreding van de Brusselse ring, wil mevrouw de Knop het nu op een andere manier breed zien. Citaat uit Knack: ‘Ik heb veel geleerd uit de manier waarop mijn eerdere resolutie is behandeld. Vooral dan dat voorstellen die alleen rond de auto draaien, zoals de verbreding van de ring, gedoemd zijn om te verzanden in het traditionele debat tussen de Lijst Dedeckers van deze wereld, die desnoods dubbeldekssnelwegen willen bouwen, en de linkerzijde die alle heil verwacht van het openbaar vervoer. Daarom bepleiten we nu drie zaken: dat men oog heeft voor de mogelijkheden die de combinatie van auto en openbaar vervoer biedt, dat het Vlaams Gewest gaat samenwerken met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest én dat er duidelijke algemene doelstellingen komen. Kortom, we willen een masterplan voor Brussel, gedragen door alle betrokkenen’. Alle betrokkenen? En de fietsers dan? Waar passen die in het plan dat zogezegd ‘multimodaliteit’ als sleutelelement hanteert. Dat betekent blijkbaar dat je niet zomaar zowel in het openbaar vervoer als in wegen moet investeren, maar ook dat je oog moet hebben voor de aansluiting van het een op het ander. Het wondermiddel zou daar heten: meer parkeerplaatsen aan de stations in de gemeenten rond Brussel. Zou kunnen dat dit helpt. Zoals doekjes voor het bloeden helpen.

Geef mij dan maar de utopie van Marc Augé. Parijs zou hij enkel nog willen toegankelijk maken voor openbaar vervoer. Autobezitters parkeren hun vierwieler in garages aan de rand van de stad. Welkom in de marge. De rijstroken zijn er deels voor autobussen, maar grotendeels voor fietsers. Die ontdekken hun stad opnieuw. Ze ontdekken elkaar opnieuw. Laten we de Parijzenaars voor één keer te snel af zijn en maak van Brussel de stad van het flaneren op twee wielen. Of drie voor de fietstaxi’s. Werkplaatsen duiken op in elk stadsdeel. Creatievelingen winnen prijzen met de meest uitbundige fiets. De décapotablemet pedalen overwint herfst, winter, maartse buien en aprilse grillen. De zon maakt hij in de rest van het jaar nog een paar graden genietbaarder. Weg verzuring. Weg taalbarrières. We spreken één taal, die van de fiets. De Kopenhagen-norm zal ons doel worden. Vijftig procent van 350.000 is 175.000. En dan allen samen beginnen belrinkelen. 

Ik mag toch eens dromen in deze Kerstperiode?  

Ode aan de sportschool

Het zou een raadseltje kunnen geweest zijn. In welke school studeer je bij voorkeur nooit af? Je leert er levenslang. Niemand maakt er een probleem van dat je om de haverklap van specialisme verandert. Je hoeft niet per se uit te blinken. En het is gewoon fijn om eens van alles te proeven. Nog leuk in deze door giftige polarisering gekleurde tijden: iedereen is er in principe gelijk, niemand wordt er uitgesloten. En wat meer is: je leert er mensen kennen die tot andere dan je gebuikelijke omgangssferen behoren. Hun verhalen raken je. Je schrijft er je eigen levensverhaal aan de hand van experimenteren met en uitproberen van wat je lijf je nog te bieden heeft binnen de telkens weer veranderende context van het eigen levensverhaal. Ziekte, kwetsuren, een jaartje ouder worden, zijn er niet langer obstakels, maar vriendelijke uitdagingen om op een andere manier aan de slag te gaan.  

Ik weet het, dit is al een veel te lange inleiding – raadseltjesgewijs – om een antwoord te bekomen dat al in de titel staat. De sportschool. In Nederland is dat de gebruikelijk term voor wat in schoon Vlaams doorgaans ‘de fitness’ wordt genoemd. Waarom een ode aan de sportschool?

Een maand of twee geleden maakte ik mij de bedenking dat ik nog nooit zo goed had gefietst als op dat moment. Snelheid zegt niet noodzakelijk alles, maar het viel me toch op dat de gemiddeldes die ik haalde hoger lagen dan wat ik mij kon herinneren. Hoe dan ook maakte mijn fietscomputertje, zes jaar jong, mij duidelijk dat ik in de periode van ons altijd weer fijne avonturen samen, niet eerder zo snel dezelfde afstanden had afgelegd aan de snelheid waar ik plots toe in staat bleek. Ik moest niet eens diep gaan. En ik had nergens pijn. So what?, zal u zeggen. Gewoon al goed getraind in die nog prille periode van het wielerseizoen. Neen dus. Het ging om mijn derde fietstochtje dit jaar en dat liep al meteen over iets meer dan honderd kilometer. 

