De weg

In een interview in Knack Focus vertelde Peter Terrin eens over zijn bezigheden naast of buiten het schrijven. Hij blijkt een voorliefde te hebben voor het ‘verzamelen’, in casuhet verzamelen van oude schrijfmachines. Daarnaast, en hier gaat het mij natuurlijk om, zegt hij iets opmerkelijks: ‘Kilometers, dat verzamel ik op middelbare leeftijd ook, met mijn koersfiets, een schitterende machine, en dat zo veel en zo vaak als ik maar kan. Woorden en kilometers, ze wisselen elkaar af; ik ga elke dag op zoek naar buit’. 

Ik scheur het interview uit het tijdschrift en leg het op het stapeltje documentatie dat ik – nou ja – verzamelde om er uiteindelijk deze column uit te destilleren. Mijn fascinatie gaat al enkele weken uit naar het fenomeen van ‘de weg’. Elders in dit nummers begin ik mijn relaas over ‘mijn’ Ventoux met de opmerking dat wij in ons spreken vaak metaforen gebruiken die verwijzen naar onze lichamelijke manier van in de wereld zijn. Wat is een metafoor? Het is een beeldspraak waarbij een vergelijking wordt gehanteerd die letterlijk genomen nergens op slaat, maar die in figuurlijke zin veelzeggend is en die we allemaal begrijpen. Als we het hebben over ‘de weg naar wijsheid’, dan zal geen kat zich een beeld van die weg proberen voor de geest halen (een kasseibaantje, een snelweg?…), maar we snappen toch allemaal wat hier gezegd wordt. Je moet iets doen, je moet in beweging komen om die wijsheid te bereiken. Ze ligt niet hier en nu voor het rapen. De koersfiets van Peter Terrin, de weg naar wijsheid waar in het Boeddhisme wordt naar verwezen of de wandelingen van Aristoteles met zijn leerlingen: er is iets met wegen en wijsheid, met kennis zelfs. Lees De oude wegen, een schitterende bundel essays van Robert MacFarlane. Ik citeer: ‘Het pact tussen lopen en schrijven is bijna zo oud als de literatuur zelf – een wandeling is maar één stap verwijderd van een verhaal, en elk pad vertelt’.

Ik kende de naam van George Borrow niet voor ik het boek van MacFarlane las. Borrow legde in de jaren twintig van de negentiende eeuw duizenden kilometers te voet af. De man leerde op zijn tochten vele talen kennen. Naar verluidt sprak hij er op zijn achttiende al twaalf. Dat zouden er in de loop van zijn leven om en bij de veertig worden, waaronder het Nahuatl en het Tibetaans. In de winter van 1832 vroeg de British and Foreign Bible Societyhem om een onderhoud over de mogelijkheid de bijbel in enkele minder gebruikelijke talent te vertalen. Hij vertrok, te voet, vanuit Norwich en legde in zevenentwintig uur ongeveer honderdtachtig kilometer af. Zijn bevoorrading bestond uit een groot glas bier, een glas melk, een broodje en twee appels. Hij aanvaardde de opdracht het Nieuwe Testament in het Mantsjoe te vertalen, maar verzweeg daarbij wijselijk dat hij die taal niet kende. De man schafte zich een aantal boeken aan, reisde terug per koets en bleek drie weken later in staat aan de vertaling te beginnen. Ik schrik er niet van als ik lees dat Borrow de lange wandelingen ook gebruikte om zijn depressies te boven te komen. In 1867 wandelde ene John Muir ruim vijftienhonderd kilometer van Indianapolis neer de Florida Keys. Vijfentwintig jaar later werd The Sierra Clubopgericht. De clubleden werden geïnspireerd door Muirs overtuiging dat het lichamelijke contact van de wandelaar met de ongerepte wereld zowel wereld als wandelaar te goede kwam. Wandelen, op weg gaan, hebben van oudsher alle uitstaans met kennis in het algemeen en zelfkennis in het bijzonder. Wallace Stevens, een Amerikaanse modernistische dichter: ‘Misschien hangt de waarheid af van een wandeling rond een meer’. De Deens filosoof Sören Kierkegaard meende dat de geest optimaal functioneert bij een wandeltempo van 4,5 kilometer per uur. In zijn dagboek schrijft hij dat hij tijdens een zwerftocht zo door ideeën overweldigd raakte dat hij bijna niet meer kon lopen. Wandelen is dus niet zozeer een middel om tot kennis te komen, het is het voertuig van de kennis zelf. Een Apache-stam noemde alle vormen van nagedachtenissen, bijvoorbeeld verhalen of liedjes, gewoonweg ‘voetafdrukken’. Het Klinchon-volk uit Noord-Canada heft slechts één woord voor zowel kennis als voetafdruk. We denken met onze voeten, schreef Friedrich Nietzsche. Charles Darwin had door het bos en de akkers rond zijn huis een kronkelig zandpad laten aanleggen. Dagelijks wandelde hij daar en hij noemde dat zijn denkwerk. 

Wandelen, het afleggen van een weg, leidt tot inzicht. Ja, goed. Ik bedacht dat tijdens mijn verblijf aan de Mont Ventoux. Het idee om iets over het fenomeen van ‘de weg’ te gaan schrijven begon te rijpen op de flanken van de ‘Kale Berg’. Ik wou te voet naar de top, maar niet langs de geijkte wegen waar ook auto’s hun ding kunnen komen doen. Ik zocht dus een weg door de bossen, zij het eerst tussen uitgedroogde struiken langs zanderige wegen met onaangenaam te bewandelen stenen. Ik vond de weg niet. De ideeën vonden mij wel. Ruw. Onafgewerkt. Uitdagend. Ik dacht aan soorten wegen. Er is de weg op de Ventoux die ik eerder al was opgefietst, zoals zovele anderen al. Het is de gebaande weg, de geijkte weg. De weg die je niet moet zoeken. De Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer verwijst naar de oorsprong van ons woordje ‘methode’. Dat is afgeleid van het Griekse methodosen betekent iets als ‘de weg van het nagaan’. Nagaan kan slaan op het ‘nog eens afleggen’, maar ook op het ‘controleren’. De weg van het nagaan is de weg die is vastgelegd, de weg die geen verrassingen meer biedt, die voorspelbaar is. We hebben die weg soms nodig. Stel dat die vele fietsers ook nog eens zouden moeten gaan zoeken op de flanken van de ‘Kale’. Een andere Duitse filosoof, Martin Heidegger, noemde een bundel essays van hem Holzwege. Hij kwam tot dat woord tijdens zijn wandelingen in het Zwarte Woud. Holzwege zijn weggetjes die door houthakkers worden gemaakt. Ze leiden naar nergens. Ze getuigen enkel van het zoeken naar hout. 

Verschillende wegen, verschillende soorten van denken. Maar de weg heeft dus iets met denken. Denken heeft iets met een manier van bewegen. Ik zit hier een beetje te stotteren. Zie de weg niet duidelijk genoeg. Ik wil iets zeggen, maar kan er niet de hand opleggen. Zoals al gezegd: het idee om dit te schrijven rijpte tijdens een wandeling op de Ventoux. En dat ik er de weg niet vond. Geeft u me nog een paar wandelingen tijd?

Grenzen verleggen

Ik gaf onlangs een lezing aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, ter opening van het academiejaar. Locatie was de Janskerk, die ondanks het verlies van voorvoegsel Sint- nog altijd een gewijde sfeer blijft uitstralen. Op voorhand had ik al bij wijze van opdracht meegekregen dat mijn lezing het thema van de menselijke eindigheid diende te behandelen, maar dan met de uitdrukkelijke vraag daar ook een wending van optimisme aan te geven. Dat kwam er zo ongeveer op neer: oké, we gaan allemaal dood, maar toch heeft ons leven zin. Misschien,dacht ik, kunnen we die vraag naar zin zelfs enkel stellen net omdat we eindig zijn. Stel dat je eeuwig zou blijven leven, dan doet het er eigenlijk niet zoveel toe wat je hier zoal uitspookt op deze eindige aardkluit. Je hebt dan altijd alle tijd om een nieuw startschot te geven ter verbetering van dat weliswaar vleselijke, maar in dit geval niet gestaag uitdovende leven van ons. 

We weten beter. We zijn eindige wezens en op een dag worden we daar mee geconfronteerd. Dat is hier echter niet mijn punt. Er is nog een andere dimensie aan dat eindige aspect van ons leven: we worden ouder. Dat weten we altijd. Er zijn zelfs fases in het leven waar we daarnaar verlangen: was ik maar een paar jaar ouder, dan zou ik… Vul maar in. Met die eindigheid van ons gaat echter ook altijd een ander keerpunt gepaard. Dat is het moment waarop je zucht: was ik maar een paar jonger, dan zou ik… Vul maar in.

Voor ons, sportomhelzende wezens, is die invulling tamelijk voorspelbaar. Onze hoogstpersoonlijke zucht zal dan altijd iets laten meeklinken van hoe het een paar jaar geleden nog sneller, harder, hoger ging. En daar in één adem aan toegevoegd: en dus beter. 

Ik vertaal mijn opdracht in die Utrechtse kerk naar dit gegeven: hoe dan nog optimistisch te blijven? Anders geformuleerd: hoe behoud ik de goesting in sport nu ik geconfronteerd word met lijfelijk verval en alzeker met de niet meer te loochenen vastelling dat het voortaan noch hoger, noch sneller, noch verder zal gaan. Stoutmoedigheid fluistert mij nu in: maar toch beter. En dan zet ik daar een uitroepteken achter. Maar toch beter! 