Dat ik het gevoel had nooit eerder zo goed gefietst te hebben was opmerkelijk om enkele redenen. De eerste is evident: als ik mijn volgende verjaardag vier, zal dat de zestigste zijn. Normaliter ga je het dan fysiek en sportief wat minder goed doen dan in minder rijpe periodes van je leven. De tweede reden is echter dat ik die – naar mijn aanvoelen en in volstrekte consensus met mijn fietscomputertje – straffe fietsconditie had opgebouwd zonder of met nauwelijks pedalen beroerd te hebben. Alles was te danken aan die vele verschillende toestellen die ik in de sportschool met mijn overvloedige zweet laat kennismaken. En de derde reden: ruim drie jaar geleden liep ik enkele ingedeukte en gebarsten ruggewervels op. Dat maakte fietsen moeilijk. Ik dacht zelfs lange tijd dat het nooit meer zou lukken. Osteoporose bleek mijn benige carrosserie tamelijk overtuigend aangetast te hebben. Dat is ook de reden waarom ik hier in mijn vorige column schreef dat het drie jaar geleden voor mij plots niet meer hoefde om enthousiasmerende stukjes te schrijven over sport als levenskunst. En over het welbevinden en zelfs de euforie die sportacitiviteiten als vergoeding voor gutsend zweet kunnen opleveren. Maar kijk: het is allemaal weer terug. En beter dan ooit, zo blijkt.

Nooit opgeven dus, beste lezer. Vorige keer verwees ik hier al naar die mooie uitspraak van triatleet Marc Herremans dat het leven is als een kaartspel. Zelfs met slechte kaarten probeer je nog het best mogelijk spel te spelen. Herremans deed die uitspraak in een gesprek dat ik in 2006 met hem had voor De Morgenwaarin hij het had over zijn comeback, maar nu als rolstoelatleet. Mijn bewondering voor die man is immens groot. Mijn eigen kwaaltjes stellen niks voor in vergelijking met wat hem is overkomen. Maar dat beeld van slechte kaarten en een zo goed mogelijk spel is voor mij altijd richtinggevend geweest sedertdien. 

De belangrijkste les die ik heb geleerd in die drie jaar knutselen en wrikken en wringen in dat kaartspel van het sporten is dat het zo immens belangrijk is oog te hebben voor de complexiteit en volledigheid van ons lijf. Niet eerder had ik gedacht dat ik met groeiend enthousiasme met gewichten aan de slag zou gaan tussen (meestal) heren met imposantere spieren en betere looks dan de mijne. Ik heb in die drie jaar echter ook dat eenzijdige beeld zien veranderen. In de sportschool waar ik mijn zweeturen slijt, bestaat er iets als eGym. Acht toestellen vormen een cirkel en van toestel tot toestel wordt een andere van je spiergroepen bijgetrimd, van benen over romp tot schouders. Even je armbandje scannen en het toestel weet wie je bent en past zich meteen aan qua positie en qua gevraagde belasting. Mijn geteisterde wervelkolom houdt zich nu stil tussen beter getunede rugspieren. Ik loop rechter en steviger. Dat geeft zelfs een beter zelfbeeld. Echt waar.

Stel dat ik tante Kaat zou heten en u goede raad mocht geven, dan was het deze: laat al die spiergroepen ruim aan het woord. Eenzijdige belasting is voor niemand goed en al zeker niet al u een jaartje ouder wordt en als gewrichten wat minder kloek worden. 

Opmerkelijk is alvast dat in het klassement dat online wordt bijgehouden van de eGym-scholieren twee dames de rangschikking aanvoeren die beiden ouder zijn dan ik. Dat beeld typeert ook de sportschool en is ook één van de redenen voor deze ode. Ik kan er niet zo meteen een exact getal op plakken, maar het (grote) publiek in ‘mijn’ sportschool bestaat voor een aanzienlijk groot deel uit dames op pensioengerechtigde leeftijd. Dat lijkt mij een relatief nieuw fenomeen. Charmant zijn ook de nog oudere koppels. Tachtigers, man en vrouw die elkaar liefdevol met een handdoek staan gade te slaan of een handje helpen. De sportschool is een plek van emancipatie. Een slechtziende man en zijn blinde vrouw komen met de tandem, de blindegeleidehond in een kar meetrekkend. De man vertelde mij in de kleedkamer dat zijn partner tot haar 34steover een normaal gezichtsvermogen beschikte. ‘En ze keek graag in de spiegel’. Ze vindt haar weg tussen de toestellen en fietst, stapt op de loopband of op het steptoestel. Als ze uit de kleedkamer komt, gaat haar hond meteen blaffen aan de andere kant van de zaal. ‘Hier ben ik!’ 