Hoe komt die man daar bij?, vraagt u zich af. Misschien zelfs denkt u: wat zou zo’n filosoof daar over te vertellen hebben? Wel, bekijk het inderdaad misschien eens filosofisch. In een boek dat ik op dit moment aan het voltooien ben, getiteld De zinnen van het leven,pleit ik voor een zeer down-to-earth benadering, waarin zingeving ondermeer ook te maken heeft met de verhalen die we onszelf over onszelf vertellen. Narratieven heet dat in duur filosofisch Nederlands. Het zeer grote voordeel van verhalen is dat ze altijd kunnen herschreven worden. Ik denk dat we dat eigenlijk ook wel voortdurend moéten doen. Kwestie van survival. Wie zijn verhaal niet kan aanpassen aan nieuwe uitdagingen, problemen of vragen die opduiken op de eigen levensweg, dreigt wat makkelijker op de existentiële bek te gaan, dan wie dat wel kan.

Ik dacht zo dat we misschien de woordenschat die we gebruiken om iets over onze onderliggende drijfveren bij ons aller sportactiviteit zouden kunnen bijschaven. Bijvoorbeeld op het moment dat je gaat bedenken dat het een paar jaar geleden toch sneller en hoger en verder ging. We spreken af dat u voortaan niet meer zegt: en dus beter. Want met wat had dat ‘beter’ te maken? De kans is groot dat dit in je eigen narratief vervat zat waarin je het had over ‘mijn grenzen verleggen’. Waar leg je dan die grens? Een beetje hoger, een beetje verder, een beetje sneller. Dat doe je tot die grens zichzelf oplegt. Hij doet dat op het moment van je net-iets-teveelste verjaardag of hij doet dat via het strenge oordeel van een dokter waar je gaan klagen bent over een fysiek mankement. ‘Ken uw limieten, mevrouw, mijnheer’. Limieten? Waren dat niet die dingen waarvan we in de eerste plaats vonden dat ze moesten verlegd worden?

Als u mij toelaat even in het pluraliste spreken: wat is nu eigenlijk ons probleem met die grens? Met ‘ons’ bedoel ik: het verzamelde sportgild aan wie die grens zich geheel spontaan en even onontkoombaar heeft aangediend. En als u nog niet tot dat compartiment van het sportgild behoort: eens komt hij toch, die grens.

Hoe zien we gebruikelijkerwijs dat fenomeen? Ik vermoed, maar ben er eigenlijk nogal straf van overtuigd: de grens zien we als datgene waar iets ophoudt. De grens is altijd die plek waar we niet meer verder kunnen. We stuiten op limieten. Zelfs na noeste trainingsarbeid houdt het daar op nogal onverbiddelijke wijze op met dat hoger, verder en sneller. De grens is een eindpunt. Verlegbaar. Dat zeker. Maar even zeker: beperkt verlegbaar.

Maar moeten we het zo zien? Neen. Het kan ook anders. Laten we vooral uitgaan van dat misschien soms vervelende, maar nooit te vermijden fenomeen van de menselijke eindigheid. Als je het goed bekijkt zit die grens gewoon ingebakken in ons leven. Altijd. 

Volgende vraag: hoe knoop ik daar een bundeltje optimisme aan vast? Mijn voorstel: door die grens te zien als een begin en niet als een einde. Mijn grens, dat wil zeggen mijn altijd aanwezige beperktheid ten gevolge van leeftijd of de mij kenmerkende fysieke potentie, dat is waar ik bij begin, niet waar ik eindig. Dat ik altijd een grens heb, bepaalt de mogelijkheden van wat ik doe. In dit geval: als sportomhelzend wezen. In 2006, had ik voor De Morgeneen gesprek met triatleet Marc Herremans. We hadden het uiteraard over de limieten die hem waren opgelegd na zijn zware ongeval. Hoe hij dat existentieel kaderde, ben ik nooit vergeten. ‘Het leven is als een kaartspel’, zei hij. ‘Je speelt met de kaarten die je krijgt’. Soms zijn dat goeie kaarten, soms minder goeie. Maar altijd speel je het best mogelijke spel. In mijn terminologie: de grenzen van onze fysieke toestand krijgen we altijd opgelegd, maar we zien die niet als een beperking, maar als mogelijkheid. De ons eigen mogelijkheid. Nog in mijn voorstel: die mogelijkheden maken de kern uit van mijn vrijheid. Hoe ik mijn ding doe, mag dan wel altijd en onontkoombaar een bepaalde limiet kennen, toch speel ik mijn spel met die kaarten. Het is op die wijze dat ik mijn vrijheid geniet. En die is altijd relatief. Maar ze is er wel. Omarm ze.

Wat kan dat verder nog betekenen?

Stel dat een prijs wordt uitgereikt voor de top drie van motivaties die mensen opdiepen om hun sportactiviteiten van enige uitleg te voorzien, dan zou het wel eens kunnen dat ‘mijn grenzen’ verleggen podiumambities kan koesteren. Ik vind een boek terug dat de titel Hardlopen. Met succes je grenzen verleggen draagt. In interviews komt dat mantra zowat even vaak terug als de wens voor de gezondheid te zorgen, stress even efficiënt te verminderen als het lichaamsgewicht, het sociaal aspect van sportevenementen en het verlangen thuis af en toe weg te kunnen. Dat laatste dan stilzwijgend of hooguit tegen zichzelf gemompeld. Maar die grenzen verleggen – bedoeld wordt: die van jezelf – daar willen we allemaal wel mee aan de slag. Het klinkt een beetje stoer. Het geeft een drive. Basketlegende Michael Jordan gaf er in een straffe uitspraak nog een bijkomende dimensie aan. Hij meende dat die grenzen, net als angst, niet meer dan een illusie zijn. Lees: negeren die dingen. Op naar verder, langer, meer. Daar zit nu net het probleem. Verder, langer en meer, zijn fenomenen die we op kwantitatieve wijze kunnen uitdrukken. Ze zijn meetbaar en in getallen uit te drukken. Ik heb daar niks op tegen. De competitieve sportwereld drijft er op. Maar het zijn natuurlijk ook net die fenomenen die ooit, eens, altijd op een grens zullen stuiten. Een topsportcarrière eindigt dan daar of doet nog wat in een flauwe afschaduwing van weleer verder. Maar daar hebben wij niet noodzakelijk een boodschap aan. Met wij bedoel ik nu de sportomhelzende recreatievelingen die hun boterham op andere wijzen verdienen dan door hoger, sneller en beter te gaan dan al die anderen die hetzelfde willen. Wat willen wij? (Met nogmaals excuus voor de misschien ongewenste meervoudsvorm.) Wij willen een goed leven. Wij willen kwaliteit in dat leven. Die kwaliteit meten we niet. We voélen ze. Om die kwaliteit gaat het ons in onze sportesbattementen. We streven die na in dialoog met wat ons gegeven is en dus beginnend bij de grenzen die we altijd meedragen. Kan ik die grenzen verleggen? Ja, maar niet blijvend. Vooral: ze verleggen zichzelf. Mezelf verstaan, is mezelf verstaan vanuit die gegevenheid. Daar ga ik mee aan de slag. Daar ben ik vrij. Omdat ik vrij ben, zal ik altijd evenveel goesting blijven hebben en misschien zelfs alsmaar meer. Hoe dan ook is er dan geen reden meer om ermee op te houden. Kaarten om mee te spelen, krijg je altijd. En in mijn voorstel win je eigenlijk ook altijd. 

Olympisch denken

Bekijken we even het grote veld van wat er zoal bestaat aan sportcompetities. Provinciale kampioenschappen, nationale kampioenschappen, Europese kampioenschappen, wereldkampioenschappen… We vinden ze in die opgaande lijn belangrijk. We weten ook tamelijk goed wat er in die evenementen op het spel staat. Goed getrainde meisjes, jongens, dames en heren komen er hun best mogelijke ding doen. Ze oefenen daar veel en lang voor. Een niet onaanzienlijk aantal onder hen verdient er een bijwijlen goed belegde boterham mee. Allen, met of zonder pecuniaire voordelen, kennen echter ook het fenomeen van de passie voor wat ze doen. Voor hen is sport een activiteit die hun dagen en nachten kleur, vorm en betekenis geeft gedurende een groot deel van het actieve leven. 

Hogervermeld reeksje kampioenschappen figureert vanuit een duidelijke achterliggende gedachte: ze heten competities te zijn en in een competitie wil je het zo goed mogelijk doen. Beter dan anderen. Soms beter dan jezelf een vorige keer. Winnen kan er doorgaans maar één. Maar het is ook wel de al dan niet natte droom van velen om dat zelf te doen. Deelnemen is tof. Maar winnen, dat is toch wel het allertofste.

Behalve blijkbaar als we het over de Olympische Spelen hebben. Deelnemen heet daar volgens een hardnekkig standhoudende wijsheid belangrijker te zijn dan winnen. Maar is dat zo? En zou het die gedachte zijn – de Olymische gedachte –  die maakt dat we dat vierjaarlijkse evenement toch nog een stevig tikje hoger lijken in te schatten dan het hele lijstje kampioenschappen hierboven, daarbij inbegrepen wereld- en andere mondiaal ingevulde sportevenementen? Tenslotte verlaat Fabian Cancellara vroeger de Tour om beter voorbereid naar Rio te kunnen vertrekken. En hij is niet de enige topsporter die verklaart er bij te willen zijn op de Spelen, ook al heeft hij of zij in principe daar niets meer te bewijzen. Of bekijk deze simpele vraag: wanneer gaat u voor tv zitten om een potje kleiduifschieten te bekijken? Dat doet u tijdens de Olympische Spelen als een landgenoot kans maakt op een medaille. Alleen maar dan.

Voor alle duidelijkheid: dat motto van deelnemen dat belangrijker is dan winnen, vormt helemaal niet de kern van de Olympische gedachte of het Olympisme. Het Olympisch charter maakt er op geen enkele wijze gewag van. Maar, bekijk die woorden nog eens goed, dàt die OS een charter hebben, dat er iets als een Olympische gedachte bestaat, dat we het over het Olympisme kunnen hebben, net dat maakt het zo verschillend van provinciale, nationale of wereldkampioenschappen. De Olympische Spelen zouden de Sport dus vierjaarlijks moeten etaleren als een fenomeen met een missie. 

Het Olympisch charter pretendeert dan ook een levensfilosofie onder zeer verheven woorden te willen brengen. Het charter op zich, althans de laatste herwerkte versie van augustus 2015, omvat 105 pagina’s, waarvan het grootste deel eerder saaie, maar uiteraard noodzakelijke, juridische materie omvat. Het filosofische licht van de Olympiër staat gans in het begin, nog voor het eerste hoofdstuk op gang komt, onze sportieve hemel aan duisternis te onttrekken en doet dat bij monde van zes principes. Eigenlijk zijn het er zeven, maar het laatste zegt gewoon dat je de zes eerdere daadwerkelijk ter harte moet nemen.

Wat vinden we in die zes principes? Het eerste heeft het over het Olympisme als een levensfilosofie die zich richt op het verbeteren van lichaam, wil en geest. Dat dient op een evenwichtige manier te gebeuren en in onderlinge harmonie van deze drie vermogens. Bovendien zou sport in een hechte relatie met cultuur en educatie dienen te verkeren. 

Het Olympisme hoopt een manier van leven te kunnen promoten dat uitgaat van het plezier van de inspanning en dit verzoent met een gevoel van sociale verantwoordelijkheid en respect voor fundamentele ethische principes. In het tweede principe wordt de focus verlegd van het eerder individuele naar het sociale en krijgt de Olympische sporter de vraag voorgelegd een vreedzame samenleving voor ogen te houden en bekommerd te zijn om het behoud van de menselijke waardigheid. Uit het derde principe blijkt dat deze ethisch, filosofische en politieke aspiraties een uitgesproken mondiaal karakter hebben en zich richten op alle continenten wereldwijd. Het hoogtepunt van al dit streven is dan uiteraard het vierjaarlijkse sportfestival, waarbij de vijf ringen van de vlag ook de vijf continenten symbolizeren en zo het beeld vormen van gewenste solidariteit en vreedzaam streven. Verder staat nog te lezen dat het beoefenen van sport als een mensenrecht geldt. Even belangrijk, in het zesde principe: de rechten en vrijheden die in dit Olympisch charter worden beschreven dienen voor iedereen te gelden, wat betekent dat discriminatie omwille van ras, kleur, taal religie, politieke overtuiging of seksuele voorkeur als ontoelaatbaar wordt beschouwd. 

Dat lijkt nu misschien allemaal tamelijk evident, maar dat was het zeker niet op het moment dat baron Pierre de Coubertin in de late jaren negentig van de negentiende eeuw de Spelen van de Griekse oudheid liet herleven. In een tekst uit 1908 waarin hij uitlegt waarom hij de OS vanonder het historische stof had gehaald, staat letterlijk te lezen dat het hem te doen was om het verder tot perfectie brengen van de sterke, hoopvolle jeugd van het blanke ras om zo de verbetering van de samenleving te kunnen nastreven. Die uitspraak over deelnemen dat belangrijker zou zijn dan winnen heeft hij overigens nooit gedaan in die woorden. Wel klonk het bij hem dat niet winnen het belangrijkste is, maar wel dat men gevochten heeft. Goed gevochten of gestreden. Mooi gestreden. Een wedstrijd moest iets vertellen over de deugden van de deelnemers volgens De Coubertin. Hij had daar overigens ook wel het Franse nationale belang mee op het oog. De Franse jeugd leek hem wat te mak geworden. Zijn voorbeeld was de Engelse lichaamscultuur van dat ogenblik. Aristocratische idealen waren niet ver weg.

De hooggestemde idealen van het huidige Olympisch charter mogen dan wel van ernstige ethische en politieke bekommernissen getuigen, wat Pierre de Coubertin toen voor ogen had zou nu ternauwernood nog kunnen gerechtvaardigd worden. Zogenoemde ‘professionals’ konden niet toegelaten worden tot de Spelen. Met die term werd echter – en dat klinkt wat eigenaardig voor ons – verwezen naar de arbeidersklasse. Enkel een niet-werkende klasse, de rentenierende elite zeg maar, kon meedoen. Dat had ondermeer te maken met het ideaal van fair play. Volgens een bepaalde zich oerdegelijk wanende traditie waren arbeiders daar niet toe in staat, vanwege niet verfijnd genoeg. Bovendien diende sport beoefend te worden omwille van de sport zelf en niet als bezoldigde activiteit. Arbeiders konden zich dat niet veroorloven en konden dus geen ‘amateur’ zijn in de ware zin van het woord. Geld verdienen als sporter is een tijdlang als een ernstiger misstap gezien dan doping te gebruiken. Geldgewin als drijfveer verloochende pas echt de ware spiritvan het sportgebeuren. Jim Thorpe, goud op de vijfkamp en de tienkamp in 1912, werd een jaar later zijn medailles ontnomen omdat hij voor deelname aan honkbalwedstrijden in 1909 en 1910 vijfentwintig dollar op zak had mogen steken. The times, they are a-changing, zou Bob Dylan zeggen. 

In studies over de evolutie van de OS wordt ook wel eens gewezen op het etnocentrische karakter van De Coubertins onderneming. De universaliteit die hij bepleitte was niet meer dan een veralgemenen van lokale gevoeligheden en overtuigingen over het mens zijn. Zijn universalisme droeg een vooruitgangsoptimisme in zich, maar die vooruitgang zou er enkel komen als het westerse model algemeen werd overgenomen. Zin voor diversiteit stond toen nog zo ongeveer op niemands agenda. Iedereen is kind van haar of zijn tijd natuurlijk en het is dus maar goed ook dat het Olympisch charter intussen de eigen tijdsgeest mede weet te verwerken. 

De vraag die er echt toe doet is voor mijn part nu die naar de geplogendheden binnen de bevoegde Olympische organen en binnen de sportwereld in ruimere zin. Denk aan Russische toestanden nu, denk aan de manier waarop de organisatie eerder aan steden werd toegewezen, denk aan boycots van soms niet de geringsten, denk aan het geweld in München ’72. En denk dan nog eens aan die zes principes en hoe mooi idealistisch ze ogen.

In 2020 zal Tokio het Olympische festival organiseren. Naar verluidt zouden meerdere kandidaat-organisatoren in spezich intussen al teruggetrokken hebben voor het feestje in 2024. Uit de pan swingende kosten zijn wellicht niet de enige, maar ongetwijfeld wel de zwaarstwegende reden. Het getuigt misschien van een slecht karakter, maar misschien zou een crisis – geen enkele stad die zich nog kandidaat wil stellen – meteen de welkome prikkel geven voor enige organisatorische herbezinning, geïnspireerd door het eigen ethische charter. Tenslotte is het dat wat van de Spelen Olympische spelen maakt. Een competitie met hoofdletter en met een ethische boodschap. Sport met een missie. Lekker ouderwets en actueler dan ooit. 

En toch gewonnen


Laten we dit een beschouwing over het niet-deelnemen noemen. Verwacht u aan een hoop melancholie, het steunen en zuchten van een inspanningshongerige die zichzelf in de nasleep van een medisch kwaaltje tot ‘mental coach’ benoemt, maar in de praktijk niet verder komt dan nagelbijtend op bed of later wachtend in de auto de niet wijkende regenbuien plaatsvervangend te vervloeken. Al schrijvende wil ik deze donkerblauwe nevelen des levens plaats laten ruimen voor de keerzijde van de in dit geval donkergekleurde medaille. Zal dan volgen, als besluit, de sprankel licht, dat bundeltje op de toekomst gerichte energie dat het leven van tijdelijke kleurloosheid bevrijdt.

Niet vrij van enige zelfironie bedenk ik deze olijke beginzinnen, wachtend op een terras om een ‘menu vélo’ te bestellen. Voor €10 biedt een pizza-grill in het centrum van Bédoin een pasta bolognaise, een drankje en een koffie. Een bewijs van vélo-identiteit dient niet voorgelegd. Wellicht werd dat op 13 juli 1967 ook niet van Tom Simpson gevraagd toen hij in de bar hier enkele huizen verder de laatste pastis van zijn leven dronk. Althans zo luidt de sportlegende. Maar sportlegendes zijn uiteraard altijd waar. Was dit overigens dezelfde sport als wat we nu nog altijd wielrennen noemen? Zie je de camera’s al gericht op Christopher Froome die zich van de fiets laat glijden om in er in een bar nog eentje te gaan drinken? Of dat zijn sportbestuurder hem opnieuw op de fiets zou zetten na eerst compleet uitgeleefd te zijn gevallen? Wielrenners stierven ooit heroïsch. Al zou dat heroïsche nu wellicht anders heten. Simpsons monument dient om te herinneren, maar even nadrukkelijk staat het er definitief verleden te wezen.