Een jongeman gaat enkel op zondagmorgen niet aan de slag. Alle andere dagen is hij er pakweg twee uur bezig met krachttoestellen. Hij is aan één kant deels verlamd. Hij vertelde me tijdens zijn studententijd, nog niet zo gek lang geleden, een zwaar ongeval gehad te hebben met de auto. Op enkele tientallen plekken vertonen zijn hersenen daar sporen van. Een job hebben is niet mogelijk voor hem. Maar hij zegt zich zot te lezen over sport en over trainen. Het best mogelijke spel met die weinig benijdenswaardige kaarten, weet u. Zijn levenskunst. 

Mijn laatste bekentenis: ik ga nu zo graag naar school dat zelfs mijn fietsuren in polders en langs vaarten er dreigen bij in te schieten. Het gevoel van aan mijn hele lijf te werken en daar fantastisch mooie vruchten van te plukken, dat is wat ik nu mijn sportieve levenskunst laat bepalen. En dat het fietsen nu beter gaat dan ooit, is een zeer fijn neveneffect daarvan. Pure Sensesheet overigens de sportschool waar ik samen met alle andere de vlijtigste van de klas ben. Alleen al voor die titel zou je het doen. 

De esthetica van de sport

Dat ik met mijn VUB-collega Jean Paul Van Bendegem nog eens schrijvenderwijs in debat zou gaan over sport, laat staan over een wereldrecord per velo, ik had het nooit of te nimmer durven verwachten. Jean Paul schreef een blog onder de titel De maakbare fietser, https://www.humanistischverbond.be/blog/127/de-maakbare-fietser/.