Wat zou die dag in ’s mans hoofd gespeeld hebben? Zouden dat ook donkerblauwe nevelen geweest zijn? Of gele? Het geel van zonnebloemen. In dit geval hoe dan ook de zonnebloemen van Vincent Van Gogh. Twee jaar geleden wandelde ik hier enkele decakilometers verder nog langs reproducties van werk van hem in de achtertuinen van het psychiatrisch ziekenhuis in Saint-Rémy-de-Provence. Vincent zweette daar de blauwzwarte sterrenhemel in zijn hoofd uit. Vergeefs. Of misschien niet. Ik zweette er, in die achtertuinen, een hoofdstuk biografie uit, genre ‘starry starry night’ met veel te veel ongelukszwangere wolken. Dat kan ook gezien worden als een uitdaging om te herbeginnen. Mijn tweevoudige klim naar de top van de Mont Ventoux eerder dat jaar had daar symbool voor gestaan. Starry starry night met belofte van zon. 

We vertrokken deze morgen in pletsende regen. Ik als chauffeur en mezelf dus troostend met het idee ‘mental coach’ te zijn. Zij als Kannibaalhongerige heldin in spe, nerveuzer dan de verzamelde Rode Duivels samen, straks voor de aftrap tegen Ierland. Maar voetbal kent natuurlijk geen Mont Ventoux. 

De omroeper bestempelde hen allen als helden. Ongeveer drieduizend paar regenopspattende wielen dropen mij voorbij deze morgen. Ik bracht supporterend stotterend iets uit van ‘komaan schat’ en dan nog wat onduidelijk gebrabbel. Op het filmpje dat ik maakte van de start hoor ik mezelf. Ongeveer zo moet Tom Simpson hebben geklonken toen hij zichzelf moed insprak na die laatste pastis en voor zijn finale pedaalslagen. Ik fantaseer maar wat over Tom. Tommeke Tommeke Tommeke toch. Anders klinkend dan bij het verbaal in de armen sluiten van een coureur in regenboogtrui met dezelfde voornaam.

Enkele uren later. De tijd tikte trager weg dan anders. Omhelsende armen en warme handen had ik mijn vrouw beloofd per sms. Kleumkou had ze mij laten weten in Sault gearriveerd te zijn. Al een deelnameloze dag lang liep of lag ik emotioneel te overdrijven en ik bedenk dat ik de tranen niet zal kunnen bedwingen als ze de kamer binnen komt straks. Ik zie het al: la Beauté après le Ventoux. 

Uiteindelijk wordt het anderhalf uur door beregende autoruit staren op het plein voor het Centre Culturel van Bédoin. Wielrenners druipen voorbij. Niet één kijkt vrolijk. Per paar regentrotserende wielen stijgt mijn ongerustheid. Het rotgevoel over het niet kunnen deelnemen transformeert zich in treurnis niet naast haar te kunnen fietsen nu. Ze arriveert met een onverstoorde blik. Zoals wel vaker lijken – lijken – inspanningen haar niet te raken. We kijken elkaar in de ogen. Mijn melancholische bui wordt met haar zonnebloemkleurige glimlach weggepenseeld. Emotionele supercompensatie. Ik leef op bij het voelen van haar inspanningsvolgekladderde lijf. Ik ben de bloemenjongen die zich op het podium mee de overwinnaar waant. Deelnemer en niet-deelnemer arriveren samen. Ze zegt: ‘Dit nooit meer’. Ze bedoelt wellicht: ‘Volgende keer samen’. Fietsend gaat ze op zoek naar ons hotel. Ik snelwandel en jog haar achterna. 

Enkele uren eerder sloeg ik ook al rechtsaf de Chemin des Granges in en begon ik daar te joggen. Enkele maanden geleden hadden tot medische wijsheid opgeleide heren en een enkele dame mij gezegd dat beter niet en zelfs nooit meer te doen. Maar weet, heren en een enkele dame, weet dat de zon begon te schijnen toen ik al joggend de weg naar mijn hotel insloeg. Ze scheen op mijn hoofd en in mijn hoofd. Soms moeten wolken, vooral de donkere, weggelopen worden. Of donkere gedachten dienen enkel om uit de wielen gefietst te worden. Volgend jaar fiets ik naar die top. Volgend jaar zal ik wel wachten om dat ‘menu vélo’ te kunnen bestellen. Nu was ik er ijlings vandoor gegaan voor de kelner kwam. Zelfs op momenten van zich donkerblauwslecht voelen moet een mens oprecht blijven tegenover zichzelf. Vind ik. En zich voornemen nooit bij de pakken te blijven zitten. Zeker niet aan de voet van de Mont Ventoux.

Sport en de eros van het leven

De mens is een erotisch wezen. Het Griekse woordje erosverwijst naar wat wij verlangen of begeerte noemen. Vanuit een existentiefilosofisch standpunt gezien verlangen wij naar zin en betekenis. We worden geleid door de vraag, de zoektocht zelfs, naar een zinvol en betekenisvol leven. Kan ik dat bewijzen? Neen. Maar zet deze hypothetische vooronderstelling eens op z’n kop: wie zou zich tevreden stellen met een zinloos en betekenisloos leven? Of denk aan mensen die daar om bepaalde redenen niet kunnen boven uitstijgen, zelfs als – en misschien net omdat – ze er zelf niet de oorzaak van zijn. Ik kan me maar weinig acceptabele manieren bedenken om daar mee om te gaan. 

Mijn hypothese wordt toch maar best gehanteerd bij het inrichten van ons leven en samenleven lijkt me. Ik meen zelfs dat een maatschappij de plicht heeft haar leden de kansen te bieden, deze zoektocht, deze queeste naar zin en betekenis een eigen invulling te kunnen geven. 

Maar wat heeft dit nu met sport te maken? We kennen allen wellicht wel de al zo vaak herhaalde redenen om sport- en lichaamscultuur – bewegen – te promoten. Die redenen hebben doorgaans te maken met gezondheid en welzijn. Ik denk dat ik niet overdrijf als ik ervan uitga dat deze redenen in onze hypertechnologische en door consumptie gedreven maatschappij de voorbije jaren qua urgentie zijn toegenomen en dat de cijfers die dat ondersteunen niet meteen de neiging vertonen te zakken. Deze redenen, die dus met gezondheid en welzijn vandoen hebben, vormen in mijn verhaal hoe dan ook de basale voorwaarden om over zin- en betekenisgeving te kunnen spreken. Als het lijf niet meewil, heeft dat altijd consequenties voor hoe we aan die queeste beginnen. Ik denk alleen al maar aan een fenomeen als depressiviteit. Sport, of meer bewegen, is hier een erkende remedie. Wie met het probleem van depressiviteit te kampen heeft, zal niet snel die erosvan ons bestaan voelen. De driveom te leven vanuit een verlangen naar een zin- en betekenisvol leven staat dan zelden of niet op de agenda van het eigen leven. Met andere woorden: zorg ervoor eerst met je lijf in het reine te komen om de mogelijkheid te hebben een stapje verder de vraag te stellen naar de zin van al de rest. 

Hoe kan sport nu tegemoet komen aan deze existentieel-erotisch zucht naar zingeving? Ik som enkele voorwaarden op die in filosofisch onderzoek te vinden zijn (ongetwijfeld naast andere) en toets deze telkens aan het sportgebeuren. 

Hebben we het over de zin van het leven, dan gaat daar ook iets mee gepaard dat richtinggevend is voor hoe we dat leven vorm geven. Zin is richtingszin. Waar wil je naartoe? Wat wil je bereiken? Hoeft het veel kanttekening als ik veronderstel dat dit vragen zijn die inherent zijn aan het beleven van sport? De invulling ervan is ruim. Misschien richt ik mij op het neerzetten van een prestatie in de nabije of verder gelegen toekomst. Misschien wil ik door een doordachte sport- en lichaamscultuur de kwaliteit van mijn leven een boostgeven? Misschien hoop ik via sportactiviteiten mijn leven rijker en voller te maken door er andere of meer mensen te leren kennen. Al deze drijfveren hebben impact op mijn hele leven en niet enkel op mijn sportieve reilen en zeilen. We zouden hier misschien wel een discussie kunnen hebben over de aard van die drijfveren. Zelf meen ik dat louter kwantitatief ingevulde motieven, in cijfers uit te drukken prestaties dus, op langere termijn onhoudbaar zullen blijken, vanwege begrensd. Iets als het opkrikken van de kwaliteit van het leven kan daarentegen een levenslange invulling en bijsturing vragen en krijgen, en op die manier duurzamer blijken. Altijd zal het richting – en zo zin en betekenis – geven aan onze dagelijkse praktijken.

Dat brengt me meteen bij een tweede aspect van de vraag naar zingeving. Zin heeft nagenoeg altijd te maken met zorg. Ik sport omdat ik zorg wil dragen voor mijn lijf. Ik zorg voor mijn lijf omdat het mijn sportactiviteiten kwalitatief ondersteunt. Het woordje ‘zorg’ zien we ook terugkomen in de term ‘bezorgdheid’. Ik zorg en ben bezorgd om mijn gezondheid en welzijn. Omdat ik deze bekommernis heb, stuurt ze mij in hoe ik mijn leven organiseer. Zorg zorgt voor zin. Omgekeerd: waarom zou ik voor iets zorgen als het me zonder zin en betekenis lijkt?