Hij formuleerde er een aantal bedenkingen bij het werelduurrecord dat de Belgische hardfietser Victor Campenaerts een paar dagen eerder had gevestigd in Mexico. Ik ga hier niet in op die bedenkingen om de tamelijk eenvoudige reden dat ik het er nagenoeg helemaal mee eens ben.
Op het einde van zijn blog verwijst Jean Paul Van Bendegem naar een opiniestuk dat hij pas na het neerschrijven van zijn sportbeschouwingen onder ogen had gekregen. Dat opiniestuk was mij gevraagd door een redacteur van De Standaard en zou ik nooit hebben geschreven als die vraag er niet was gekomen. Ik heb namelijk niks met records en ik vind recordjacht zelfs een giftig aspect binnen wat ik als een mij sympathieke benadering van het sportgebeuren beschouw. Dat heb ik eerder al uiteengezet in mijn boek Sport als levenskunst. In dat boek probeer ik een visie op sport te formuleren die niet uitgaat van berekenbaarheid en meetbaarheid, dus niet van kwantitatieve elementen, maar van de kwaliteit van de beleving. Records hebben daar geen uitstaans mee.
In mijn opiniestuk in De Standaard wou ik iets schrijven dat wel mijn appreciatie uitdrukte voor wat die besnorde jongeling daar had gepresteerd op Mexicaanse hoogten, zonder daarmee in tegenspraak te komen met mijn eigen kritische bedenkingen bij sport als jacht op de beste of hoogste cijfers. Ik schreef dus iets over de esthetica van een record, intussen ook te lezen op mijn website: https://www.marcvandenbossche.be/category/sportblog/. Jean Paul Van Bendegem had het over een humanistische kijk op de sport. Zo zou ik mijn benadering ook willen omschrijven. Waarom?
In mijn werk als filosoof ga ik uit van het primaat van onze lichamelijkheid. Wij zijn vooreerst als lichamelijke en emotionele wezens in de wereld. De ratio komt pas in tweede instantie en vormt eigenlijk het topje van een ijsberg die voor ons bewuste denken grotendeels opaak is. Ons lichaam denkt vaak voor ons, we worden even vaak lichamelijk en emotioneel gestemd door omgevingsfactoren. Evolutietheoretische overwegingen spelen daar een eminente rol. Als ik nog een boek van mij mag noemen: in De zinnen van het leven ga ik van dit primaat van de lichamelijkheid uit om iets te kunnen vertellen over hoe wij als mensen tot zin en betekenis komen in dat eindige bestaan van ons. Geen enkele hogere, laat staan goddelijke instantie, heeft daar een rol.
Die benadering bestempel ik, met de Amerikaanse filosoof Mark Johnson, als bottom up, wat staat tegenover het top down perspectief dat uitgaat van een verticaal boven ons te situeren instantie. God bijvoorbeeld of een transcendentale Rede. Dat perspectief mag ook nog het predicaat ‘esthetisch’ krijgen, dat in dit geval de plaats inneemt van het predicaat ‘kentheoretisch’. We zijn in de eerste plaats op een esthetische wijze in de wereld, het kentheoretische of epistemologische aspect komt daar pas in tweede instantie bovenop.
Wat heeft dat nu met de sport te maken? Ik vergelijk sport hier graag met kunst. De kunstenaar doet allerlei zeer crteatiefs en innovatiefs met materialen allerhande, maar doet daarbij eigenlijk niet veel anders dan wij wij met z’n allen voortdurend doen in ons alledaagse reilen en zeilen en in confrontatie met de vragen die de wereld ons stelt. Kunst is in die zin een op de spits drijven van ‘gewone’ vaardigheden. Zoals ook bijvoorbeeld poëzie dat doet met ons ‘gewone’ taalgebruik. Voortdurend bedenken wij metaforen, maar poëten bedenken er betere.
Dat zie ik dus ook in de sport. Sportmensen doen dingen die wij vaak doen in onze gebruikelijke praktische omgang met de wereld. Lichamelijk bedenken wij constant een respons op de vragen die uitgaan van de omgeving waarin wij ons bewegen. Net als alle diersoorten dat doen. Als ik het had over de ‘esthetica van een record’, dan bedoelde ik ook dat. Wat Jean Paul Van Bendegem ‘de maakbare fietser’ noemt, is de fietser die zich zo goed mogelijk afstemt op een omgeving. Lucht- en rolweerstand, zithouding, het juiste aanvoelen van de eigen reserves, dat alles wordt afgestemd op dat ene doel: zoveel mogelijke kilometers bollen op een uur tijd. Kwestie van het zoeken naar een optimale efficiëntie. Dat is op zich niet anders dan hoe ik onlangs een lange wandeling maakte bij hevige wind en regen en mij met de paraplu wou beschermen tegen de – in dat geval – ongure elementen. Ook daar zoek je het beste antwoord op de uitdaging waarvoor de omgeving je stelt. En wetenschap en techniek maken voor Campenaerts nu inderdaad heel wat meer mogelijk dan voor Eddy Merckx zoveel jaar geleden. Campenaerts haalt nu betere en hogere cijfers, maar vanuit kwalitatief en esthetisch opzicht deed Merckx natuurlijk niet onder. Beiden kwamen tot dat moment van voldoening en vervulling: een lang aangehouden voorbereiding die resulteert in een esthetisch te smaken hoogtepunt. Zoals ik ook nog net mijn trein haalde na die doorregende wandeling.
En wat collega Van Bendegem doet met zijn wandelingen in Gent beschouw ik als een fijne invulling van die visie van sport als levenskunst.