Voor het volgende aspect lijk ik twee keer hetzelfde te zeggen. We zijn eindige wezens, dat betekent dat we geen standpunt kunnen innemen dat ons boven onze eindigheid, de zekerheid dat we ooit zullen sterven, kunnen verheffen. We zijn geen goden. De mens is echter ook niet in deze wereld als (andere) dieren die enkel zijn aangewezen op een louter fysieke omgang met hun leefwereld. Wij stellen de vraag naar wat voor ons in ons leven betekenisvol is of kan zijn. Of we leven dan toch van daaruit, zelfs als we de vraag niet expliciet stellen. Hier lijkt dan die tautologie te dreigen en dat ik dus twee keer hetzelfde zeg: we vinden zin en betekenis vanuit wat betekenisvol is voor ons. Ik gebruik liever de term ‘betekenisdragend’. Een bepaalde horizon bepaalt wat voor ons betekenis inhoudt, waardoor wij ‘gedragen’ worden in onze existentiële keuzes. Deze betekenishorizon is gegeven en bestaat los van ons. We hebben die horizon echter wel nodig om over zin en betekenis te kunnen nadenken überhaupt. Die horizon zorgt voor een richting. Leven we in een cultuur waarin concurrentie en presteren de dans van het dagelijkse bestaan uitmaken, dan zullen we sneller geneigd zijn onze sportbezigheden ook vandaaruit kleur te geven. Ik zou echter ook enige kritische distantie kunnen tonen tegenover deze prestatiecultuur en voor mezelf van andere imperatieven vertrekken. Misschien ben ik dan explicieter en bewuster bezig met zingeven. En misschien is die tegenbeweging net nodig. Altijd echter – en dat is op zich ook al een aspect van de vraag naar zin – draagt de vraag naar zin en betekenis dat dubbele karakter in zich: we geven zin, maar er is ook reeds zin (betekenis, richting) gegeven. Zelfs als ik mij hardnekkig verzet tegen bepaalde overheersende tendenzen in een cultuur, dan nog vertrek ik daar. Bedenk echter ook dat een horizon niet gefixeerd is. Mét onze beweging verandert ook een horizon. De vraag naar zingeving krijgt hier zeker een mogelijk kritisch aspect. Bijvoorbeeld bij de vraag naar sport en de manier van beleven ervan.  

Tenslotte. De zin van het leven heeft ook ontzettend veel te maken met zin in het leven. Maar moet ik dat uitleggen aan lezers voor wie sportactiviteit iets quasi evidents heeft? Wie ‘er’ zin in heeft, zegt impliciet dat iets zinvol isvoor haar of hem. Ben ik een rare snuiter als ik bij mezelf vaststel dat ik heel vaak zeg of denk ‘er’ zin in te hebben na een stevig sportexploot?    

Where is my mind?


Een filosofieles in twee bedrijven.

Ter intro:

Met je voeten in de lucht en je hoofd op de grond. Probeer dat truukje eens. Geef er een draai aan. Goed zal het niet zijn voor je hoofd, als er niks in zit. Vervolgens vraag je je af: ‘Where is my mind?. 

Deze wat onzinning klinkende frasen haal ik zeer slordig vertaald uit een nummer van de Amerikaanse  Indierockband The Pixies. Die vraag die ik niet vertaalde uit het Engels is de titel van een nummer van hen. Goeie vraag overigens. Een mogelijk antwoord zit in de song verscholen: onze geest, ons bewustzijn, bevindt zich (ook) daar waar we menen enkel met de voeten bezig te zijn. Anders gezegd: bewustzijn ontstaat daar waar ik de grond raak. Sportende individuen zouden dat iets beter moeten weten dan het meer sedentair ingestelde deel van de menselijke soort. Om die reden sluit ik deze intro af met een zelden geformuleerde stelling: sport is géén bijzaak. Sport is zelfs een hoofdzaak in de meest letterlijke betekenis van het woord. Sport raakt aan wat we doorgaans denken met het hoofd te doen. 

Eerste bedrijf:

Ik kan een glimlach moeilijk onderdrukken als ik lees of hoor verkondigen dat iemand haar of zijn hoofd gaat leegmaken door te sporten. Ons hoofd is nooit leeg en het is altijd leeg. Het is dat nooit omdat het ons brein, onze zogeheten grijze massa, huisvest. Het is altijd leeg omdat gedachten of bewustzijn, ‘geest’, niet inons hoofd zitten. 

Waar zou onze ‘geest’ zich dan wel bevinden? Ik bedoel met ‘geest’ dat ‘ding’ dat geen ding is, maar dat wij zo graag onderscheiden van al het tastbare en materiële aan ons, het lichaam.

Al van bij onze verre filosofische voorouders, Plato bijvoorbeeld, werd wat ongemakkelijk gedaan over de verhouding van geest en lichaam. Ik ga dat verhaal hier niet te lang maken en gewoon wijzen op de intussen onhoudbaar geworden gedachte dat geest en lichaam gescheiden zijn en – nog erger – dat onze geest maagdelijk onberoerd blijft door onze lichamelijke strapatsen.

Vervolgens doe ik een tussenspurt, al even kort door de bocht, en herhaal dat onze geest niet in ons zit, maar buiten ons. De geest is iets aan het lichaam en spreidt zich uit in alles wat we doen. De meeste filosofen weten dat minder goed dan wij sportactievelingen. Wij kennen de wijsheid van het lichaam. Ga na hoeveel dingen u dagelijks doet op onbewuste wijze. En hoe het lichaam daar voor ons denkt. Kijk bijvoorbeeld naar tennissers of naar voetballers.

Als u nu op dit eigenste moment de wenkbrauwen fronst, het hoofd schudt, diep gaat zuchten, een bescheiden vloekje aan de wereld prijsgeeft of, omgekeerd, enthousiast ‘yes’ juicht, dan zijn dat allemaal uitingen van ons denken. Denken doen we in en met onze handelingen. De betekenis die we geven aan onze leefwereld zit niet ergens in dat blubberige brein verscholen, maar komt altijd tot uiting in het lijfelijke gesprek dat wij voeren met de dingen om ons heen. Die dingen, waaronder mensen, werken op ons in, wij werken op hen in. Onze dialoog is wederkerig. Ons lijf neemt deel aan het lijf van de wereld. En die twee veranderen elkaar constant. We doen dat soms bewust. We doen het vooral ook onbewust.

In een volgende tussenspurt wil ik nu graag beweren dat dit inzicht meteen ook het argument levert om te sporten. Duurzaam te sporten. Ik blijf korte bochtjes nemen: sport is – zoals reeds gezegd – geen bijzaak. Sport is van levensbelang. Waarmee ik bedoel: wie niet sport, mist een belangrijke component van de complexiteit van ons mens-zijn. Sport heeft een belang voor ons leven.

Het begrip sport rek ik daarbij tamelijk ver op. Uw dagelijkse wandeling is ook sport. Sport is lichaamscultuur. Cultuur is kweken. Ik kweek mezelf door aan mijn lijf te werken. Met mijn lijf ben ik verbonden met al de rest, dwz de natuur, onze medemensen enz.

Wat was er dan zo problematisch aan die nog altijd niet verdwenen tweedeling van lichaam en geest? In de filosofie en aanverwante geesteswetenschappen wordt of werd dat een dualisme genoemd. Een scheiding in twee dus. Die scheiding werd vervolgens altijd hiërarchisch ingevuld. Geest was wat beter dan lichaam, of zelfs het enige van waarde. Hetzelfde met verstand versus gevoel. Cultuur versus natuur. In één beweging werd dat ook doorgetrokken naar de vermeende dominantie van de man. Waren vrouwen niet wat meer lichamelijk en emotioneel dan mannen, die rationele straffe binken? Niet toevallig hebben nogal wat feministische filosofen de body-mindproblematiek opnieuw op de filosofische agenda gezet.

Nog in diezelfde geesteswetenschappelijke disciplines werd of wordt dan gedacht in termen van subject versus object. Weer kort: een subject domineert het object dat onderworpen dient te worden. De geest doet dat met het lichaam, cultuur doet dat met natuur, verstand of rede met gevoel. Vul het rijtje maar aan. En zie er het problematische, om niet te zeggen gevaarlijke karakter van. 

Wat doet het subject immers met het object vanuit een dominerende positie? Het creëert afstand. Gij, zondig en verdorven lijf, gij zult mij, schone en maagdelijke geest, niet bevlekken. Mijn denken zal zuiver zijn. En ik zal u plooien, minderwaardige baal vlees en botten. 

Zoveel plausibeler en mooier is het om dat voortdurende gesprek te zien en te voelen tussen lichaam en geest. Of althans tussen wat we zo noemen. Eigenlijk vormen ze een eenheid, een geheel. Duurzaam sporten gaat volgens mij over dat geheel. Argumenten om te gaan sporten als vermageren, trainen voor een wedstrijd, jong blijven (of dat althans denken) stellen niks voor bij de gedachte aan het belang van sport voor ons leven zelf.