De esthetica van een record

Ik geef toe: naar het einde van dat fabelachtige wieleruur van Victor Campenaerts schoof ik ook – door lichte nervositeit bevangen – iets meer naar voren in de zetel, hopende dat niet enkel het record van Wiggins aan diggelen ging, maar ook de grens van de 55 kilometer. Dat klinkt anders en beter dan als de besnorde jongeman pakweg negentig meter minder onder de wielen had laten wegrollen. We zijn zo ontzettend veel en graag met cijfers bezig en sport is daarin niet veel anders dan ons maatschappelijke reilen en zeilen in het algemeen. Cijfers maken dingen uniform en vergelijkbaar. In de sport brengt dat een ontkenning van onze eindigheid met zich mee. Op records jagen heeft in die zin iets pervers. We ontkennen fysieke grenzen: waar houdt de recordjacht op? Als we die grenzen al niet op artificiële en zelfs ontoelaatbare wijze pogen te verleggen.
Een record drukt de kwantiteit van een sportieve prestatie uit. We moeten meten en berekenen om een atleet de beste te kunnen noemen. Prestaties worden op die wijze objectiveerbaar. Dat is best oké. Het zorgt er wel voor dat sport louter met interne maatstaven wordt beoordeeld. Maar misschien valt er wel wat meer over te zeggen, bijvoorbeeld over de existentiële en zelfs esthetische dimensie van sport in het algemeen en het neerzetten van records in het bijzonder?
Bekijk nog eens die beelden van Campenaerts, daar op Mexicaanse hoogten. In een sfeer van quasi gewijde stilte jaagt de man quasi metronomisch de pedalen rond in een zo consequent mogelijk volgehouden lijn. Een keer per ronde van 250 meter tilt hij licht het hoofd op om de aanwijzingen van de coach te monsteren. Hoe hij op de fiets zit klopt tot in de kleinste details, zoals in een schilderij elke penseelstreek die plek moet krijgen en geen andere. Ik stel me in zijn plaats en hoor het gezoem van het ritme dat hij aan de piste ontlokt. Dat moet een flow geven: iemand gaat op in een activiteit van opperste concentratie. En van versmelting met een omgeving. Wie intensief aan sport doet, en zeker bij het wielrennen is dat het geval, weet dat het individu niet te scheiden valt van het tuig dat hij bestuurt. Fiets en renner zijn één. Renner en omgeving zijn één. We bewegen ons in een wereld en antwoorden voortdurend op de vragen of eisen die van een omgeving uitgaan. Renners of andere sporters spitsen dat op bijwijlen extreme wijze toe. Sport is een beeld van onze dagdagelijkse manier van in de wereld zijn, maar dan aangescherpt en uitgepuurd. Sport is een existentie op de grens. Die grens kleurt de kwaliteiten waarmee we een leven vorm en betekenis geven.
Maandenlang heeft Campenaerts naar deze prestatie toegeleefd. Van een stage in Namibië tot drie weken acclimatiseren in Mexico, elk van zijn activiteiten werd gedragen door die hoop op het voltooien van dat kunstwerk dat hij zou neerzetten op 16 april. We kennen dat gevoel van voltooiing ook wel van minder spectaculaire handelingen. Een taak voltooien, iets af maken, geeft vaak een gevoel van esthetische voldoening. We hebben naar iets toegeleefd dat ons een tijdlang heeft gestuurd, dat betekenis gaf aan wat we ondernamen, alleen of met anderen. Dat toeleven naar het moment van esthetische voldoening geeft zin aan een leven. Sport toont dat ook weer op uitvergrote wijze, al zal het zelden zo beschreven worden. Het gaat er niet om cijfers, niet om kwantiteit, maar om kwaliteit, om de vorm die een leven krijgt, om de zin waardoor het gedragen wordt. Dat is wat mij als filosoof in het sportgebeuren aantrekt. Dat is wat Victor Campenaerts hier een uur lang meesterlijk in de verf heeft gezet. Dat uur vormde het moment van esthetische voldoening en voltooiing van een minutieus voorbereid werk.
We ervaren veel in ons leven, maar er zijn ervaringen die eruit springen, ervaringen die een leven tekenen en die de uitkomst zijn, de voltooiing, van een reeks opeenvolgende ‘gewone’ ervaringen. Die ene ervaring geeft betekenis aan al wat voorafging en kleurt wat daarop volgt. Een kunstwerk geeft betekenis aan alle losse elementen waarmee het is opgebouwd en die op zich niet noodzakelijk zin- of betekenisvol zijn. Als sport een beeld van het leven kan opleveren dan zou het voor mijn part dat mogen zijn: het geduldige knutselen aan een proces dat uitmondt in esthetische voldoening. Dat is wat Campenaerts hier zeer scherp heeft getoond. Dat is wat sport ook kan doen in ons leven. Als filosoof boeit mij dat meer dan die grens van de 55 kilometer. Al zou ik die momenten van vervoering en empatisch opgewekte extase natuurlijk niet willen missen. Zelfs al gaat het dan om een weg te vegen cijfer.


Grenzen verleggen (bis)