Tweede bedrijf:

Een zaterdagmorgen. Ik ga met mijn vrouw naar de fitness. Te voet in een ijskoude regen. Ik loop weer te zagen en zeuren dat ik geen goesting heb. Dat mijn rug pijn doet. Dat er teveel volk zal zijn…

Ik besluit tot een hoognodige meditatiesessie. De loopband gaat dus in een helling van 10%, ik begin aan 5 km/u en versnel nadien tot 6. Een uur mag dat duren. Nadien volgt een fietssessie van dezelfde duur. De tobbende brombeer die de loopband in gang zette ziet zich van minuut tot minuut meer ‘verlicht’ worden, vol van goesting. Een gevoel van geluk dient zich eerst schoorvoetend aan, dan haast overweldigend. Ik laat me doen. Aarzelen wordt zekerheid. Losse gedachten worden zinnen, zinnen een verhaal. Het verhaal hierboven heeft zichzelf toen geschreven. Met verhalen bouwen we ons ‘zelf’ op. Met sport als lichaamscultuur maken we dat ‘zelf’ complexer, rijker, voller. Zeg maar: beter.

Sport is in die zin geen bijzaak. Ze gaat over hoe we in de wereld staan en hoe we betekenis geven aan ons leven. Sport zet op scherp wat we in het dagelijkse leven constant doen: een lijfelijke dialoog voeren met alles om ons heen. There is our mind.

Born to run

Eigenlijk had ik hier een verhaal willen schrijven over indianen. Het leek echter te gaan uitdraaien op een klaagzang over eigen blessures en over mijn nachtelijke dromen over oneindig lang hardlopen. Melancholie heeft wel iets, maar mijn publieke zelf wil zich liever ‘smijten’ voor iets energiekers. Ik ga dus een verhaaltje schrijven over cowboys en indianen. Als de cowboys hier – anders dan te doen gebruikelijk – als de stouterikken worden afgeschilderd en de indianen als de goeie meisjes en jongens, dan neemt u dat maar met een korreltje zout. Maar niet teveel.

De cowboys zijn met 482.939, de indianen vormen voorlopig nog een minderheid met hun 436.549. Die cijfers lees ik in een bijlage over mobiliteit bij het weekblad Knack. Het eerste cijfer staat voor het in 2014 aantal nieuw ingeschreven auto’s, het tweede voor het in datzelfde jaar verkochte aantal fietsen. 

Bij het doorbladeren van die bijlage over mobiliteit dacht ik aan mijn verplaatsing twee dagen eerder naar een ziekenhuis. Vanwaar ik woon, bleek dat volgens Google maps met de auto vier kilometer verplaatsing te vergen, te voet ook vier en met de fiets kwamen er zeshonder meters bij. In tijd schatten de bollebozen van Google dat op respectievelijk 8, 49 en 16 minuten. Om puur hedonistische redenen ging ik dus te voet. 

Het waaide loeiend hard, het regende bakken water. In de wachtzaal hoorde ik een dame nogal misnoegd grommen toen ik opstond en een plasje regenwater achterliet naast mijn stoel. Beleefd als ik ben heb ik mij bij een verpleegkundige nadien wel verontschuldigd voor mijn kloddernatte broek.  

‘De Belg is geboren met het stuur in de hand’, luidt het ergens in genoemde bijlage bij Knack. En dat gaat dus niet over het fietsstuur. Ik lees dat op een drukke dag de kostprijs aan verloren uren in de file oploopt tot drie miljoen euro. Ik heb er geen flauw idee van hoe dat berekend wordt, maar ik neem aan dat dit gaat om verlies dat bedrijven daardoor lijden en dat in die berekening niet zal gedacht worden aan wat dit soort mobiliteit op lange termijn doet met ons lichaam. In mijn doctoraat, begin jaren negentig van vorige eeuw, citeerde ik een tekst op een reclamebord langs Duitse snelwegen. ‘Frei Fahrt für frei Bürger’ klonk het daar, een vrije rit voor vrije burgers. Kom daar nog eens mee aan bij het filerijdende wezen waartoe automolisten zich laten herleiden. Ik schreef bijna ‘zonder mopperen’. Maar dat doen ze wel, want meer dan de helft van de chauffeurs blijkt zich te ergeren aan onhoffelijk gedrag van de medeweggebruiker. Ik durf te veronderstellen dat mijn indianen, te voet of pedalerend op twee wielen, dat niet of nauwelijks doen. Toch niet onderling.

Waarom wou ik nu eigenlijk over indianen schrijven en waarom kreeg dit een wenk naar een pleidooi voor een ander soort automobiliteit? Mijn ziekenhuisbezoek, dat met het plasje naast mijn stoel, moest mij iets leren over de toestand van mijn gewrichten en over het waarom van een al enkele wekenlang gedwongen rust als hardloper. Ik kan daar behoorlijk ongelukkig van worden. Dat was ook het geval met de Amerikaanse journalist en fervente hardloper Christopher McDougall. De man schreef een boek met als titel Born to run, in het Nederlands vertaald als De geboren renner.

Het boek begint met relaas van de auteur over een voetkwetsuur die hem het hardlopen onmogelijk leek te gaan maken. Hij vraagt zich af waarom hij en zovele anderen steevast gekwetst raken als gevolg van hardloopactiviteit. In zijn zoektocht naar een antwoord op die vraag krijgt hij veel ontmoedigende antwoorden van sportartsen en orthopedisten. Anders dan Bruce Springsteen lijkt te veronderstellen, zijn we misschien toch niet born to run. McDougall citeert Roger Bannister, de man die ooit als eerste een mijl liep in minder dan vier minuten. Bannister studeerde ook geneeskunde en deed aan wetenschappelijk onderzoek. Hij schrijft: ‘Elke ochtend wordt in Afrika een gazelle wakker en beseft dat hij sneller moet rennen dan de snelste leeuw als hij wil overleven. Elke ochtend wordt in Afrika een leeuw wakker en beseft dat hij sneller moet lopen dan de langzaamste gazelle als hij niet wil verhongeren. Het doet er niet toe of je een leeuw of gazelle bent – als de zon opkomt kun je maar beter gaan rennen’. De boodschap: wie moet lopen om te overleven moet wel born to runzijn. Ooit was dit ook een onmiskenbaar facet van de condition humaine. McDougall vindt dit terug bij de Tarahumara indianen in Mexico. Hij verwijst naar een 95-jarige man uit die stam die nog altijd in staat blijkt een marathon te lopen in de bergen. McDougall laat hier een bedenking op aansluiten: ‘En weet je waarom hij dat kon? Omdat niemand hem ooit had gezegd dat hij dat niet kon’. Klinkt wat te simpel natuurlijk, maar ik leid er toch een complex en omvattend gegeven uit af: of je born to runbent, heeft in grote mate te maken met je culturele achtergrond. Veel te kort door de bocht: ik ben op de verkeerde plaats geboren. Iets genuanceerder: zou het kunnen dat wij het hardlopen verleerd zijn als gevolg van onze vaak lichaamsontkennende hypertechnologische cultuur? De Tarahumara blijken niet of nauwelijks geconfronteerd te worden met één van onze beschavingsziekten. En ze zijn buitengewoon vriendelijk.

McDougall voert op enkele plekken in zijn boek een Amerikaanse looptrainer op. De man wil per se het geheim ontdekken van de Tarahumara. Waarom zijn zij de beste duurlopers ter wereld? Dat wij dat niet zo meteen weten, heeft vooral te maken met hun afkeer van onze manier van aan competitie doen. Enkele schaarse deelnames, met succes en bovendien stevig financieel beloond, kon hen niet echt over de streep trekken. Ik kort het verhaal hier sterk in: de conclusie was dat de Tarahumara niet gekwetst raken omdat ze met de glimlach lopen. Maar eigenlijk is dat een cirkelredenering. Ze lopen misschien wel met de glimlach net omdat ze niet gekwetst raken. En waarom raken ze niet gekwetst: omdat ze born to runzijn natuurlijk. Voor hen is hardlopen een niet weg te denken dimensie van hun zijn. Kinderen worden er mee grootgebracht. Oudjes blijven er zich jong bij voelen. Zou iemand dat eens mee kunnen berekenen in een studie over onze mobiliteit? 

Tijdens mijn doorregende wandeltocht naar het ziekenhuis vroeg ik mij dus af of ik ook gekwetst zou zijn als ik als Tarahumara indiaan was geboren. Ik heb het niet durven vragen aan mijn arts. 

Symfonie der dingen

Ik knars en kreun. Ik steun.

Ik word gesmeerd. Ik draai gesmeerd.

Soms trap ik door, soms sla ik er eentje over. Ik glijd eraf, loop ernaast.

Dat gevoel van een nieuwe ketting… Hoe ze mij streelt. En ik haar. Hoe we samen van snelheid zuchten.

Gisteren nog een halve ton zandkorrels tussen mijn gebit gekregen. Spuwen kan ik niet. Ik wacht gedwee op een vaardige hand. Liefst met een niet te onzachte borstel. Over zeepsop zwijg ik liever. En dan die hogedrukpistolen… Die knallen mijn binnenste zowaar méé weg. Mijn glijmiddel.

Sta ik droog, dan voel ik me mottig. Ik kraak of piep. Hoe dan ook wring ik tegen in vetloze periodes. Maar regendruppels kan ik veranderen in diamanten.

Met mijn namen schrijf je poëziegeschiedenis.

Tiagra

Ultegra

Claris

Chorus

Force

Veloce

Aldus sprak mijn fiets met het hart.

Ik dacht: laat me eens ketting en tandwielen – de cassette – van mijn fietsen aan het woord laten. Onlangs had ik er wat nors staan naar kijken. Of beter: ik zat er wat boze blikken op te werpen. Op mijn knieën dan nog wel. En in nat gras. Saskia en ik hadden net polders in het Brugse verkend op een herfstige dag. Landbouwers hadden dat de dag voordien ook gedaan. Wij met de koersfiets. Zij met altijd imposante tractoren. Zij lieten forse modderbroksporen na. Wij kregen die tussen de kiezen. Over onszelf zal ik het verder niet hebben, maar onze fietsen hadden mogen proeven dat zelfs tussen Brugge en Oostende een modderbad een wat nare bijsmaak heeft. 

Ik dus op mijn knieën met spons en zeepsop. Die tanden en de ketting die eroverheen loopt, daar heb ik het altijd moeilijk mee gehad. Hoe maak je die eigenlijk écht proper zonder er het noodzakelijk smeerspul mee weg te halen? Ik keek dus nors.

Later, in de garage, keek ik er wat vertederd naar. Net had ik een stukje gelezen over het parlement der dingen. In Amsterdam is er zo eentje geopend. Geïnspireerd door het werk van de Franse wetenschapsfilosoof Bruno Latour zou je er moeten kunnen tot het besluit komen dat mens en ding niet als gescheiden moeten gezien worden. Ik ken ‘s mans werk niet echt, maar mijmer toch wat verder over die gewenste eenheid. En ja, we vormen vaak een eenheid, de dingen en wij. We dragen een bril, maar merken dat niet. Tenzij we hem afzetten. Dingen laten ons toe ons in de wereld te begeven en er te bewegen. Ze leggen ons ook vaak een eigen maat op. Kracht, snelheid, omvang van wat we doen, danken we aan hen. Je zou dus zelfs kunnen beweren dat dingen een ethische vraag in zich dragen. Onze omgang met de dingen bepaalt immers mede de manier waarop we in de wereld staan en geeft mee betekenis aan die wereld. Dingen zijn dus niet neutraal. Ze zijn geen objecten waar we ons afstandelijk toe verhouden. Ze maken deel uit van ons. Waar zou overigens de grens liggen tussen mijn eigen lichaam en de dingen die ik gebruik? We lijken in elkaar over te vloeien. Elke geoefende fietser weet dat. Een biljarter weet dat. Een skiër…

Krijg ik zowaar nog schuldgevoelens bij mijn boze boskaboutergebrom om moddervieze tandjes en slijkslurpende ketting. Als iets het hart van mijn fiets vormt, dan toch die cassette dacht ik. En misschien is er naast dat ethische gehalte ook nog iets in esthetische zin te vertellen over tandwieltjes. Ik dacht aan beelden (terwijl ik mijn ketting bedruppelde) van het Italiaanse futurisme. Vooral Italiaanse kunstenaars plachten er wel eens de lof te zingen van nieuwe technieken. Althans: wat dat voor hen was.   

Op de foto hierboven heb ik een eigen foto van de cassette van mijn koersfiets laten overvloeien in een afbeelding van een schilderij van zo’n Italiaanse futurist, Giacomo Balla. Het heet ‘De snelheid van een motorfiets’. 

Ik denk aan Veloce. Zie het klankgedicht hierboven. Dat is muzikale snelheid. Het Italiaanse futurisme bezong al ruim honderd jaar geleden snelheid en techniek. Balla deed ook nogal euforisch over het lawaai van auto’s en motorfietsen. Ik zou hun lofzangen nu herdichten en het hebben over snelheid als muziek van onze fietsen. Een peloton wordt dan een symfonieorkest. 

Lees Marinetti, kunstbroeder van Balla: ‘Voortgejaagd in een waanzinnige rit, alleen met de zwaaiende dronkaards die onzeker langs de muren van de stad fladderen’. Dan kende hij de start van de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen nog niet. 

Nog Marinetti, in het eerste futuristische manifest, uit 1909: ‘Wij verklaren dat de glans van de wereld zich met een nieuwe schoonheid heeft verrijkt: de schoonheid der snelheid. Een racewagen die vooruitschiet op kruit, versierd met grote pijpen als slangen met ontploffende adem, is mooier dan de Nike van Samothrake’. 

Laten we nu misschien het futurisme herschrijven. ‘Wij verklaren dat de glans van de wereld zich met een nieuwe schoonheid heeft verrijkt: de schoonheid van de vélo’. Bekijk je fiets voortaan vanuit zijn veloce. De muziek van zelf voortgebrachte snelheid. Zoef door polders. Fluit mee met je ketting. Piep (desnoods) mee met je remmen. Klink schor met bemodderde remblokjes. Speel in op de wind. Laat je meedrijven. Vorm er een duet mee. Samen even vals. Samen met overslaande stem.

Dat een filosoof zich nog eens over het lot van fietsketting en -cassette zou buigen. Ik draai dus ik ben. Ik bekijk ze en mompel nog iets over die esthetiek van tandraderen. Over blinken. Over de schoonheid van modder. Over bevlekt ontvangen in de wereld te staan. We lijken elkaar te begrijpen. Af en toe knarsetanden we dan ook samen. We draaien, dus we zijn.

I miss you most of all when autumn leaves start to fall. Dat zingt Eric Clapton. Ik heb vanaf nu niks tegen een herfstblaadje tussen de tandwielen. Denken we daar eens aan in deze tijd van het jaar. Alleen in de garage staan, onberoerd, onbevlekt. Voor onze fietsen is dat maar niks. Voor ons trouwens ook niet.

De eigen maat

Ik sta op, ga ontbijten, poets mijn tanden en ga dan tegen mijn geluksmeter staan. Deze morgen haal ik 72. Straks, na het joggen of fietsen (gedurende resp. 30 of 75 minuten, meer is niet goed volgens de tabellen), meet ik mijn geluk nog eens. Wellicht haal ik dan 80, misschien zelfs 85. Vanavond, met mijn lief in de zetel, goeie film voor ons en een fles Chardonnay jaargang 2004 (statistisch gezien één van de betere de voorbije twee decennia), nog nagenietend van ons beider sportexploten en voorgenietend van wat ik hier onbenoemd laat, dan, in die context, en als ik nog eens aan mijn geluksmeter ga staan, dan haal ik zeker 90. 

Ik hoop en veronderstel dat u bovenstaande zinnen als onzin beschouwt. Waarom vertel ik zoiets onnozels? Wij lijken in onze hedendaagse cultuur nogal straf gefascineerd door cijfertjes en het berekenbaar maken van nogal wat van onze activiteiten. Wat we berekenen valt dan nagenoeg altijd onder de noemers van efficiëntie of rendement te vatten. Dat lijkt nu ook met onze sportactiviteiten te gebeuren. Dat lijkt me vaak een probleem. Teveel cijferen cijfert de mens weg. Ik leg uit waarom ik dat denk.

Uiteraard heb ik alle respect voor wetenschappers en voor het kwantitatieve onderzoek dat zij verrichten. Tegelijkertijd meen ik echter ook dat meten slechts een beperkte vorm van weten oplevert. Als onderzoek vertelt dat we best ongeveer 150 minuten per week matig intensief aan sport doen, dan zal daar ongetwijfeld iets van aan zijn in een tijd waarin sommigen een taxi zouden bellen om de straat over te steken. Als ik lees dat die 150 minuten misschien wel eens als het maximum zullen worden gezien en dat méér statistisch bekeken dezelfde negatieve resultaten oplevert als een zittend leven, dan krijg ik een diepfilosofische kramp. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het schitterende boek van Christopher McDougall, De geboren renner, en hoe hij daar het verhaal vertelt van de Tarahumara indianen. Die lopen gezamelijk wel eens 48 uur aan een stuk. Ze hebben er negentigjarigen in huis die nog marathonlopen in de bergen aankunnen. En ze kennen nauwelijks gezondheidsproblemen die wij vaak en vooral als welvaartsziekten omschrijven. Hoe passen zij in dat wetenschappelijke plaatje van hierboven? 

En wat betekent dat eigenlijk, gezondheid meten? Eén van mijn lievelingsfilosofen, Hans-Georg Gadamer, publiceerde ooit een boek dat, letterlijk uit het Duits vertaald, de titel Over de verborgenheid van de gezondheiddraagt. Doorheen de verschillende opstellen in deze bundel tekent Gadamer een beeld van de tendens tot beheersing van het menselijke lichaam, die volgens hem geen uitstaans meer heeft met onze eigen levenspraktijk, maar louter met techniek, met zogenaamd objectief bepaalde en berekenbare normen. De (medische) wetenschap draagt een weten in zich dat gericht is op het kunnen maken. Gadamer noemt het een wetende beheersing van de natuur. Het gaat hier niet om een weten dat voortkomt uit de praktijk van de levenssituatie en uit de context van het handelen, waar we leren uit eigen ervaring. Zijn stelling komt hierop neer dat we wel kunnen laten ‘meten’wanneer we ziek zijn en dat die ziekte methodisch kan aangepakt worden, maar dat we, omgekeerd, die methodische gang van zaken niet kunnen gebruiken in onze persoonlijke zoektocht naar gezondheid. Die laat zich niet meten. Het gaat om ‘mijn maat’ die anders is dan die van anderen. Mag ik dat opentrekken naar de sportbeleving?