Sportmensen en filosofen hebben minstens één vraag, lees: probleem, gemeen. Het gaat om een vraag of een probleem waar geen eensluidende oplossing voor bestaat. Je kan er alleen maar in het reine mee komen, je telkens opnieuw afstemmen op de onvermijdelijkheid ervan. Laten we het misschien eerder een uitdaging noemen dan een probleem of een vraag: de uitdaging die ons wordt gesteld door de eindigheid van ons lijf. Voor filosofen houdt die uitdaging in de euvele moed toch te durven gewagen van iets als een zinvol leven. Oké, we vertrekken dan ooit wel eens naar de eeuwige jachtvelden, maar ondanks dat nooit te vermijden vertrek, maken we er hier en nu, op deze ook al eindige aardkluit het beste van en we noemen dat zinvol of betekenisvol. En voor mijn part zwijgen filosofen er vervolgens best zoveel mogelijk over hoe je dat zinvolle accent op het verhaal van je leven kan neerpoten. Ieder zoekt de eigen maat.
Voor sportmensen geldt iets gelijkaardigs. Hun eindigheid is op het eerste gezicht minder dramatisch dan dood gaan, maar we weten allemaal zeer goed dat het daar bijwijlen minstens de schijn van heeft. Wat als ik niet meer kan sporten? Hoe zinloos zou dat leven er dan plots uitzien? In de filosofische verhalen die ik vertel heb ik het graag over datgene waardoor wij gedragen worden in het leven. Iets is onderliggend aan het overgrote deel van onze manier van denken en handelen. Sport en de zelfzorg die ermee gepaard gaat kan die dragende dimensie aanbrengen. Wie goed en fijn en bewust wil sporten laat zich sturen door wat daarvoor nodig is: oefening, voeding, rust, evenwicht… We laten toe dat sport zin en betekenis geeft aan ons leven, ook al gebeurt dit vaak op een onbewuste, quasi organische manier. Ons lijf heeft een eigen verstand.
Ik heb lange tijd niet meer over sport geschreven. Mijn laatste column voor deze pagina’s hier dateert van 8 oktober 2016. Dat is althans de dag waarop ik ze schreef. Ik probeerde daar – inderdaad – in het reine te komen met een hakkelend en tegenpruttelend lijf. Sport is fantastisch tof en leuk en boeiend, maar het kan ook wel eens gebeuren dat pijn al dat positiefs gaat overstemmen. Dan lijkt een grens bereikt. In die laatste column – die dezelfde titel had als de huidige, maar dan zonder (bis) – pleitte ik ervoor grenzen niet te zien als iets waar we een einde bereiken, maar integendeel als een plek waar iets nieuws begint. Kwestie van een ander perspectief te hanteren. Mijn column had toen wellicht iets therapeutisch’. Ik zocht een filosofisch doekje voor het bloeden. Existentiële EPO. Maar eigenlijk was ik een beetje afscheid aan het nemen. U vergeve mij dat ik mijn medische problematiek hier niet meteen open en bloot beschrijf, maar het nieuws dat ik in enkele weken tijd te verwerken had gekregen over de toestand van mijn botten en gewrichten en van mijn hart, maakten me toendertijd moedeloos. Het zou nooit meer worden als voorheen. Hardlopen zou ik niet meer kunnen. Fietsen zou blijven pijn opleveren en ging om cardiologische redenen liever bergaf dan bergop. En zelfs als ik mijn vrouw te diep in de ogen keek, begon ik mij al af te vragen of mijn hartfrequentie niet te lang in het rood ging.

Sportmensen en filosofen hebben minstens één vraag, één probleem gemeen. Het gaat om een vraag of een probleem waar geen eensluidende oplossing voor bestaat. Je kan er alleen maar in het reine mee komen, je telkens opnieuw afstemmen op de onvermijdelijkheid ervan. Wat hen verder verenigt, of dat althans zou kunnen, is dat ze die vraag blijven stellen, dat ze telkens nieuwe antwoorden bedenken, nieuwe oplossingen zoeken en zien, zich telkens opnieuw afstemmen op de onvermijdelijkheden die ’s mensen existentiële en sportieve wegen kruisen. Elke nieuwe grens biedt altijd en onvermijdelijk een nieuw perspectief, een nieuw uitzicht op een toekomst die je weliswaar anders invult, maar even zinvol, even betekenisvol. Ik citeerde in die colum van 8 oktober 2016 een fragmentje uit een gesprek dat ik tien jaar eerder met Marc Herremans had voor de krant De Morgen. Hij zei dat ons leven op een kaartspel lijkt. Soms krijg je goeie kaarten. Soms slechte. Maar met de kaarten die je krijgt, tracht je altijd het beste spel te spelen. Dat vind ik nog altijd een ongelooflijk schone wijsheid. Herremans heeft dat zelf fantastisch knap aangepakt.
Pas recent ben ik gaan beseffen dat ik ook ben blijven spelen met die kaarten die weinig goeds beloofden ondanks mijn initiële onheilsstemming na alle medische wanklanken. Ik las een tekstje van een oud student van mij. Hij beschreef hoe hij zich op zijn veertigste nu stukken beter voelt dan op zijn twintigste. Mede omdat hij beginnen sporten is. In de dromerige bui die volgde op het lezen van dat stukje tekst, stotterde ik – stilletjes in gedachten – iets gelijkaardigs: als ik verder ga als nu voel ik mij volgend jaar op mijn zestigste stukken beter dan eerder op mijn dertigste. Kwestie van afgeronde getallen te gebruiken. Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik nog zo goed en leuk en fijn kon sporten als nu. Ondanks de hoger beschreven carrosseriële en anderssoortige problemen.
En de zin om te schrijven kwam ook terug. Filosofen moeten dan misschien wel niet té expliciet aan anderen uitleggen, laat staan voorschrijven, hoe zij tot een betekenisvol en goed leven komen, maar ik mag misschien toch wel het verhaal doen over hoe ik tot deze grens-met-fantastisch-vergezicht hier en nu gekomen ben? En welk perspectief ik zie.
Dus dacht ik: schrijf aan de hoofdredacteur een vriendelijk bericht met de vraag of je terug je filosofisch-sportieve hersenspinsels kwijt kan op zijn virtuele pagina’s. Zeg dat je mensen wil tonen dat elke grens een nieuw begin kan zijn. Dat opgeven misschien niet hoeft ook al lijkt dat zo en ook al wordt je dat niet letterlijk aangeraden, maar je begrijpt het wel zo. Vraag hem of je een reeks sportblogs mag schrijven over je klauterpartij vanuit de peilloos lijkende diepte van de spreekwoordelijke lappenmand. Hoe je over het randje van de mand al na enkele maanden opnieuw de wenkende verte zag van veel en fijn en leuk sporten. Hoe dat misschien een beetje inspirerend kan werken voor de lezers hier. Beloof er gratis en voor niks wat levensfilosofie aan toe te voegen, dat is tenslotte je job. Als die hoofdredacteur die reeks nu liever ‘sportief dagboek van een koppige ezel’ noemt, zeg je dat dit ook goed is. Het verhaal gaat hoe dan ook over het leren luisteren naar een lijf. Hoe dat lijf vraagt: probeer dat eens of dat. En hoe dat wellicht afwijkt van de gebruikelijke regeltjes. Koppig. Eigenzinnig. Zeg maar. Ik ben geen toptrainer, maar een geschoold en professioneel werkzaam filosoof. Van een filosoof kan je leren dat de werkelijkheid altijd maar een mogelijkheid is. En dat er meerdere mogelijkheden zijn die je werkelijkheid kunnen kleuren.

De weg

In een interview in Knack Focus vertelde Peter Terrin eens over zijn bezigheden naast of buiten het schrijven. Hij blijkt een voorliefde te hebben voor het ‘verzamelen’, in casuhet verzamelen van oude schrijfmachines. Daarnaast, en hier gaat het mij natuurlijk om, zegt hij iets opmerkelijks: ‘Kilometers, dat verzamel ik op middelbare leeftijd ook, met mijn koersfiets, een schitterende machine, en dat zo veel en zo vaak als ik maar kan. Woorden en kilometers, ze wisselen elkaar af; ik ga elke dag op zoek naar buit’. 

Ik scheur het interview uit het tijdschrift en leg het op het stapeltje documentatie dat ik – nou ja – verzamelde om er uiteindelijk deze column uit te destilleren. Mijn fascinatie gaat al enkele weken uit naar het fenomeen van ‘de weg’. Elders in dit nummers begin ik mijn relaas over ‘mijn’ Ventoux met de opmerking dat wij in ons spreken vaak metaforen gebruiken die verwijzen naar onze lichamelijke manier van in de wereld zijn. Wat is een metafoor? Het is een beeldspraak waarbij een vergelijking wordt gehanteerd die letterlijk genomen nergens op slaat, maar die in figuurlijke zin veelzeggend is en die we allemaal begrijpen. Als we het hebben over ‘de weg naar wijsheid’, dan zal geen kat zich een beeld van die weg proberen voor de geest halen (een kasseibaantje, een snelweg?…), maar we snappen toch allemaal wat hier gezegd wordt. Je moet iets doen, je moet in beweging komen om die wijsheid te bereiken. Ze ligt niet hier en nu voor het rapen. De koersfiets van Peter Terrin, de weg naar wijsheid waar in het Boeddhisme wordt naar verwezen of de wandelingen van Aristoteles met zijn leerlingen: er is iets met wegen en wijsheid, met kennis zelfs. Lees De oude wegen, een schitterende bundel essays van Robert MacFarlane. Ik citeer: ‘Het pact tussen lopen en schrijven is bijna zo oud als de literatuur zelf – een wandeling is maar één stap verwijderd van een verhaal, en elk pad vertelt’.