De oud-Griekse filosoof Plato maakte reeds een onderscheid tussen twee vormen van meten. En voor alle duidelijkheid: beide vormen zijn onontbeerlijk. Bij de eerste vorm gaan we met een maatstaf naar de dingen toe. Alle metingen hangen er af van die ene uniform gemaakte maat, de meter. Voor Plato gaat het hier om het poson, de kwantiteit. Bij de tweede vorm van meten, het poion, tracht men de juiste maat zelf vast te stellen. De kwaliteit van mijn ervaring van kunst bijvoorbeeld kan ik niet meten. Hans-Georg Gadamer verduidelijkt dit onderscheid tussen posonen poionverder aan de hand van wat we doen als we ziek zijn enerzijds en wat we doen om gezond te blijven anderzijds. Bij een ziekte gaan we naar de dokter, die wellicht de ziekte kan beheersen met de maatstaven die haar of hem vanuit de medische wetenschap worden aangereikt. Om gezond te blijven, gaan we echter anders te werk. We trachten dan zelf een juiste weg te volgen, het oor te lenen aan wat ons lijf ons toefluistert. We passen dus niet louter regels toe. Te veel techniek, te veel regels, te veel methode zou het individu de flexibiliteit laten verliezen om hier zelf over te oordelen. En dat betekent voor Gadamer dat we aan vrijheid verliezen. De vrees, en de kritiek, van Gadamer luidt dat wij in onze technologische samenleving alles wel lijken te kunnen meten, maar dat we niet meer kunnen uitmaken wat gepast is. In het Nederlands gaat hier spijtig genoeg de woordspeling in het Duits verloren: Gadamer heeft het over das blosse Messenenerzijds, en das Angemesseneanderzijds. We kunnen de volheid en rijkdom van onze lijfelijke ervaring niet vatten met genormeerde meeteenheden. Als we het hebben over harmonie met onszelf en met de wereld, hebben we voor Gadamer een ander vermogen nodig. Het louter meten laat ons niet toe te ontdekken wat gepast, angemessen, is. Ook hier zou het hedendaagse individu aan flexibiliteit kunnen verliezen, wat voor Gadamer beslissend is voor de omgang met onszelf. Hij vreest dat de overheersing van het louter technisch-methodische omgaan met onszelf en onze leefwereld er zou kunnen toe leiden dat we het vermogen kwijtspelen om te leren inzien wat gepast is, gepast voor ‘mij’, gepast voor elk individu als individu.

Dat bedoel ik dus met het wegcijferen van de mens. Als sporthongerig individu in de specifieke context van mijn bestaan, heb ik geen boodschap aan statistieken. Wat voor mij passend is, heeft misschien vooral te maken met de kwaliteit van mijn ervaring. Of ik denk ook aan de roes van de sportbeleving. Misschien krijgt mijn lichaam er alsmaar meer zin in. Misschien breekt het af en tie graag eens uit de maat. En waarom zou ik mijn grens, mijn maat, door statistieken laten bepalen als ik voel dat intensief sporten de niet-meetbare kwaliteit van mijn leven ten goede komt? 

De zin van het leven


Wat doen filosofen? Zij denken. Maar wat is dat denken? We linken dat nogal makkelijk aan een activiteit in ons hoofd. Ik leg straks uit waarom dat eigenlijk niet klopt. Misschien ga ik wel beweren dat we buiten ons hoofd denken. So what? Wat zou dit vandoen hebben met sport, die lijfelijke bezigheid bij uitstek? Nog concreter: wat heeft een filosoof te zoeken op deze aan het sportleven gewijde internetpagina’s? 

Mijn antwoord zou kunnen zijn dat sport, wellicht meer dan vele andere andere menselijke activiteiten, ons toont hoe wij als mens op deze aardkluit vertoeven. Hoe wij er zin en betekenis aan geven. En hoe sport die zin- en betekenisgevende vermogens van de mens op scherp stelt.

Bekijk misschien eens de foto die bij deze column is afgebeeld. Ik hoop eigenlijk dat u niet meteen begrijpt wat deze foto nu precies voorstelt.  U ziet al snel dat deze foto geen exacte weergave is van een werkelijkheid die zich daar buiten ons aandient. Mijn foto is een interpretatie van een moment waarop ik mijn vriendin tijdens het lopen ‘vastlegde’. Ik heb gespeeld met die foto. Ik heb hem gedraaid, gekeerd, wat vlekjes en effectjes toegevoegd, er een sfeer aan gegeven. Ik beweer nu een beetje boudweg dat wij dit voortdurend doen in de interactie met onze leefwereld. Die dient zich nooit aan als een kant-en-klare foto die één interpretatie toelaat en geen andere. De werkelijkheid die wij rondom ons ervaren legt zich in zekere zin aan ons op, maar omgekeerd brengen wij ook iets in die werkelijkheid van onze leefwereld binnen. We zijn niet louter passieve ontvangers van zin en betekenis, we hebben daar ook een actieve rol in te spelen.

U vraagt zich nog altijd af wat dit met sport te maken heeft.

Denken wij in ons hoofd? Ik verontschuldig mij voor mijn wat stellige bewering: neen, wij denken niét in ons hoofd. We denken buiten ons hoofd. Hoezo? Ik stel de vraag anders. Hoe komen wij tot het geven van betekenis aan onze omgeving, aan hoe wij een plek vinden in die omgeving, aan hoe wij daar met anderen interageren?

Zit er iets in ons brein dat wij van binnenuit naar de leefwereld toe uitdragen? Neen. Ik denk dat het omgekeerd is. We bevinden ons in een omgeving en die omgeving gaat ons iets opleggen. Tijdens het nemen van bijgaande foto aarzelde de wolkenhemel boven ons nog tussen opnieuw tamelijk nat uitbarsten en min of meer beloftevol opklaren. Stel dat we opnieuw geconfronteerd werden met een eerder agressieve hagelbui, zoals enkele dagen voordien hier in Brugge. Of stel dat de zon ons nog op een forse opstoot van laatzomerse warmte zou tracteren. Dat laat ons niet onverschillig. Het raakt ons. Het beroert ons. Het stemt ons. 

Conclusie 1: hoe wij betekenís geven aan onze omgeving begint bij een stemming. Ik ben anders gestemd als de zon mij masseert dan wanneer een hagelbui mij geselt. Ik neem aan dat dit ook voor u geldt. 

Vervolgens. Mijn vriendin keerde net terug van een helse dag op het werk. Drukte in het kwadraat. Drukte van een zich aankondigend begin van het schooljaar. Een beetje stress. We wandelen naar een park. Hand in hand. Ik al tobbend over die foto, zij uitkijkend naar dat loopje dat op zo’n drukke dagen nog iets meer welkom is dan anders. Mijn stemming was overigens als bijgekleurd dankzij een bezoek aan een fitnesscentrum eerder die dag. Ze loopt. Ik laat haar stoppen. Keren. Draaien. In een plas springen. We lachen. We zijn onze eigen zon.

Conclusie 2: hoe wij betekenis geven aan onze omgeving heeft ook te maken met hoe wij die omgeving ‘ondervragen’. Wat verwachten we? Die manier van vragen bepaalt al in grote mate het antwoord dat erop volgt. Stel dat we liepen te hopen op een zeer efficiënte intervaltraining, dan waren we ontgoocheld geweest over dit uurtje pret. We brengen dus iets binnen in die omgeving. Er ontstaat een samenspel met die eerder genoemde stemming.

En dan is er dat lopen. Excuus voor het nogal vanzelfsprekend van deze opmerking: dat doet iets met je lijf. Het leuke scenario na een dagje stresswerk is dat die loopactiviteit ons een zachte drug verschaft. Onze hormonenhuishouding wordt opgekrikt naar een toestand die kan gaan van toenemend welbehagen tot quasi roes. Hoe dan ook heeft mijn vriendin zichzelf in een andere lijfelijke toestand gebracht door te gaan hardlopen. Wie iets aan zijn lichaam verandert, verandert iets aan haar of zijn manier van in de wereld zijn. En dus aan het eigen denken. Misschien had een hagelbui wel voor genot gezorgd? Het lichaam is daar nogal slim in. Niet zomaar heet een boek van de Nederlandse romanschrijver en wielerfanaat Jan Siebelink Pijn is genot. Het lichaam pas zich aan. Het kleurt het verhaaltje dat wij voortdurend onszelf vertellen in onze omgang met onszelf, met de wereld, met anderen. Het is het lichaam ook dat eerst die stemming ondergaat. We kunnen daar dan op inpikken door dat lijf van ons aan het werk te zetten. Of niet.

Conclusie 3: het lichaam is de primaire instantie van onze betekenisgeving aan de wereld. Verander je iets aan je lichamelijke situatie, dan verander je ook iets, soms zelfs iets grondigs, aan de manier waarop je als betekenisgevend wezen in de wereld staat. En vaak gebeurt dat onbewust. Het lichaam werkt voor ons, heel vaak op de achtergrond.

Om al deze redenen kunnen we moeilijk beweren dat we in ons hoofd denken. Ons denken, zelfs ons bewustzijn, beperkt zich niet tot de conturen van ons brein. We denken in interactie met een omgeving. Die omgeving stemt ons. Ons lichaam reageert erop. Het denkt met ons mee. Het ís zelfs ons denken.

Overschouw nu de diversiteit van menselijke wezens en die van hun activiteit. Wie ondergaat het meest een omgeving, voor wie is de dialoog met de leefwereld zeer intens, wie gebruikt daar in verhoogde mate het eigen lijf om iets te veranderen aan zichzelf? Dat zijn wij, de sportievelingen op deze aardkluit. Wellicht had ik deze duizend woorden niet nodig om dit uit te leggen. U heeft dat al lang ervaren tijdens het fietsen, wandelen, lopen. Of gelijkaardig snoepgoed.