Ik kende de naam van George Borrow niet voor ik het boek van MacFarlane las. Borrow legde in de jaren twintig van de negentiende eeuw duizenden kilometers te voet af. De man leerde op zijn tochten vele talen kennen. Naar verluidt sprak hij er op zijn achttiende al twaalf. Dat zouden er in de loop van zijn leven om en bij de veertig worden, waaronder het Nahuatl en het Tibetaans. In de winter van 1832 vroeg de British and Foreign Bible Societyhem om een onderhoud over de mogelijkheid de bijbel in enkele minder gebruikelijke talent te vertalen. Hij vertrok, te voet, vanuit Norwich en legde in zevenentwintig uur ongeveer honderdtachtig kilometer af. Zijn bevoorrading bestond uit een groot glas bier, een glas melk, een broodje en twee appels. Hij aanvaardde de opdracht het Nieuwe Testament in het Mantsjoe te vertalen, maar verzweeg daarbij wijselijk dat hij die taal niet kende. De man schafte zich een aantal boeken aan, reisde terug per koets en bleek drie weken later in staat aan de vertaling te beginnen. Ik schrik er niet van als ik lees dat Borrow de lange wandelingen ook gebruikte om zijn depressies te boven te komen. In 1867 wandelde ene John Muir ruim vijftienhonderd kilometer van Indianapolis neer de Florida Keys. Vijfentwintig jaar later werd The Sierra Clubopgericht. De clubleden werden geïnspireerd door Muirs overtuiging dat het lichamelijke contact van de wandelaar met de ongerepte wereld zowel wereld als wandelaar te goede kwam. Wandelen, op weg gaan, hebben van oudsher alle uitstaans met kennis in het algemeen en zelfkennis in het bijzonder. Wallace Stevens, een Amerikaanse modernistische dichter: ‘Misschien hangt de waarheid af van een wandeling rond een meer’. De Deens filosoof Sören Kierkegaard meende dat de geest optimaal functioneert bij een wandeltempo van 4,5 kilometer per uur. In zijn dagboek schrijft hij dat hij tijdens een zwerftocht zo door ideeën overweldigd raakte dat hij bijna niet meer kon lopen. Wandelen is dus niet zozeer een middel om tot kennis te komen, het is het voertuig van de kennis zelf. Een Apache-stam noemde alle vormen van nagedachtenissen, bijvoorbeeld verhalen of liedjes, gewoonweg ‘voetafdrukken’. Het Klinchon-volk uit Noord-Canada heft slechts één woord voor zowel kennis als voetafdruk. We denken met onze voeten, schreef Friedrich Nietzsche. Charles Darwin had door het bos en de akkers rond zijn huis een kronkelig zandpad laten aanleggen. Dagelijks wandelde hij daar en hij noemde dat zijn denkwerk. 

Wandelen, het afleggen van een weg, leidt tot inzicht. Ja, goed. Ik bedacht dat tijdens mijn verblijf aan de Mont Ventoux. Het idee om iets over het fenomeen van ‘de weg’ te gaan schrijven begon te rijpen op de flanken van de ‘Kale Berg’. Ik wou te voet naar de top, maar niet langs de geijkte wegen waar ook auto’s hun ding kunnen komen doen. Ik zocht dus een weg door de bossen, zij het eerst tussen uitgedroogde struiken langs zanderige wegen met onaangenaam te bewandelen stenen. Ik vond de weg niet. De ideeën vonden mij wel. Ruw. Onafgewerkt. Uitdagend. Ik dacht aan soorten wegen. Er is de weg op de Ventoux die ik eerder al was opgefietst, zoals zovele anderen al. Het is de gebaande weg, de geijkte weg. De weg die je niet moet zoeken. De Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer verwijst naar de oorsprong van ons woordje ‘methode’. Dat is afgeleid van het Griekse methodosen betekent iets als ‘de weg van het nagaan’. Nagaan kan slaan op het ‘nog eens afleggen’, maar ook op het ‘controleren’. De weg van het nagaan is de weg die is vastgelegd, de weg die geen verrassingen meer biedt, die voorspelbaar is. We hebben die weg soms nodig. Stel dat die vele fietsers ook nog eens zouden moeten gaan zoeken op de flanken van de ‘Kale’. Een andere Duitse filosoof, Martin Heidegger, noemde een bundel essays van hem Holzwege. Hij kwam tot dat woord tijdens zijn wandelingen in het Zwarte Woud. Holzwege zijn weggetjes die door houthakkers worden gemaakt. Ze leiden naar nergens. Ze getuigen enkel van het zoeken naar hout. 

Verschillende wegen, verschillende soorten van denken. Maar de weg heeft dus iets met denken. Denken heeft iets met een manier van bewegen. Ik zit hier een beetje te stotteren. Zie de weg niet duidelijk genoeg. Ik wil iets zeggen, maar kan er niet de hand opleggen. Zoals al gezegd: het idee om dit te schrijven rijpte tijdens een wandeling op de Ventoux. En dat ik er de weg niet vond. Geeft u me nog een paar wandelingen tijd?